Column

Met het overlijden van Ger Houben, presentator van Limburgs Land, eind mei 2018, kwam een eind aan het leukste tuin- en natuurprogramma van Nederland. In de afgelopen jaren waren mijn columns een keer per maand een vast onderdeel van zijn programma. Ik heb er met zo veel plezier aan gewerkt dat ik besloten heb om door te gaan met schrijven. Dus ook in de komende tijd zal aan het eind van elke maand op mijn homepage een nieuwe tekst worden gepubliceerd.

Er valt immers nog zo veel te vertellen.

Advertenties
Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Tussen de sparren

In deze afgelopen verkiezingsmaand dook het woord ineens op. Boreaal. Zelfstandig naamwoord? Bijvoeglijk naamwoord? Dat deed er niet toe, boreaal lag gewoon op ieders lippen.

Wat wordt er mee bedoeld? Is het een politieke term die in rechts-extremistische kringen gebruikt wordt om racistisch beladen begrippen als blank, Arisch of wit mee aan te duiden? Geen twijfel over. Maar van huis uit ben ik een geograaf en voor mij is boreaal een term uit de aardwetenschappen, meer in het bijzonder uit de klimatologie, uit de geologie en voor het gemak voeg ik er ook nog even de plantengeografie aan toe.

IMG_4502 (4)

In een bosje met fijnspar en douglasspar, Vijlen, maart 2019

Een klimaat is een gemiddelde weerstoestand over een langere periode. Zoals u weet zijn er op onze aarde meerdere klimaten. Als ik van een van de Congo’s naar Zuid-Afrika loop, dan loop ik in eerste instantie in gebieden met een tropisch klimaat (warm en vochtig) en later in gebieden met een aride (droog en warm) klimaat. En als ik de fiets pak om van Nederland naar Lapland te fietsen, dan begin ik in de maritieme zone en eindig ik in de zogenaamde boreale zone.

Gemiddelde weerstoestanden veranderen niet alleen in ruimte, ze variëren ook in tijd. Bestudeer de geologische geschiedenis van één plek op aarde en je ziet alle klimaten langskomen. In de tijd dat in onze contreien de enorme plantenpakketten voor onze fossiele brandstoffen werden afgezet, zo’n 240 tot 200 miljoen jaar geleden, was het warm en vochtig. Tijdens de ijstijden heersten de gletsjers en was het hier zo koud dat er geen bomen konden groeien. Uit pollenonderzoek blijkt dat zo’n 14.000 jaar geleden de weersomstandigheden zodanig veranderden dat de eerste berken, dennen en wilgen weer tevoorschijn kwamen.

Omdat de groeiomstandigheden van planten onder invloed van licht, neerslag, verdamping en temperatuur variëren, worden planten en hun verspreidingsgebieden gebruikt als gids bij het bepalen van klimaatgrenzen. Zet een denkbeeldige steppevegetatie naast een tropisch regenwoud, en je begrijpt het. Een veelgebruikte indelingssysteem, de zogenaamde klimaatclassificatie van Köppen, is op deze basis ontwikkeld. Het systeem spreekt van vijf hoofdgroepen: de A-klimaten, (tropische klimaten), de B-klimaten (droge klimaten), de C-klimaten (maritieme klimaten), de D-klimaten (landklimaten) en de E-klimaten (poolklimaten). Binnen deze groepen wordt vervolgens op basis van temperatuur- en neerslagverschillen een verdere onderverdeling gemaakt.  Het mediterrane klimaat bijvoorbeeld wordt aangeduid met Cs: een maritiem klimaat (C) met droge zomers (s = sommertrocken). Het klimaat in Nederland wordt wel aangeduid met Cfb: een gematigd maritiem klimaat (C) met neerslag in alle seizoenen (f) met een gematigde temperatuur (b).

Het subarctisch klimaat, waarin de boreale zone ligt, is een D-klimaat. Het is een landklimaat, onlosmakelijk verbonden met de uitgestrekte landmassa’s van de noordelijke continenten, ver weg van de matigende invloeden van de zee. De boreale zone vormt de overgang tussen de poolgebieden en meer gematigde gebieden. Deze zone herbergt een van de grootste bosvoorraden ter wereld en wordt ook wel boreaal woud of taiga genoemd.

Het weer kent er zulke extremen dat weinig plantensoorten in deze omstandigheden kunnen overleven. De soortenrijkdom in het boreale woud is dan ook heel beperkt. Vaak zijn het uitgestrekte naaldwouden, met sparren, lariksen en dennen, dicht opeen gepakt zodat ze minder kwetsbaar zijn voor wind en zware sneeuwval. Soms zijn er ook berken, wilgen, elzen, heidestruiken. Voorts mossen, korstmossen en allerlei bessen. Voedsel waar voornamelijk dieren van leven. Nauwelijks mensen, want die hebben toch vaak wat meer nodig.

Niks Nederlands dus. Wij voelen ons thuis in loofbossen, niet in de taiga. Wij willen licht in de winter en schaduw in de zomer. Weliswaar zijn er in de afgelopen anderhalve eeuw vanwege de houtproductie grote arealen met grove den of fijnspar aangeplant, maar die worden door de terreinbeherende organisaties als Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten of de Landschappen sinds een paar decennia tamelijk massaal herplant met loofhout. Met name de spar wordt in de ban gedaan.

IMG_4504 (2)

…..tenzij met een bijl in de hand….

Ik persoonlijk zal er geen traan om laten. Er is in Nederland geen bos dat ik neerslachtiger vind dan een sparrenbos. Onder de bomen zien zomer en winter er gelijk uit, er groeit vrijwel niks, er bloeit vrijwel niks en er is nauwelijks een spatje licht dat de bodem bereikt. Schimmels, zwammen, paddenstoelen en nachtvlinders schijnen er te gedijen, maar een mens heeft er weinig te zoeken, tenzij met een bijl in de hand.

Desondanks wil ik ervoor pleiten om, althans voorlopig, een paar sparrenbossen te laten staan. Om landgenoten die het politiek getinte boreale gedachtegoed ondersteunen een eigen plek te geven. Je zou niemand het recht willen ontzeggen om er depri en bleekjes het einde der tijden af te wachten, toch?

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Foute boel

Sinds jaar en dag kijk ik op televisie graag naar alles wat groen is. En dan bedoel ik niet zozeer de natuurfilms, want die zijn altijd o zo serieus, maar meer de algemene toepassing van planten, bloemen,  bomen en landschap bij reclames of films. Overal waar sprake is van een filmset, rekwisieten en dergelijke. Februari, met Valentijnsdag en met de uitreiking van de Academy Awards (Oscars), is wat dit betreft altijd een topmaand.

Eerst de Oscars. Naast alle prijzen voor de  beste films, de beste acteerprestaties en beste regie bestaat er ook een Oscar voor production design. Denk aan de artistieke leiding, het decorontwerp, het kostuumontwerp en de aankleding van een filmset. Iedereen die wel eens in Hollywood is geweest weet dat het vaak goedkoper is om alles (in een studio) in scene te zetten dan afhankelijk te zijn van de ongewisheden bij filmen-op-locatie. Elk shot in elke film wordt bewust voorbereid, maar het feitelijke “in scene zetten”, waarbij allerlei rekwisieten geselecteerd, gezocht, gemaakt, gevonden en op de juiste plaats in het shot neergezet worden, is een verhaal apart. En, kijk, daar komt de kunstbloem om de hoek kijken.

De beste regisseurs zijn natuurlijk wel gek om zich te laten verleiden tot het gebruik van kunstbomen of plastic planten in buitenopnames. Hoe krachtig was het shot met eik en wuivend korenveld in de film Werk ohne Autor, een van de genomineerde films. Niks geen kunstplant voor nodig. Fantastisch als een boom getoond wordt zoals hij is. Less = more.

IMG_4400

Foute boel, Vijlen, 28 februari

Ronduit lachwekkend wordt het wanneer we aan de andere kant van het production design-spectrum terechtkomen. Ik vat het maar even samen onder de noemer more = less. Tegelijk hilarisch en tenenkrommend is menig Duitse romantische film van zo’n 20 jaar geleden. Alleen al vanwege de bloemrekwisieten zijn ze de moeite van het bekijken waard. Wat dacht u van een scene in een bos, waarin het ene personage een ander personage aanmoedigt om wat van die heerlijke bosaardbeitjes te eten, terwijl het zonneklaar is dat tussen het gras een paar loeigrote gekweekte aardbeienplanten – rechtstreeks uit het dichtstbijzijnde tuincentrum  – slordig ingegraven zijn? Alleen een onnozele is onbekend met het verschil tussen gekweekte en wilde aardbeien. Foute boel zijn ook de veel voorkomende, goedgevulde rozenbogen, met een waterval aan bloemen in een onnatuurlijk felle kleur, in een tuin waarin de bomen nog maar net aan het uitlopen zijn. Het is zo ongelooflijk nep dat het weer interessant wordt. En een absoluut dieptepunt tot slot zijn de shots van schitterende Engelse krijtrotsen, waar de production designer heeft gemeend het beeld te moeten oppimpen door her en der in het gras een kunstbloem te steken. Grrrrr.

En dan nu nog even mopperen over Valentijnsdag. Ook dit jaar werden we weer gebombardeerd met reclames waarin vrouwen rode rozen krijgen. Het lijkt wel of elke vrouw gepredestineerd is om haar neus in een rode roos te steken. Die neus móet erin. Een gotspe natuurlijk, want de rode rozen die je in de winkel koopt ruiken niet, die worden niet op geur gekweekt. Als proef op de som liep ik speciaal voor u, o lezer, in de week voor Valentijnsdag elke bloemenwinkel binnen die ik tegenkwam, in totaal zo’n twintig. De rode rozen waren massaal voorradig, maar er was er geen die geurde zoals de reclames dat suggereren. Nee mevrouw ….. maar die roze …. die geurt wel! Dus, snelle reclameboys, hou nou toch eens op met het ruiken aan rode snijrozen.

Vaak wordt gezegd dat er bijna geen rode rozen zijn die lekker ruiken. Dat klopt niet. Een telefoontje met een van de bekendste Nederlandse rozenkwekers (kwekerij De Wilde in Zutphen) leert dat er best wel geurende rode tuinrozen zijn. Zij adviseren bijvoorbeeld Rosa ‘Duftzauber’, Rosa ‘Isabella Renaisssance’, Rosa ‘Ingrid Bergman’ (goed voor 3 Oscars!) of Rosa ‘Naheglut’. Als u in het huidige plantseizoen een van deze rozen in uw tuin plant, dan kunt u over een jaar uzelf overgeven aan de extase van het ruiken. Net als de onnavolgbare Bianca Castafiore die van professor Zonnebloem een rode roos aangeboden kreeg: “Lieve mevrouw, mag ik u deze bescheiden Crimson Glory aanbieden….?”. “Mmmmm, wat een heerlijke geur! Ruik eens kapitein …… adem eens diep in ….. is het niet verrukkelijk?” “AUW! Duizend miljard bommen! …. Een wesp!…. Ik ben gestoken…… .”

Ruiken in juni, dus. Planten in februari/maart. En overigens is de – inderdaad geurende – Rosa ‘Crimson Glory nog steeds te krijgen.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Een mooi vak, deel 2

John Bergmans in de Mijnstreek

 

Hij had een vader die rond het fin de siècle werkzaam was als tuinbaas op de rijke buitenplaatsen rond Antwerpen en hij bracht zijn kinderjaren dus door tussen kruiwagens en snoeimessen, tussen boomgroepen, gazons en vijvers, tussen kassen en composthopen, tussen rozenperken en eenjarigenbedden. Dan is de kans verdraaid groot dat je besmet raakt met een passie voor planten.

Over wie ik het heb? Over John Bergmans. Belg, plantenman-bij-uitstek, auteur en ontwerper die, naast al zijn andere werk, decennialang zijn stempel drukte op alles wat groen kleurde in de Limburgse Mijnstreek. Begin januari verscheen over hem een zeer leesbare en uitstekend gedocumenteerde monografie.

kolenmijnen_limburg2c_bestanddeelnr_901-1068_november1945nationaalarchief

Werken in een Zuid-Limburgse kolenmijn, november 1945. Bron: Nationaal Archief.

Bergmans werd in 1892 in Antwerpen geboren en op 15-jarige leeftijd ging hij in de leer in de plantentuin van Antwerpen en volgde drie jaar lang lessen over plantkunde. Op zijn 18de trok hij naar Frankrijk, leerde het vak van de planten-vermeerdering en keerde vervolgens terug naar Belgïe om in Gent plantkunde te gaan studeren. Het uitbreken van de eerste wereldoorlog deed hem naar Nederland vluchten, waar hij in eerste instantie – boven de grote rivieren – bij een hele trits gerenommeerde kwekers werkzaam was. Hij ontmoette zijn latere echtgenoot Coby, die zijn passie ging delen en zich aanmeldde voor de Tuinbouwschool voor Meisjes in Rijswijk. Vanuit zijn plantaardige achtergrond ging hij schrijven. Hij publiceerde een tiental fantastische plantenboeken en schreef in de loop van zijn leven honderden artikelen voor vakbladen. Het boek “Vaste planten en rotsheesters” uit 1924 werd zijn bekendste werk. Naast het schrijverschap ontwikkelde hij zich als ontwerper en in 1927 vestigde hij zich samen met zijn Coby in Oisterwijk. Hun gezamenlijke droom, de vestiging van een eigen kwekerij en een daaraan verbonden een bureau voor tuinarchitectuur, werd daar werkelijkheid.

In totaal ontwierp John Bergmans tijdens zijn lange loopbaan zo’n 900 tuinen in Nederland, België, Luxemburg, Frankrijk en Duitsland. De Mijnstreek, waar tot dan toe nauwelijks sprake was geweest van een groene ontwerppraktijk, werd voor hem een belangrijk werkterrein, met name in de wederopbouwjaren. Zijn opdrachtgevers waren De Staatsmijnen, particuliere mijnondernemingen, plaatselijke notabelen, de r.-k. kerk en gemeentelijke overheden. In totaal werkte hij in de Mijnstreek aan circa 170 projecten. Van deze projecten worden nog steeds ontwerptekeningen bewaard bij de afdeling Speciale Collecties van de bibliotheek van de Wageningse Universiteit. Het zijn fraaie, zorgvuldige tekeningen en ik vind dat ze op de een of andere wijze iets liefdevols uitstralen.

cb65246

De Botanische Tuin Kerkrade rond 1938.

Tijdens de boekpresentatie werd de Botanische Tuin van Kerkrade door de auteurs als een hoogtepunt uit Bergmans’ oeuvre omschreven. Iedereen die deze tuin van dichtbij kent weet met hoeveel kennis en kunde hij de tuin ontwierp en inrichtte. Het ging daarbij niet alleen om de vorm: een fraaie landschappelijke aanleg met de wandeling langs gevarieerde plantvakken. Het ging ook om de inhoud en het lijkt wel alsof hij met zijn assortimentskennis volledig los kon gaan: binnen tien jaar na de opening van de tuin bestond de collectie uit een groot aantal soorten en variëteiten, bomen, heesters, vaste planten en bolgewassen, alles nauwkeurig gedocumenteerd. Niet voor niets heeft deze tuin vandaag de dag de status van Rijksmonument.

Maar laten we toch vooral ook nog even verder kijken. De oeuvrelijst in de monografie leest als een staalkaart van de economische groei in de Mijnstreek. De tuin bij het Centraal Laboratorium van De Staatsmijnen, villatuinen van het hogere kader van de Oranje-Nassaumijnen, tuinen bij andere mijndirectiekantoren, tuinen bij ingenieurswoningen, een tuin bij een gezellenhuis, parken en plantsoenen, de groenaanleg bij talrijke nieuwbouwcomplexen, de groenaanleg rond zwembaden en tennisparken, tuinen bij kerken, kerkhoven, privétuinen van burgemeesters en andere notabelen. Noem maar op. De ontwerpen van Bergmans tonen nu hoe zorgvuldig er toen werd gewerkt aan de ontwikkeling van de Oostelijke en Westelijke Mijnstreek. Het was, hoe dan ook, een bijzonder tijdperk.

Als geboren Heerlense snap ik werkelijk niets van het feit dat alles wat met het mijnverleden te maken had decennialang doelbewust is weggepoetst. Onze cultuurgeschiedenis vergt hernieuwd graafwerk zodat het, net als de kolen, lorrie voor lorrie, weer het daglicht ziet. De monografie over Bergmans als goed gevulde lorrie. Petje af en glückauf!

Johanna Karssen-Schüürmann en Marianne van Lidth de Jeude, John Bergmans (1892-1980) Tuinarchitect en plantenkenner, onderdeel van de BONAS-reeks, 372 blz., Uitgeverij Verloren, Hilversum, 2019.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Klein geluid

roodborstje2

Afbeelding | Geplaatst op door | Een reactie plaatsen

Een mooi vak, deel 1.

Wat is de tuin toch een prachtig vakgebied. Het verrast me elke keer weer opnieuw. Het is theoretisch, filosofisch, historisch, maar ook praktisch, fysiek en zintuiglijk. En dat allemaal tegelijkertijd.  Je bent op een plek, je kijkt rond en vele dimensies gaan voor je open. Het is een overdonderende rijkdom.

20181120_154142 (2)

Het hoogste terras van de Hortus Palatinus, Heidelberg, november 2018

Dit verhaal begint in Heidelberg. Daar was ik vorige week, op een kille, mistige novemberdag. We hadden ons bezoek niet voorbereid en lieten ons verrassen door wat we tegenkwamen. Het oude centrum van de universiteitsstad Heidelberg is behoorlijk ongeschonden door de Tweede Wereldoorlog gekomen. Het ligt gaaf aan de voet van de steile oever van de Neckar, met alles wat je je bij een oude Duitse stad voorstelt: torenspitsen, stadspoorten, een oude brug en gemütliche straatjes, pleintjes en huizen. En het wemelt van de jonge studenten. Wat wil een mens nog meer?

Nou, we wilden meer, want hoog boven dit alles torent het ruïneuze Schloss Heidelberg. Dit slot wordt door de toeristensector aangeprezen als de meest romantische kasteelruïne ter wereld, een ietwat twijfelachtige eer wat mij betreft. Ik denk dan al gauw aan zuurstokroze romantiek en daar heb ik geenszins trek in. Maar vooruit, we schoven het woord ‘romantisch’ terzijde en gingen toch de steile berg op, richting het slot. De ligging van het complex van kasteel en tuinen, als een enorm machtsblok boven stad en rivier verheven, met uitzicht richting het Rijndal, bleek adembenemend.

Hortus_Palatinus_und_Heidelberger_Schloss_von_Jacques_Fouquiere

Hortus Palatinus 1620, door de Vlaamse schilder Jacob Facquier. Hij gebruikte een van de kopergravures van Merian als basis voor dit schilderij.

De tuinen van Schloss Heidelberg ken ik onder een andere naam, namelijk die van Hortus Palatinus. De Hortus Palatinus is onder tuinhistorici een begrip, maar veel verder komt zijn faam niet. Ook in Heidelberg kwam ik de naam vrijwel nergens tegen. Dat is onbegrijpelijk, want het was een van de eerste renaissancetuinen van Noordwest Europa, met een verbluffend rijke inrichting. De Hortus Palatinus was een grote inspiratiebron voor alle renaissance- en baroktuinen die in dit deel van Europa zouden volgen, ook al werd de aanleg nooit helemaal voltooid.

20181120_154456

Hortus Palatinus, Heidelberg, november 2018.

Natuurlijk kende ik de schitterende prent uit 1620 maar ik verkeerde in de veronderstelling dat er weinig meer van over was. Nu stonden we er ineens midden in. De plattegrond, de ligging, de terrassen, trappen en balustrades, het uitzicht: alles was volstrekt herkenbaar. Op de plek van de vroegere gecompliceerde parterres, de loofgangen, de kunstige waterwerken en het doolhof liggen nu uitgestrekte, vormvaste gazons, met hier en daar een schitterende, monumentale boom of een lege fontein. Niks mis mee. De tuin rook naar de frisheid van de herfst en de strakke, grotendeels lege ruimtes nodigden uit tot fantaseren over wat er hier allemaal heeft plaatsgevonden.  Ik vond het wezen van de tuin glorieus present, ondanks –of dankzij? – het feit dat alle versierselen zijn verdwenen.

Eenmaal thuisgekomen werden boeken en internet erbij gehaald. En de tuin groeide verder, in al zijn dimensies. Om er een paar te noemen:

  • De dimensie van de tijd: de Hortus Palatinus werd in opdracht Frederik de Vijfde ontworpen en aangelegd. Frederik V was keurvorst van de Palts, in die tijd een keurvorstendom binnen het Heilig Roomse Rijk, met gebieden aan beide zijden van de Rijn. De tuin, die vanaf 1616 werd aangelegd,  was bedoeld als geschenk voor zijn vrouw, Elizabeth Stuart. Frederik, kleinzoon van Willem van Oranje, speelde een hoofdrol in het eerste decennium van de Dertigjarige Oorlog, U weet wel, die oorlog die zoveel dood en verderf zaaide, niet alleen in Europa, maar ook wereldwijd en waarover recent zo’n prachtig leesbaar boek is verschenen.
  • De dimensie van ontwerp en ontwerper: het ontwerp van de tuin was van de hand van Salomon de Caus, een van oorsprong Franse ingenieur, natuurkundige én tuinarchitect. Hij begon in 1616 met de aanleg en moest in 1620 zijn werk staken vanwege de zwarigheden van de oorlog. Hij liet een rijk geïllustreerd boek na over zijn werk aan de Hortus Palatinus, met kopergravures van Mattheus Merian. Tegenwoordig kan iedereen zich verbazen over de technische hoogstandjes die hij in de tuin toepaste, want het boek is vrijelijk te downloaden, met vriendelijke dank aan de Universiteit van Heidelberg.
  • De dimensie van de ideële wereld: renaissancetuinen worden tegenwoordig omschreven als gecultiveerde toevluchtsoorden van opperste beschaving, gedragen door intellect, hovenierskunst en een elitair mensenbeeld, een oord waarin het slijk van de aarde is weggepoetst en de menselijke ziel op het hogere wordt voorbereid. Niet een goddelijk paradijs, maar – naar voorbeeld van de klassieke oudheid – een aards, intellectueel paradijs. Het neemt ons mee naar de wedergeboorte van de klassieke oudheid en de zelfstandig denkende mens.

Zo ligt de wereld aan onze voeten. Zo maar, op een kille, mistige novemberdag.

 

 

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Een bolchrysant en een lichtje

Ik woon in een dorp in het Heuvelland, op een steenworp afstand van de kerk en het kerkhof. De laatste dagen is het er een komen en gaan van auto’s. Steevast stappen ietwat oudere echtparen uit en gewapend met een bloemstukje – meestal een bolchrysant – en een kaarsje lopen ze het kerkhof op. Want overmorgen is het zo ver. Dan is het twee november, het feest van alle zielen.

IMG_4199 (2)

Een bolchrysant op het kerkhof, Vijlen, 31 oktober 2018

De rooms-katholieke kerk leert dat zielen van overleden gelovigen zondig zijn. De ene ziel heeft weliswaar meer zonden op zijn geweten dan de andere maar voor allemaal geldt dat ze zich, in afwachting van het moment dat ze de hemel daadwerkelijk kunnen betreden, in het vagevuur bevinden. Door te bidden kunnen de levende gelovigen de zielen een handje helpen om hun schulden te verlichten en hun tijd in het vagevuur te verkorten.

Legio vragen liggen voor de hand: “Hoezo ALLE zielen? Hoe zit het met de ongelovigen? Waar loopt de grens tussen gelovig en ongelovig? En wie bepaalt dat?” Hoewel ik zelf ben opgegroeid als een r.-k. meisje in r.-k. Roermond, ben ik ervan overtuigd dat ik momenteel buiten de boot val. Dat vind ik helemaal niet erg, behalve dan op één enkel vlak. Ik wil later namelijk óók een bolchrysant en een graflichtje.

Er was een tijd dat ik de pest had aan alle vormen van chrysanten, in het bijzonder de spinchrysant. Mijn moeder had een hekel aan die bloemen –ze hield van rozen – en toch presteerde mijn vader het om haar elke verjaardag een grote bos lichtgele spinchrysanten te geven. Tja, dat was natuurlijk niet zo slim. Later, toen mijn moeder niet meer leefde en ik een stiefmoeder had, kon mijn vader het niet meer fout doen. Mijn stiefmoeder was namelijk dol op chrysanten en ik weet nog dat ik haar vol ongeloof vroeg: “Maar waarom dan?” en dat ze antwoordde : “Ze staan zo lekker lang“. In mijn romantische puberwereld, waarin esthetiek een belangrijke plek had, gruwde ik van een dergelijk nutsprincipe.

Toch heb ik de chrysant met het voorbijgaan van de jaren leren waarderen. Elke meimaand plant ik tegenwoordig stekjes van zowel grootbloemige chrysanten als troschrysanten in allerlei kleuren. Als rechtgeaarde kortedagplanten gaan ze pas over tot de vorming van bloemknoppen als de dagen significant korter worden. In de loop van september dus. Dit betekent dat de chrysant pas gaat bloeien op het moment dat de meeste andere planten aan het afsterven en het wegrotten zijn. Over een perfecte Allerzielenbloem gesproken…….

In het chrysantenspectrum nemen de bolchrysanten een aparte plek in. Ze worden in pot opgekweekt en door middel van kunstmatige verduistering worden de planten al in juli, in het midden van de zomer, geforceerd om bloemen aan te maken. Vanaf eind augustus komen ze massaal op de markt. Maar waarom in ’s hemelsnaam? Wat hebben de chrysanten in de zomer te zoeken? Niets! Nee, pas op een gure novemberdag, vol dood en verderf, is de rode, paarse, gele, roze, witte of oranje chrysantenbol in zijn element.

1839_Waldmüller_Am_Allerseelentag_anagoria

Ferdinand Georg Waldmüller, Am Allerseelentag, 1839

Ik vind Allerzielen een fijn feest: de zielen van de dierbare doden zijn dicht bij ons, of ze tijdens hun leven gelovig waren of niet, dat maakt niet uit. Zij kunnen niet bij ons op bezoek komen, en daarom gaan we bij hen op bezoek en versieren we hun graven met bloemen. Liefst zoveel mogelijk. Het is niet griezelig, zoals bij Halloween, maar juist een beetje knus.  Met Allerzielen kunnen er wat mij betreft niet genoeg bolchrysanten op het kerkhof staan. Samen met de graflichtjes, natuurlijk. Ik hoop er ook op, later.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Kastanjes

Deze week liep ik in een park in Roermond en daar kwam ik een oma tegen, met haar kleindochter aan de hand. Het meisje – ze was een jaar of zes, zeven – had een plastic tas bij zich en getweeën tuurden ze op de grond. Ze waren iets aan het zoeken, maar uit hun lichaamstaal kon ik opmaken dat ze het niet konden vinden. Ik vroeg waar ze naar op zoek waren (een bril misschien, of verloren sleutels?), maar toen zei het meisje: ‘Kastanjes’.

IMG_4095 (2)

Bolsters en vruchten van de witte paardenkastanje (links) en de tamme kastanje (rechts). Vijlen, 30 september 2018

‘Ha!’, dacht ik: ‘Dat is mooi!’ Zoektochten – en zeker zoektochten van kleine meisjes – moeten liefst uitlopen op een mooie vondst, want anders ligt frustratie op de loer. Ik wist dat er in de directe omgeving geen enkele kastanjeboom te vinden was en dus wees ik ze op een exemplaar dat een paar honderd meter verderop stond. Dáár zouden ze vast iets kunnen vinden.

Lang geleden, in datzelfde Roermond, was het elke herfst raak. Mijn favoriete bomen stonden op de hoek van de Hertenerweg en de Roerderweg, zo’n twee kilometer van huis. Ver weg voor een kleine meid en ik durfde mijn moeder dan ook niet te vertellen waar ik naar toe ging. Dagen van te voren plande ik mijn trip, waarbij het me meer ging om het avontuur van het rapen, zo ver van huis, dan om de kastanjes zelf. Ik weet nog dat ik eens terugkwam met goedgevulde zakken en dat mijn moeder vroeg waar ik ze geraapt had. ’O, vlak bij’, antwoordde ik zo achteloos mogelijk, maar achteraf bezien heb ik niet de illusie dat mijn opmerkzame moeder me niet door had.

De kastanjes die ik daar op dat kruispunt raapte waren niet eetbaar. Ik kende het verschil nog niet tussen de eetbare tamme kastanje en de niet eetbare paardenkastanje. Een kastanje was een kastanje en het ging immers om het rapen. Pas later leerde ik dat ze weliswaar allemaal kastanje worden genoemd en dat ze allemaal in stekelige bolsters zitten, maar dat sommige van die gladde, bruine, glimmende vruchten wel eetbaar zijn en andere niet. Het is best vreemd dat vruchten die zo op elkaar lijken afkomstig blijken te zijn van bomen die zo van elkaar verschillen.

De niet-eetbare kastanje is de vrucht van de witte paardenkastanje (Aesculus hippocatanum, marronnier commun, gemeine Rosskastanie. Hij is te bitter om te eten. De soort werd rond de 17de eeuw als sierboom vanuit de Balkan in Noordwest Europa geïntroduceerd. De eetbare kastanje is de tamme kastanje (Castanea sativa, châtaignier, Edelkastanie), oorspronkelijk afkomstig uit de gebieden rond de Middellandse Zee. De Romeinen, zo kien op smaakvolle nutsgewassen, namen de soort tweeduizend jaar geleden al mee naar onze streken.

De bladeren konden niet méér verschillend zijn. Bij de een staan ze verspreid en bij de ander zijn ze tegenoverstaand. De bladeren van de paardenkastanje zijn vijf- of zevenvingerig en in de winter verteren ze snel. De bladeren van de tamme kastanje zijn enkelvormig en langwerpig, met scherp gezaagde randen en ze verteren maar heel, heel langzaam. In mijn tuin hebben de bladeren van de tamme kastanje de neiging om de hele winter door met alle winden mee te waaien en alle hoeken van de tuin aan te doen, waar ik ze dan in het voorjaar, volstrekt onverteerd, tussen de vaste planten uit moet vissen.

IMG_4099 (2)

De ronde vrucht van de witte paardenkastanje (links) en de afgeplatte vrucht van de tamme kastanje, inclusief wit pluimpje (rechts). Vijlen, 30 september 2018.

De bloeiwijzen verschillen, de bolsters verschillen, de basten, de knoppen, het aantal vruchten per bolster, ga zo maar door. Omdat ik nutsgewassen tien keer interessanter vind dan siergewassen gaat mijn hart uit naar de tamme kastanje. Daarom staat er een in mijn tuin. Dit heeft als gevolg dat ik tegenwoordig niet meer op avontuur hoef te gaan om te rapen, wat best jammer is. Het avontuur zoek ik nu in het experimenteren met recepten voor kastanjepuree. Van tamme kastanjes natuurlijk, hoewel de puree – verwarrend genoeg – door de Fransen en Duitsers respectievelijk crème de marrons en Maronencreme genoemd. Maar, gezoet of ongezoet: de kastanje blijft een van de grote geneugten van de herfst.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen