Genius loci

Pas geleden was ik in Ool, bij Roermond, en ik stond er op een dijk. Voor me lag een enorme hoeveelheid water en in de verte zag ik hier en daar wat plukjes land. Door al dat water kon ik me niet goed oriënteren, maar gelukkig waren daar de koeltorens van de Maasbrachtse Clauscentrale aan de horizon die me vertelden dat ik in zuidelijke richting keek. Ergens tussen al dat water moest de Maas stromen, maar waar precies?

Als ik op zo’n plek ben, dan zit mijn hoofd vol vraagtekens. Hoe komt het dat het er hier zo uitziet? Hoe was het uitzicht hier honderd jaar geleden? Even veel water? Vast niet! Hoe is het landschap veranderd? En waarom? Met dit soort vragen kom ik thuis en ga achter de laptop zitten, op zoek naar antwoorden. De lange herfstavonden zijn er perfect voor.

Ool rond 1832. Kadastrale kaart 1811-1832: minuutplan Herten, Limburg, sectie B, blad 01, detail. Bron: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort/documentnummer MIN11039B01.

Plekken hebben een verleden en ik ben van mening dat je een plek pas kunt beginnen te begrijpen als je de diepte in duikt. In de landschapsarchitectuur en de tuinarchitectuur spreken we over de genius loci. Dat is latijn en het betekent, letterlijk vertaald, “de geest van de plek”. Het gaat om dat wat misschien niet meer zichtbaar is, maar wel degelijk de plek heeft gemaakt tot wat hij nu is.

Een zoektocht naar het verleden van een plek begint bij mij altijd met het bekijken van historische kaarten. Vroeger moest je daar vaak ver voor reizen, naar bibliotheken of archieven, maar tegenwoordig is veel via internet te vinden.

De twee bekendste historische informatiedragers in Nederland zijn de kadastrale kaarten en de topografische kaarten.

Het kadaster is sinds jaar en dag een openbaar register dat van overheidswege wordt bijgehouden. De oudste kaarten stammen uit de eerste helft van de 19de eeuw en ook destijds werden percelen en huizen nauwkeurig ingetekend. Aan elk kadastraal perceel werd een nummer toegekend en via dat nummer kon je, net als nu, van alles te weten komen over de omvang van het perceel, het gebruik, de naam of het beroep van de eigenaar, en zo voort.  Al deze historische kadasterkaarten en hun bijbehorende gegevens zijn momenteel te vinden in de beeldbank van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

Topografische kaarten worden gemaakt sinds het midden van de 19de eeuw en ze geven geweldig veel informatie over zaken als reliëf, natuurlijke gesteldheid, infrastructuur en bebouwing. Om de paar decennia werden ze geüpdatet en als je vervolgens kaarten van eenzelfde plek naast elkaar legt, dan zie je hoe een landschap zich in de loop van de tijd heeft ontwikkeld. Er is een speciale website waarop je dit soort topotijdreizen kun ondernemen. Met één muisklik reis je door de tijd, van 1850 naar 2020 en vice versa.

In vergelijking met andere delen van Nederland is de provincie Limburg relatief rijk aan historisch kaartmateriaal. Want we hebben méér. En dan bedoel ik de Tranchotkaarten van rond 1815 en de zogenaamde Ferrariskaarten die tussen 1770 en 1780 gemaakt werden. De Tranchotkaarten bestrijken het gebied ten oosten van de Maas, tot aan Nijmegen toe, en op Ferrariskaarten zien we (voornamelijk) stukken ten westen van de Maas. Omdat het allebei militaire kaarten zijn munten ze uit in details over de terreingesteldheid. Tuinen, hagen, boomgaarden, weilanden, bouwland, bos, heide, moeras, paden, wegen, beken en rivieren: het werd allemaal ingetekend en u kunt zich voorstellen dat deze kaarten ons nu een schat aan informatie geven.  

Terug naar Ool. Ik sta op de dijk en ik maak een tijdreis. De kaarten leren me dat er tweehonderd jaar geleden al een dijk was, met een bomenrij, maar het uitzicht was anders. Je keek er uit over een landbouwgebied, met bouwlandjes en weilandjes van mannen en vrouwen uit Ool, uit Herten, Merum en uit Roermond. De Maas ging er met een grote bocht omheen. In het gebied lagen onverharde wegen met namen als Groenenweg, Koortweg of Kleyn Weeghsken. Verkaveling en eigendom waren sterk versnipperd. Perceeltjes van de landbouwer, de herbergier, de dagloner, de weduwe of de rentenier; alles lag kriskras door elkaar.

Onder dit land lag al duizenden jaren een grindpakket te wachten om gedolven te gaan worden. Na de Tweede Wereldoorlog was het zo ver. Grind, als grondstof voor beton, was in de wederopbouwperiode zeer gewild, want er konden huizen mee gebouwd worden. Grootschalige delfstoffenwinning is altijd een gulzige bezigheid en binnen no time werden er grote happen uit het land genomen. De grienden, direct langs de Maas, werden als eersten uitgegraven. Daarna volgden het bouwland en de weilanden, tot er niets meer over was en alles water geworden was. Sindsdien heet het Oolderplas. Als je het over de genius loci – de geest van deze plek – hebt,  dan zou ik de naam Ooldergat toepasselijker vinden. Maar ja, ik begrijp het wel, want met een gat trek je natuurlijk geen toeristen.

Probeert u het maar eens, dat tijdreizen. Neem een plek waar u graag wandelt en ga achter uw laptop terug in de tijd. U zult de plek beter begrijpen.

Over Hanneke Schreiber

Op het grensvlak van natuur en cultuur
Dit bericht werd geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s