Column

Deze maandelijkse column is in 2016 gestart als gesproken column in Limburgs Land, het leukste tuin- en natuurprogramma van Nederland. Met het overlijden van Ger Houben, presentator van Limburgs Land, eind mei 2018, kwam een eind aan dat fantastische programma. Ik heb altijd met zo veel plezier aan de columns gewerkt dat ik besloten heb om door te gaan met schrijven. Dit betekent dat aan het eind van elke maand een nieuwe tekst op mijn homepage wordt gepubliceerd. Een deel van deze teksten zal ook als gesproken column in het nieuwe tuin- en natuurprogramma van L1, Natuur & zo, te horen zijn.

Er valt immers nog zo veel te vertellen.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Jan Vallen, landschapsarchitect (1926-1999)

Het landschap vormt onze dagelijkse leefomgeving. We hebben het vaak over cultuurlandschap als het gaat over het buitengebied. En in de stad noemen we het een stedelijk landschap. Vaak zijn we ons niet bewust van het landschap om ons heen, het is te vanzelfsprekend, Maar toch is het iets dat diep in onze ziel nestelt.

Het Nederlandse landschap is vrijwel honderd procent man made. Het was lang het domein van ingenieurs en praktische wiskundigen. Zij legden onze polders aan, en dijken, vestingwerken, kanalen, spoorwegen. Allemaal nuttige infrastructuur, waarbij inpassing in het omliggende landschap van secundair belang was.

Pottenberg, Maastricht, januari 2021

Pas na de tweede wereldoorlog ging de landschapsarchitect meedoen. Voordien bestond de term landschapsarchitect al wel, maar die waagde zich toen nog nauwelijks in de openbare ruimte. Het echte begin van het vak landschapsarchitectuur valt samen met de periode van de wederopbouw. Of het nu grootschalige nieuwe stadswijken, de IJsselmeerpolders, recreatiegebieden of herverkavelingsprojecten in het agrarische buitengebied betrof:  landschapsarchitecten gingen – naast ingenieurs, architecten en stedenbouwers – een gelijkwaardige rol spelen in de inrichting van de openbare ruimte.

In 1946 werd in Wageningen de leerstoel Tuin- en Landschapsarchitectuur opgericht en de eerste hoogleraar was Jan Bijhouwer. Bijhouwer had voor de oorlog in het buitenland kennisgemaakt met een nieuwe, noem het moderne, taakopvatting voor de landschapsarchitect en was enthousiast geraakt. Daarnaast was hij een echte plantenman; een kenner op het gebied van plantengemeenschappen, een voorloper van wat we tegenwoordig ecologie noemen.

Dan alles gaf hij door aan zijn studenten en een van de eersten die bij Bijhouwer afstudeerden was Jan Vallen uit Swalmen. Vallen stamde uit een familie van fruitboomkwekers en kreeg dus de omgang met planten met de paplepel ingegoten. Ook bij hem zouden plantengemeenschappen een belangrijk uitgangspunt in zijn werk blijven. En hij was een groot voorstander van natuur in de stad.

De eerste keer dat ik zelf met zijn werk kennismaakte, was dat ook volstrekt onbewust. Vlak bij mijn ouderlijk huis in Roermond lag het kleine park Hattem en als tiener liep ik daar uren te dromen over de paden, over de gazons, tussen de rozen en de bomen. Het was zoiets als een eerste liefde en u weet het: eerste liefdes vergeet je nooit. Pas veel, veel later begreep ik dat de helderheid, de zorgvuldigheid, de variatie en de plantvriendelijkheid van het park van de hand van Jan Vallen waren.

Na zijn afstuderen had hij een eigen bureau opgericht, eerst in Swalmen, later in Roermond. Het werd een van de eerste professionele landschapsarchitectenbureaus van Nederland. Hij werkte veel in Limburg, maar ook daarbuiten. Hij was zo slim om ervoor te zorgen dat hij binnen zijn bureau andere vakgebieden aantrok, wat steevast leidde tot doorwrochte, sterke ontwerpen.

Robinia’s worden zo langzamerhand een zeldzaamheid in de openbare ruimte, terwijl het toch fantastische bomen zijn. Pottenberg, Maastricht, januari 2021.

Een belangrijke klus betrof de wijk Pottenberg, één van de uitbreidingswijken aan de westzijde van Maastricht. Pottenberg wordt tegenwoordig beschouwd als een toonbeeld voor de wederopbouwperiode en het is één van de 15 wederopbouwwijken in Nederland die van nationaal belang worden geacht, niet in het minst door de inbreng van Vallen.

In de naoorlogse periode was de wijkgedachte een belangrijk uitgangspunt voor stadsuitbreidingen en in het zuiden van Nederland werd vaak een katholieke variant toegepast, namelijk de parochiewijk. De kerk letterlijk en figuurlijk centraal, daar omheen de voorzieningen en daar weer omheen de bewoning. Alles op menselijke maat en met het gezin als hoeksteen van de samenleving. Zo werd ook Pottenberg opgezet.

Stadsarchitect Dingemans betrok Vallen al in een vroeg stadium bij de planvorming en zo werd, heel ongebruikelijk destijds, vanaf het begin van het planproces nagedacht over het groen. Door de manier waarop hij de bomen, heesters, vaste planten en gras rangschikte, kreeg het groen een verbindende rol. Tussen de wijk en de omgeving, tussen de wijk en de natuurlijke ondergrond, tussen de bouwblokken, in straten. En last but not least als ontmoetingsruimte voor de bewoners.  Jan Vallen gaf alle schaalniveaus zorgvuldig vorm en liet ze op elkaar liet aansluiten. Daar stond hij om bekend. Niet alleen in Pottenberg, maar ook elders.

Deze week liep ik rond in Pottenberg. De wijk heeft het moeilijk. De oorspronkelijk rijk gevarieerde groenaanleg is sterk verarmd, ongetwijfeld door decennialang bezuinigen op groenonderhoud.  Toch is er veel herkenbaar: de bomen, de groene vlakken en de lange lijnen die het natuurlijk reliëf volgen zijn grotendeels intact. Ook is nog steeds voelbaar dat het groen destijds in samenhang met de bebouwing ontworpen is.

De hoge bomen in en om de wijk zijn schitterend, mede door hun ordening. Iets om heel zuinig op te zijn. En ik werd blij van de keuze voor inheemse boomsoorten. Dankjewel, Jan Vallen, voor al die volwassen elzen, robinia’s, essen, abelen, lindes en beuken. Eindelijk eens geen Liquidambar te bekennen, wat ik best wel een verademing vind.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Boompje troost

Heeft u ‘m al staan? De kerstboom? Om me heen hoor ik dat iedereen dit jaar extra vroeg een kerstboom gaat kopen. Vanwege corona.

Deze tijd is een beetje angstig en een beetje onzeker. Met welke regels komt de overheid? Met hoeveel familieleden mogen we kerst vieren? En zijn we tegen de kerstdagen allemaal nog wel gezond? Ik kan me voorstellen dat de behoefte aan knusheid onder deze omstandigheden dubbel zo groot is als anders. 

Bij een spar staat elke naald alleen. Picea abies ‘Inversa’, Kerkrade, november 2020

Normaal ben ik niet zo van de kerstbomen en ik zal u vertellen waarom. Eerst kap je een levende boom, vervolgens zet je hem een paar weken op een veel te warme plek en tot slot gooi je hem weg of steek je hem in de fik. Poeh, je zou er als natuurliefhebber de winter-blues van kunnen krijgen. Desalniettemin ben ik van mening dat we dit jaar allemaal een flinke portie troost en ondersteuning verdienen. Neem dus vooral een kerstboom als u dat wilt.

Een kerstboom wordt wel een dennenboom genoemd, maar van oudsher was de Nederlandse kerstboom helemaal geen den. Het was een spar, een fijnspar om precies te zijn. De fijnspar werd vanwege zijn hout, het vurenhout, lang massaal in Nederland aangeplant. Tegenwoordig is de keus in kerstbomen natuurlijk veel groter en bij de kwekers en tuincentra vind je namen als blauwspar, omorika, nordmann, concolor, lasiocarpa, koreana, engelmann, nobilis of fraser.

Al deze bomen zijn onderdeel van de dennenfamilie. Dat is een hele grote plantenfamilie, waarin, naast de spar, ook de den, de ceder, de lariks en de zilverspar thuishoren. Ze hebben allemaal naalden maar de stand van de naalden verschilt. Bij dennen, ceders en lariksen staan de naalden altijd in bundeltjes bij elkaar. Bij de sparren en zilversparren zijn de naalden alleenstaand: stuk voor stuk staan ze verspreid over de takjes. En dat zijn nou precies de takjes waaraan we de kerstversiering ophangen. De concolor, nobilis, koreana, nordmann, lasiocarpa en fraser zijn zilversparren en de engelmannii, omorika en de blauwspar zijn sparren.

Sparren en zilversparren zijn niet heel makkelijk van elkaar te onderscheiden. Ze hebben allebei van jongs af aan een spits toelopende A-vorm. Maar zilversparren houden bij uitdroging hun naalden langer vast dan sparren. En trek je een levende naald van een takje af, dan komt er bij sparren altijd een stukje schors mee en bij zilversparren juist niet.

De meeste sparren en zilversparren die we nu als kerstboom kopen, zijn in de loop van de 19de eeuw vanuit de Kaukasus, uit Azië en Noord-Amerika in Duitsland en Engeland geïntroduceerd. Ik weet niet of het toeval is maar dat was ook precies het moment waarin het fenomeen van de versierde kerstboom daar gemeengoed begon te worden. Vanaf die tijd begon men er kaarsjes en versieringen in  te hangen, werden er cadeautjes onder gelegd en werden er liedjes bij gezongen.

Ook de tekst van het lied O Tannenbaum stamt uit de 19de eeuw. Tanne is de Duitse naam voor zilverspar. Bij de Nederlandse vertaling is niet gekozen voor O zilverspar, O zilverspar, maar voor het vloeiende O dennenboom. Het is duidelijk dat de vertaler meer een poëet was dan een botanicus.

Als u ergens in de komende weken in een luie stoel bij uw spar of zilverspar zit, en op de achtergrond zachtjes O dennenboom uit de radio klinkt, dan raad ik u aan om een sprookje van Hans Christiaan Andersen te lezen, genaamd De Dennenboom. Het sprookje stam uit 1844 en het gaat over een klein dennenboompje in een bos dat niets liever wenst dan een trotse kerstboom te worden. Jaar na jaar wacht hij vol ongeduld totdat hij groot genoeg is. Maar tegen de tijd dat hij eenmaal versierd en wel in de huiskamer staat, mist hij zijn vriendjes uit het bos, de muizen en de eekhoorns. Uiteindelijk belandt hij, heel verdrietig, als afval in de kachel.  

Ook onze bomen verworden binnen een paar weken tot afval. Steek uw boom alstublieft niet zelf in de fik, maar laat hem door de gemeente ophalen. Die zorgt ervoor dat de boom gecontroleerd verbrand wordt. Het komt de luchtkwaliteit in uw buurt ten goede.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Cadeautjes

Af en toe krijg je zo maar een cadeautje. En dan bedoel ik niet een pakje met een strik eromheen, maar iets waar je niet op gerekend had en waar je stante pede goede zin van krijgt.

We hadden vakantie en vanwege covid zochten we het dicht bij huis. We hadden het idee opgevat om te gaan wandelen in de buurt waar ik geboren ben. Ik was er wel een halve eeuw niet geweest.

Het gaat om Aarveld in Heerlen, een wijk die gebouwd is in de jaren ’50 en ’60 van de vorige eeuw, in de tijd dat Heerlen vanwege de mijnbouw explosief groeide. De wijk was bedoeld voor jonge gezinnen en er waren lage flats en eengezinswoningen met voor- en achtertuintjes. Aan de westkant van Aarveld hield de stad destijds op en had men vrij zicht: dichtbij over het dal van de Geleenbeek, met daarin de Weltervijver en Welten en verder weg over het heuvelland richting Voerendaal en Ubachsberg. De afstand tussen Aarveld en de Weltervijver was hemelsbreed nog geen driehonderd meter en vanuit Aarveld was een rondje om de vijver een geliefd wandelingetje. Ik was een van die peuters die door hun moeder in de kinderwagen langs de vijver werd voortgeduwd. Eendjes kijken enzo.

In het Rosarium Aarveld, Heerlen, september 2020

Okee, terug naar 2020. We gaan aan de wandel, van Aarveld naar de Weltervijver en weer terug. De wijk kent nog steeds dezelfde blokken met flats en straten met vrij kleine, soms bijzondere eengezinswoningen. Daar is niet veel aan veranderd. Wat wél veranderd is, is de ligging. Het ooit vrije zicht westwaarts wordt 100% geblokkeerd door twee parallelle, drukke snelwegen. De enige rechtstreekse verbinding tussen Aarveld en de Weltervijver is nu een fiets- en loopbrug.  

In het Rosarium Aarveld, Heerlen, september 2020.

Onze wandeling door de wijk is niet echt spannend. Aarveld oogt als een kleine, verzorgde en enigszins saaie buurt. Maar als we aan de rand van de wijk richting de loopbrug naar Welten gaan, dan (WOW!) bevinden we ons ineens in een zee van bloemen en goed humeur. Wat een goed verzorgde tuin! Wat een kleuren! Je ziet het er meteen aan af: hier wordt met liefde gewerkt. Het blijkt het Rosarium van Aarveld te zijn, verzorgd door buurtbewoners. Met de ondersteuning van de gemeente hebben ze een stukje openbare ruimte gemaakt tot een plek om te werken, om te zitten, om te ontmoeten en om te genieten. Ik vind het een klein maar kostbaar geschenk voor de buurt.

Welten, de Geleenbeek en de Weltervijver rond 1810. De percelen met zwarte puntjes zijn boomgaarden. Tranchot en V. Müffling 1803-1820. Detail.

We rukken ons los uit het Rosarium en gaan over de loopbrug naar de Weltervijver. We lopen een rondje rond het water en daar ligt zowaar geschenk nummer 2: een grote boomgaard met hoogstamfruit. De boomgaard is volledig in harmonie met Weltens verleden, want ooit kende het dorp Welten talrijke boomgaarden.

De huidige boomgaard heet  ”De Loorenhof” en er groeit een keur aan appels, kersen, peren, pruimen, kastanjes, kweeperen, walnoten en moerbeien. De appelbomen en perenbomen hangen momenteel vol fruit dat –zo neem ik aan – tegen een bescheiden prijs wordt verkocht.

Bij de poort van de Loorenhof, Heerlen/Welten, september 2020

Ook deze boomgaard is een initiatief van buurtbewoners. En net als bij het Rosarium van Aarveld wordt ook de boomgaard (bescheiden) ondersteund door de gemeente Heerlen. Hopelijk gaan ze daar nog lang mee door.

De opbrengst van deze kleine wandeling bestond dus uit maar liefst twee geschenken van burgers aan burgers. U begrijpt echter dat deze voorbeelden niet alleen staan. Maar al te vaak – of het nu in Limburg, in Groningen of in Timboektoe is – werken mensen actief samen om hun leefomgeving te verbeteren. Stuk voor stuk zijn deze initiatieven klein en staan ze vaak buiten de schijnwerpers. Maar tel ze bij elkaar op en je hebt honderden geschenken voor honderden buurten. Door buurtbewoners met groene vingers, daadkracht en het nodige doorzettingsvermogen. Ik vind dat soort plekken echt fantastisch!

Een van de vrijwilligers van het Rosarium Aarveld vertelt over de plek en het werk…. (Bron: youtube)
Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Vakantie

Tja, vakantie……

Tot eind september!

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

POWER

Lang geleden liep ik eens ergens op het platteland in het noorden van Israël en toen belandde ik per toeval in een wonderbaarlijke tuin. Het was een tuin die hoorde bij een klooster van de Bahai, een geloofsgemeenschap die voortbouwt op de gezamenlijke grondslag van de grote wereldgodsdiensten. De tuin was in alle opzichten lieflijk te noemen, nut en sier tegelijk, een beetje ongeordend, en hij raakte me omdat hij een en al vriendelijkheid was. Zo’n plek waar de menselijke ziel goed kan toeven en waar de natuur is ingeschakeld. I can breath.

De belangrijkste tempel van de Bahai bevindt ook in Israël en wel in de stad Haifa. Een paar decennia terug werd de tuin rond de tempel vernieuwd en toen ik de nieuwe aanleg zag, schrok ik me werkelijk een rotje. Niks geen vriendelijkheid en niks geen lieflijkheid. De hele aanleg was er puur op gericht om indruk te maken. Ik ervoer het als één groot machtsvertoon. Harmonie had plaatsgemaakt voor symmetrie en de natuur was uitgeschakeld. Jakkes. Bah.

IMG_1414

Zaadjes zaaien

Het verhaal van tuinen, symmetrie, orde en machtsvertoon is een oud verhaal. We kennen allemaal de tuinen van Versailles, we kennen de (18de-eeuwse) Nederlandse vogelvluchten zoals die van Slot Zeist of van Duivenvoorde in Voorschoten, om er maar twee te noemen. Elke keer is het hetzelfde verhaal. Een eigenaar die zegt: kijk, hier ben ik en ik ben hier de baas (over wat dan ook). Een tuin als egodocument.

Ik moest aan beide Bahai-tuinen denken toen first lady Melania Trump vorige maand haar plan lanceerde om de Rose Garden bij het Witte Huis te renoveren. Ondertussen is de renovatie al voltooid (dat ging verdomd snel) en gaat ze de Rose Garden gebruiken als decor voor haar toespraak bij de aankomende republikeinse conventie. Onder het mom van zachtaardigheid (een rozentuin) gaat het, vergis u niet, om het vertoon en het behoud van macht. Niet meer dan dat.

Macht kan zich op verschillende manieren uiten. Je hebt macht die je de adem ontneemt en je hebt een ander soort macht die je in staat stelt om diep in te ademen. Is de tuin een handvat om te overrompelen of indruk te maken? Of is de tuin een handvat dat inspireert en nieuwe inzichten opent?

De vorige first lady liet bij het Witte Huis ook een tuin aanleggen en ook dat was een tuin met een politiek doel. Michelle Obama bekleedde destijds zonder meer een machtige positie en ze gebruikte die macht om een moestuin aan te leggen. De moestuin was niet zo maar een moestuin: het was een publieke tuin én een leertuin. Hoe werkt dat, met zaadjes, met aarde, met spitten en met oogsten? Hoe groeit ons voedsel? Haar achterliggende motivatie was om iets te doen aan het overgewicht van veel Amerikaanse kinderen en aan de gezondheidsproblemen die het eten van slecht voedsel met zich meebrengen.  Niet alleen om er aandacht op te vestigen, maar er ook zelf mee aan de slag te gaan. Over POWER gesproken.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Het concept van de luie tuinier

20200630_144929 (2)

Pluktuin van een luie tuinier, Vijlen, 27 juni  2020

Het is het verschil tussen tuin en natuur. Niemand van u neemt een schoffel of een spa mee als u gaat wandelen in de bossen van de Meinweg of op de paden in het Heuvelland. Maar in de tuin kunnen we niet zonder. Hele winkels liggen vol met tuingereedschap. Steelgereedschap, handgereedschap, gieters in soorten en maten, regentonnen en ingewikkelde sproeisystemen.  Het handgereedschap spant wat mij betreft de kroon, met penwortelschopjes, zevenbladvorkjes, wiedvingers, handharkjes, rooivorkjes, verplantschopjes, en, ja, je zou het bijna vergeten, de bloembedschepjes. Wat ik maar wil zeggen: het aanbod is oneindig.

20200627_110033 (2)

Vijlen, 27 juni 2020

Ik ben, zeker nu ik ouder word, een luie tuinier. Als mensen in mijn tuin rondlopen en ik zeg dat ik een luie tuinier ben, dan zie je ze meewarig kijken. Ja, ja, ze geloven er niks van. Toch is het zo. Ik sta namelijk op het standpunt dat het gereedschap het werk moet doen. Niet ik. Er moet wel spierkracht worden ingezet, maar liefst zo min mogelijk.

Ik weiger een spa in de grond te steken als de grond te droog of te nat is. Zonde van m’n energie. Sowieso dient het gebruik van de spa tot een minimum beperkt te worden: het dichte blad  ontmoet relatief veel weerstand en je moet een hele kluit omhoogwerken voordat je de grond los krijgt. Nee, dan de spitvork. Met zijn vier tanden glijdt hij soepel de grond in, vervolgens duw je de steel als hefboom zijwaarts neer en hop, de grond is los en luchtig. Je trekt het onkruid, ook het diepgewortelde, er zo uit.

20200627_114457

Vijlen, 27 juni 2020

Een ander voorbeeld betreft de tonkinstokken. In de pluktuin gebruik ik ze graag en veel, maar er gaat geen stok de grond in als die niet mooi vochtig is. Alleen dan kun je ze met gemak diep steken en dat betekent dat je je moment moet kiezen. Vorige week, na al die heerlijke regen, was zo’n perfect moment.

Ik ben voorstander van zo min mogelijk gereedschap, maar dan wel precies het goede. Het hoeft niet altijd duur te zijn. In kringloopwinkels vind je afgedankte stalen tuinharken of rieken voor een schijntje. Maar soms moet je voor kwaliteit gaan. Een schoffel behoort altijd scherp te zijn, net als de spa en de heggenschaar en de snoeischaar. Denk ook hier weer aan de luie tuinier: het gereedschap moet het werk doen. Een slechte snoeischaar geeft bovendien klachten aan de pols en dat willen we niet. Belangrijk is wel dat het scherpe gereedschap altijd schoon en droog wordt opgeborgen. Degene die een spa vuil weghangt krijgt het met mij te doen. Een oude harde borstel, desnoods een staalborstel (ook uit de kringloopwinkel), wat oude lappen om het gereedschap te drogen en klaar is Kees.

En dan het water. Op een paar plekken in mijn tuin staan bakken of regentonnen die zich vullen met gratis water uit de hemel. Die tonnen en bakken beschouw ik ook als gereedschap. Mijn favoriet is een lage zwarte kunststof kuip, een soort speciebak van zo’n 275 liter, die bij de composthoop staat. Vanaf maart vult hij zich met regenwater voor de naastgelegen pluktuin. U begrijpt het, als luie tuinier wil je niet ver lopen met volle gieters.

Tegen de tijd dat het echt heet wordt, is het regenwater opgebruikt. Dan zet ik de kuip ergens in de schaduw, maak hem schoon en laat hem vollopen met leidingwater. Zo wordt de kuip ineens een heerlijk, verkoelend badje. Niet alleen voor kinderen. Ook een volwassene kan er in, met een boekje om te lezen of een puzzeltje om te maken. Als de hitte weer voorbij is gebruik je dat water gewoon weer voor de planten. Er wordt zogezegd geen druppel verspild. Hoe anders dan een volle badkuip die je dagelijks of wekelijks in het riool laat leeglopen.

Natuurlijk is de keus voor gereedschap een puur persoonlijke. Maar wat mij betreft mag het best wat minder in plaats van meer. Voor elk klusje is er wel speciaal gereedschap te verzinnen, maar wie zit er nou te wachten op een zevenbladvorkje van bijna 70 euro? Ik niet!

Mijn tip van de dag, tot slot: keep it simple, let op uw spieren en denk toch eens na over het concept van de luie tuinier.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

kennistuin

In twee maanden tijd is het regelmaat geworden: elke dinsdag wordt Nederland door onze premier bijgepraat over de stand van zaken rond het coronavirus. Het is duidelijk dat de overheid het beleid strak in handen heeft én dat de regering zich laat bijstaan door kennisinstituten zoals het RIVM. Jaap van Dissel is in de laatste tijd een vertrouwd en vertrouwenwekkend gezicht geworden.

detail titelpagina pharmacopoea amstelredamensis

Titelpagina Amsterdamse farmacopee, detail. Uitgave 1636.

Nu staat het huidige coronavirus niet op zichzelf. Want, of we willen of niet, epidemieën horen onvermijdelijk bij het leven op deze aarde. We waren het vanwege onze welvaart al vrijwel helemaal vergeten, maar Europa is eeuwenlang gegeseld door pokken, pest, cholera en tering; telkens met hele hoge sterftecijfers en een samenleving op halve kracht.

Ik neem u mee naar het begin van de 17de eeuw, naar Amsterdam. Daar maakten artsen en apothekers zich zorgen om de staat van de gezondheidszorg en ze probeerden het stadsbestuur ervan te overtuigen om meer grip op de geneeskunde te krijgen. Zo had de stad in de eerste decennia van de eeuw bij tijd en wijle erg veel last van de pest. Alleen al tijdens de uitbraak van 1635 werden er 17.193 doden geteld. Doorn in het oog van de artsen daarbij was, ik citeer “de groote ongeregeldheid die er bij de apothekers is in ’t prepareren der medicamenten”. Ze vonden het een puinhoop: het aantal apotheken was erg groot en er was nauwelijks toezicht.  Door angst en onwetendheid hadden kwakzalvers bovendien vrij spel. Wat dat betref is er in bijna vier eeuwen niet veel veranderd, want ook nu zijn er nog van die gevaarlijke idioten die spoelingen met ontsmettingsmiddelen voorstellen.

Mais enfin. Volgens de overlevering stelde de Amsterdamse arts Nicolaas Tulp op 18 april 1635 tijdens een etentje met vakgenoten voor om een nieuw receptenboek voor geneesmiddelen op te stellen. Alle apothekers in de stad moesten zich daar dan vervolgens strikt aan houden. Tulp, die een paar jaar eerder al was vereeuwigd in dat wereldberoemde schilderij van Rembrandt, wendde zijn reputatie aan om het stadsbestuur van de noodzaak te overtuigen. Dat lukte. Met de assistentie van zes andere artsen stelde hij het boek samen en één jaar later, in 1636, werd het als standaard ingevoerd. Het boek werd bekend onder de naam Amsterdamse farmacopee (Pharmacopoea Amstelredamensis) en het bestond grotendeels uit lange lijsten recepten en planten.

detail pharmacopee p. 27

Amsterdamse farmacopee, p. 27: recept voor een hyssopsiroop.

Ziet u de parallel? Net als nu namen overheid én wetenschap destijds de gezamenlijke verantwoordelijkheid om goed voor ons te zorgen. Tulp kunnen we gerust vergelijken met Van Dissel en het Amsterdamse stadsbestuur met onze huidige overheid.

Terug naar 1636. Alle apothekers van de stad werden dus verplicht om volgens de Amsterdamse farmacopee te werken. Inspecteurs gingen aan de slag om toezicht te houden op de naleving, maar al snel bleek hoe droevig het gesteld was met het gemiddelde vakmanschap. Veel apothekers hadden moeite met latijn en met het herkennen van de kruiden en planten die de basis waren voor de geneesmiddelen. Wat had je aan een nieuw receptenboek als je geen invloed had op scholing en kennisniveau? Niet veel. De inspecteurs adviseerden om een apothekersgilde op te richten dat verantwoordelijk moest worden voor zaken als opleiding, toetsing en nascholing. Omdat plantenkennis het hoofdvak was diende het gilde te beschikken over een tuin met planten die in de farmacopee vermeld stonden. De geschiedenis leert dat het gilde er kwam, en de tuin ook.

In het voorjaar van 1638 ging hij open. Het was een echte kennistuin, want men leerde er de verschillende soorten planten herkennen en wat hun toepassing was. Gebruikte je de wortel of de bloem? Of misschien het toch het blad? Was de plant onderdeel van een samengesteld geneesmiddel of kon het ook sec gebruikt worden? Werd het uitwendig of inwendig toegepast? Het is leuk om te bedenken hoe menig student daar voorovergebogen naar planten heeft staan kijken en bij zichzelf heeft gedacht: “Hoe ga ik dat in godsnaam ooit onthouden”.

De Amsterdamse tuin heeft de pestepidemie ruimschoots overleefd. Hij ontwikkelde zich tot algemene plantentuin en kreeg al snel de naam Hortus Botanicus. De tuin uit 1638 is tot op de dag van vandaag een van de lievelingen van de stad Amsterdam. Mede dankzij zoiets naars als de pest.

Elk nadeel heb zijn voordeel, zeggen ze dan.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

We zijn er bijna

Ja, we zijn er bijna. Nog twee weken en dan is het weer gedaan voor dit jaar. Dan zitten alle bomen weer in het jonge blad.

IMG_5689

Een Ginkgo biloba loopt uit, Kerkrade, 22 april 2020.

Het is elk jaar weer een genot om te zien: de bomen die stuk voor stuk gaan uitlopen. De vroegste soorten krijgen in maart al hun blad. De berken, de beuken en de eiken volgend in april. Tegen het eind van april zit het er bijna op. Maar de allerlaatsten wachten tot in mei. Berucht in dit opzicht is de term “ambtenarenbomen”, waarmee wordt bedoeld dat sommige soorten laat in het voorjaar hun blad krijgen en het relatief vroeg weer laten vallen. (Die betiteling is een beetje een flauw grapje, want de  ambtenaren die ik ken zijn stuk voor stuk harde werkers.) Het zijn meestal bomen met samengesteld blad, zoals de es, of de doodsbeenderenboom (Gymnocladus dioica), of de noten en de vleugelnoten.

De laatste week van april bezocht ik nogal wat tuinen en parken en zo kon ik dit jaar ook de meer bijzondere soorten bekijken. Het er leek inderdaad op dat de walnoot (ook wel de okkernoot genoemd, c.q. Juglans regia), de pekan (Carya illinoinensis) en de vleugelnoten de laatsten zijn die in blad komen. Maar nee, toch niet, want sommige bomen uit de moerbeziefamilie blijken de echte kampioenen: zoals de osagedoorn, de papiermoerbezie en de zwarte moerbei. Samen met de zijdeboom (Albizia julibrissin), wel te verstaan.  Maar dat is zo’n exotische soort (voor Nederlandse begrippen dan) dat het me niet verbaast dat die lekker lang op zich laat wachten. Brrr, die vindt Nederland aan de koude kant, in feite. Wie kan hem ongelijk geven.

Elke lente kijk ik tamelijk nauwkeurig naar de opeenvolging van soorten die blad krijgen. Vreemd genoeg doe ik dat in de herfst in het geheel niet. Weliswaar let ik op de ontwikkeling van de herfstkleuren, maar ik let zelden op het moment dat een specifieke soort zijn blad verliest.  Misschien komt het omdat het geweld van de herfststormen alles door elkaar husselt. Of misschien ook gewoon omdat het dan geen lekker weer meer is en ik liever binnen zit. Maar hoogstwaarschijnlijk komt het door een herfstig gebrek aan verlangen. Dat verlangen is nu, op 30 april, onmiskenbaar aanwezig. Verlangen naar de zomer, naar zon, licht en warmte.

We zijn er bijna.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Nare tijden, rare tijden

Het zijn nare tijden. Het zijn rare tijden. We hebben met z’n allen erg veel last van Covid-19. Het nare longvirus brengt onrust, onzekerheid en soms ook groot verdriet. Geen idee hoe lang dit nog gaat duren.

IMG_5639

Allium zebdanense, Botanische tuin Kerkrade, 31 maart

Dat ik juist in de lente minder let op mensen en meer op de bomen en planten die gaan uitlopen is natuurlijk een vorm van beroepsdeformatie. Dat is een jaarlijks terugkerend fenomeen en ik lijd er bepaald niet onder. Maar dit jaar dringt zich telkens een bizarre vergelijking op: terwijl er zoveel mensen ziek worden hebben de planten, de bomen en het natuurlijke landschap volstrekt nergens last van. Nulkommanul.

Daarnet bekeek ik de NOS-site en twee berichten sprongen er wat mij betreft uit. Bericht 1: het aantal ziekenhuisopnames is sinds gisteren behoorlijk gestegen. Het lijken alleen maar cijfers maar dat is natuurlijk niet zo. Elke nieuwe ziekenhuisopname betekent een zieke medelander, zeer bezorgde familieleden en extra werkdruk bij verpleegkundigen en artsen. Bericht 2 kan niet verder van bericht 1 afstaan, maar toch horen ze allebei bij vandaag.  De NOS meldt namelijk dat de lente nog nooit zo stralend is begonnen als in de afgelopen week. De meeste zonuren ooit gemeten. En door de afwezigheid van de vliegtuigen kleurt de lucht ook nog eens extra diepblauw.

IMG_5642

Onmisbaar: Heukels & loepje

Ik ben blij dat ik niet de hele dag voor de televisie hoef te zitten. Ons verzuilde mediabestel zorgt ervoor dat iedere zich zelf respecterende omroep of zender zijn eigen aandacht besteed aan het coronavirus, met als gevolg een overkill aan informatie. Je wordt er zenuwachtig van, en angstig.

Het is een groot voorrecht dat ik gewoon kan doorwerken. Sinds eind vorig jaar ben ik verantwoordelijk voor het beheer van de levende plantencollectie van de botanische tuin in Kerkrade en dat betekent dat dat je je collectie goed moet (leren) kennen. Omdat ik nog maar net gestart ben is het nu de ultieme tijd om de planten te leren kennen en waar nodig op naam te brengen. Denk alleen al maar aan alle voorjaarsbloeiers die over twee maanden weer onder de grond zitten. Als ik ze nu niet bekijk en van naambordjes voorzie moet ik weer een heel jaar wachten.

IMG_5641

Hoe zit dat met die sporen? Botanische tuin Kerkrade, 31 maart

De tuin is voor bezoekers gesloten, het is droog en de zon schijnt. Dat betekent dat ik in alle rust kan werken. Een paar uur lang heb ik geen grotere zorgen dan het determineren van bochtig look (Allium zebdanense), het beborden van de bostulpen (Tulipa sylvestris)  of het uit elkaar rafelen van verschillende soorten viooltjes. Is dit het gewone maarts viooltje (Viola odorata)? Even kijken naar de spoor want het zou ook zomaar eens een donkersporig bosviooltje (Viola reichenbachiana) of een bleeksporig bosviooltje (Viola riviniana) kunnen zijn. Not a worry in the world, zo lang als het duurt.

Naast alle grote gebeurtenissen lijkt dit natuurlijk volstrekt triviaal, maar het werk moet toch gebeuren en ik ben blij om af en toe geconcentreerd mijn zinnen te kunnen verzetten. Een voorrecht, dus.

Bent u voorzichtig met u zelf en met anderen? Dank u wel!

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

19de eeuws spektakel

In de tuinarchitectuur staat de 19de eeuw bekend als de eeuw van de landschapsstijl. U weet wel: de stijl van de harmonische, natuurlijke lijnen en van de afwisselende wandeling. Begrijp me niet verkeerd, ik ben dol op de landschappelijke stijl, en er valt ook heel veel over te vertellen, maar soms denk ik: gaap, gaap, moeten we het daar nu weer over hebben? Want was er in de 19de eeuw op tuingebied niet veel en veel meer aan de hand? Ja zeker. Het stikte destijds van de nieuwigheden en van de trends die elkaar in rap tempo opvolgden en ze stonden vaak lijnrecht tegenover de natuurlijke harmonie die de landschapsstijl beoogt. Veel van die noviteiten waren het resultaat van uitvindingen op zowel technisch als op horticultureel gebied.  Gietijzeren kassen, rotstuinen, tuinsieraden, bruggen, fonteinen, exotische bladplanten met bontbladig, roodbladig of gefranjerd blad, een varen-hausse en onnatuurlijke kweekvormen zoals treurbomen, dwergbomen, verticale bomen of juist horizontale bomen. Allemaal uit de 19de eeuw. Zo’n mengeling van ik-weet-niet-wat-allemaal wordt in de kunstgeschiedenis ook wel eclectisch genoemd, maar wat mij betreft was het gewoon een bonte boel. Ik zou een heel jaar lang elke week kunnen vertellen over al het spektakel dat die eeuw heeft voortgebracht.

Kasteel_Vaeshartelt,_Grand_Canal_(album_P_Regout,_1860-70)

Oh’s en ah’s bij het Grand Canal, Kasteel Vaeshartelt (album P. Regout, ca. 1864) via wikimedia.

Net zo spectaculair als alle nieuwigheden was het aantal publicaties erover. Tuinboeken, populaire tijdschriften en vaktijdschriften brachten alle tuintrends voor het eerst in de geschiedenis bij iedereen in de huiskamer. Onderschat daarbij de 19de -eeuwse tijdschriften niet. Vaak in de vorm van wekelijks nieuwe katernen die je per jaar kon bundelen. Er stonden spannende verhalen in, onder meer over de natuur in verre landen, maar ook over plantensoorten of tuinbouwtentoonstellingen. Een ander nieuw fenomeen was de gedrukte kwekerscatalogus. Door middel van dergelijke catalogi konden tuinliefhebbers gratis en voor niets alle plantentrends volgen. Ook namen de zogenaamde tuinsieraden een hoge vlucht, mede vanwege invloedrijke publicaties zoals het Magazijn van tuinsieraden van Gijsbert van Laar en Les promenades de Paris van Alphons Alphand.

Een mooi voorbeeld van 19de -eeuws spektakel was het landgoed Vaeshartelt bij Maastricht. In 1851 kwam het – tot dan toe tamelijk agrarische – landgoed in bezit van industrieel Petrus Regout. De eerste tien jaar gebruikte Regout het landgoed als buitenverblijf. Aan de Duits/Belgische landschapsarchitect Jean Gindra gaf hij de opdracht om een landschappelijk park aan te leggen. Gindra ontwierp inderdaad een park met vijver dat enigszins in harmonie met de omgeving was. Maar toen Regout zich permanent op Vaeshartelt vestigde, veranderde hij het park binnen een paar jaar in een indrukwekkende schouwspel van follies, vijvers, fonteinen, bloemperken, exotische planten en prieeltjes. Het park was nadrukkelijk bedoeld om bewonderd te worden en het werd opengesteld voor bezoekers. Ik stel me zo voor dat het publiek van de ene verbazing in de andere viel. Net zoals je voor het eerst Disney World binnenstapt.

Regout was trots op zijn schepping, dat kan niet anders. Hij liet het park vereeuwigen in een kostbaar album dat hij in Parijs liet maken. Maar…. zo snel als het parkspektakel Vaeshartelt was ontstaan, zo snel was het ook weer weg. 15 jaar duurde het sprookje. Na de dood van Regout, in 1878, verdween de aanleg als sneeuw voor de zon. Wat overbleef was het album en dat is maar goed ook. Want de prenten laten vandaag de dag zien dat het in zijn korte bestaan verbluffend moet zijn geweest.

Mocht u zich dit weekend even los kunnen weken van het WK-schaatsen in Salt Lake City, dan stel ik voor dat u een kijkje neemt op de website http://www.erfgoedvaeshartelt.nl. Daar kunt u het album van Regout digitaal te bekijken. Net als de bezoekers van destijds zult ook u verbaasd en verrast zijn. Het is echt 19de eeuws Maastrichts spektakel.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen