Column

Deze maandelijkse column is in 2016 gestart als gesproken column in Limburgs Land, het leukste tuin- en natuurprogramma van Nederland. Met het overlijden van Ger Houben, presentator van Limburgs Land, eind mei 2018, kwam een eind aan dat fantastische programma. Ik heb altijd met zo veel plezier aan de columns gewerkt dat ik besloten heb om door te gaan met schrijven. Dit betekent dat aan het eind van elke maand een nieuwe tekst op mijn homepage wordt gepubliceerd. Een deel van deze teksten zal ook als gesproken column in het nieuwe tuin- en natuurprogramma van L1, Natuur & zo, te horen zijn.

Er valt immers nog zo veel te vertellen.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Nare tijden, rare tijden

Het zijn nare tijden. Het zijn rare tijden. We hebben met z’n allen erg veel last van Covid-19. Het nare longvirus brengt onrust, onzekerheid en soms ook groot verdriet. Geen idee hoe lang dit nog gaat duren.

IMG_5639

Allium zebdanense, Botanische tuin Kerkrade, 31 maart

Dat ik juist in de lente minder let op mensen en meer op de bomen en planten die gaan uitlopen is natuurlijk een vorm van beroepsdeformatie. Dat is een jaarlijks terugkerend fenomeen en ik lijd er bepaald niet onder. Maar dit jaar dringt zich telkens een bizarre vergelijking op: terwijl er zoveel mensen ziek worden hebben de planten, de bomen en het natuurlijke landschap volstrekt nergens last van. Nulkommanul.

Daarnet bekeek ik de NOS-site en twee berichten sprongen er wat mij betreft uit. Bericht 1: het aantal ziekenhuisopnames is sinds gisteren behoorlijk gestegen. Het lijken alleen maar cijfers maar dat is natuurlijk niet zo. Elke nieuwe ziekenhuisopname betekent een zieke medelander, zeer bezorgde familieleden en extra werkdruk bij verpleegkundigen en artsen. Bericht 2 kan niet verder van bericht 1 afstaan, maar toch horen ze allebei bij vandaag.  De NOS meldt namelijk dat de lente nog nooit zo stralend is begonnen als in de afgelopen week. De meeste zonuren ooit gemeten. En door de afwezigheid van de vliegtuigen kleurt de lucht ook nog eens extra diepblauw.

IMG_5642

Onmisbaar: Heukels & loepje

Ik ben blij dat ik niet de hele dag voor de televisie hoef te zitten. Ons verzuilde mediabestel zorgt ervoor dat iedere zich zelf respecterende omroep of zender zijn eigen aandacht besteed aan het coronavirus, met als gevolg een overkill aan informatie. Je wordt er zenuwachtig van, en angstig.

Het is een groot voorrecht dat ik gewoon kan doorwerken. Sinds eind vorig jaar ben ik verantwoordelijk voor het beheer van de levende plantencollectie van de botanische tuin in Kerkrade en dat betekent dat dat je je collectie goed moet (leren) kennen. Omdat ik nog maar net gestart ben is het nu de ultieme tijd om de planten te leren kennen en waar nodig op naam te brengen. Denk alleen al maar aan alle voorjaarsbloeiers die over twee maanden weer onder de grond zitten. Als ik ze nu niet bekijk en van naambordjes voorzie moet ik weer een heel jaar wachten.

IMG_5641

Hoe zit dat met die sporen? Botanische tuin Kerkrade, 31 maart

De tuin is voor bezoekers gesloten, het is droog en de zon schijnt. Dat betekent dat ik in alle rust kan werken. Een paar uur lang heb ik geen grotere zorgen dan het determineren van bochtig look (Allium zebdanense), het beborden van de bostulpen (Tulipa sylvestris)  of het uit elkaar rafelen van verschillende soorten viooltjes. Is dit het gewone maarts viooltje (Viola odorata)? Even kijken naar de spoor want het zou ook zomaar eens een donkersporig bosviooltje (Viola reichenbachiana) of een bleeksporig bosviooltje (Viola riviniana) kunnen zijn. Not a worry in the world, zo lang als het duurt.

Naast alle grote gebeurtenissen lijkt dit natuurlijk volstrekt triviaal, maar het werk moet toch gebeuren en ik ben blij om af en toe geconcentreerd mijn zinnen te kunnen verzetten. Een voorrecht, dus.

Bent u voorzichtig met u zelf en met anderen? Dank u wel!

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

19de eeuws spektakel

In de tuinarchitectuur staat de 19de eeuw bekend als de eeuw van de landschapsstijl. U weet wel: de stijl van de harmonische, natuurlijke lijnen en van de afwisselende wandeling. Begrijp me niet verkeerd, ik ben dol op de landschappelijke stijl, en er valt ook heel veel over te vertellen, maar soms denk ik: gaap, gaap, moeten we het daar nu weer over hebben? Want was er in de 19de eeuw op tuingebied niet veel en veel meer aan de hand? Ja zeker. Het stikte destijds van de nieuwigheden en van de trends die elkaar in rap tempo opvolgden en ze stonden vaak lijnrecht tegenover de natuurlijke harmonie die de landschapsstijl beoogt. Veel van die noviteiten waren het resultaat van uitvindingen op zowel technisch als op horticultureel gebied.  Gietijzeren kassen, rotstuinen, tuinsieraden, bruggen, fonteinen, exotische bladplanten met bontbladig, roodbladig of gefranjerd blad, een varen-hausse en onnatuurlijke kweekvormen zoals treurbomen, dwergbomen, verticale bomen of juist horizontale bomen. Allemaal uit de 19de eeuw. Zo’n mengeling van ik-weet-niet-wat-allemaal wordt in de kunstgeschiedenis ook wel eclectisch genoemd, maar wat mij betreft was het gewoon een bonte boel. Ik zou een heel jaar lang elke week kunnen vertellen over al het spektakel dat die eeuw heeft voortgebracht.

Kasteel_Vaeshartelt,_Grand_Canal_(album_P_Regout,_1860-70)

Oh’s en ah’s bij het Grand Canal, Kasteel Vaeshartelt (album P. Regout, ca. 1864) via wikimedia.

Net zo spectaculair als alle nieuwigheden was het aantal publicaties erover. Tuinboeken, populaire tijdschriften en vaktijdschriften brachten alle tuintrends voor het eerst in de geschiedenis bij iedereen in de huiskamer. Onderschat daarbij de 19de -eeuwse tijdschriften niet. Vaak in de vorm van wekelijks nieuwe katernen die je per jaar kon bundelen. Er stonden spannende verhalen in, onder meer over de natuur in verre landen, maar ook over plantensoorten of tuinbouwtentoonstellingen. Een ander nieuw fenomeen was de gedrukte kwekerscatalogus. Door middel van dergelijke catalogi konden tuinliefhebbers gratis en voor niets alle plantentrends volgen. Ook namen de zogenaamde tuinsieraden een hoge vlucht, mede vanwege invloedrijke publicaties zoals het Magazijn van tuinsieraden van Gijsbert van Laar en Les promenades de Paris van Alphons Alphand.

Een mooi voorbeeld van 19de -eeuws spektakel was het landgoed Vaeshartelt bij Maastricht. In 1851 kwam het – tot dan toe tamelijk agrarische – landgoed in bezit van industrieel Petrus Regout. De eerste tien jaar gebruikte Regout het landgoed als buitenverblijf. Aan de Duits/Belgische landschapsarchitect Jean Gindra gaf hij de opdracht om een landschappelijk park aan te leggen. Gindra ontwierp inderdaad een park met vijver dat enigszins in harmonie met de omgeving was. Maar toen Regout zich permanent op Vaeshartelt vestigde, veranderde hij het park binnen een paar jaar in een indrukwekkende schouwspel van follies, vijvers, fonteinen, bloemperken, exotische planten en prieeltjes. Het park was nadrukkelijk bedoeld om bewonderd te worden en het werd opengesteld voor bezoekers. Ik stel me zo voor dat het publiek van de ene verbazing in de andere viel. Net zoals je voor het eerst Disney World binnenstapt.

Regout was trots op zijn schepping, dat kan niet anders. Hij liet het park vereeuwigen in een kostbaar album dat hij in Parijs liet maken. Maar…. zo snel als het parkspektakel Vaeshartelt was ontstaan, zo snel was het ook weer weg. 15 jaar duurde het sprookje. Na de dood van Regout, in 1878, verdween de aanleg als sneeuw voor de zon. Wat overbleef was het album en dat is maar goed ook. Want de prenten laten vandaag de dag zien dat het in zijn korte bestaan verbluffend moet zijn geweest.

Mocht u zich dit weekend even los kunnen weken van het WK-schaatsen in Salt Lake City, dan stel ik voor dat u een kijkje neemt op de website http://www.erfgoedvaeshartelt.nl. Daar kunt u het album van Regout digitaal te bekijken. Net als de bezoekers van destijds zult ook u verbaasd en verrast zijn. Het is echt 19de eeuws Maastrichts spektakel.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Clivia

Clivia_miniata_(BG_Zurich)-06

Clivia miniata, Botanische Tuin Universiteit Zurich, Bron: Wikimedia, GNU Free Documentation License

We zijn in blijde verwachting van alle kleuren die de bol- en knolgewassen dit voorjaar gaan brengen. De sneeuwklokjes zijn al in bloei, een enkele vroege krokus ook al, maar eigenlijk is het nu wachten op de echte uitbarsting van de lente. Ik werk al lang in tuinen en elk jaar zie ik de bezoekers gedurende die eerste lentedagen de zon en de kleuren van de bloemen letterlijk opzuigen, alsof alles opnieuw geboren wordt en men voor het eerst sinds lang weer diep kan ademhalen. Ik vind het altijd een van de meest feestelijke momenten van het jaar.

We zijn echter zo gewend aan ons standaard assortiment van krokussen, tulpen, narcissen en scilla’s dat je bijna zou vergeten dat er wereld van knol-en bolgewassen is die we niet of nauwelijks kennen.

Onze voorjaarsbloeiers, zoals sneeuwklokjes, tulpen, hyacinthen, narcissen, blauwe druifjes, zijn afkomstig uit voornamelijk vier plantenfamilies: de leliefamilie (Liliaceae), de irisfamilie (Iridaceae), de narcisfamilie (Amaryllidaceae) en de aspergefamilie (Asparagaceae). Deze families zijn behoorlijk wijdverspreid over de aardbol. Het zijn niet alleen bolgewassen, maar ook knolgewassen, en planten met vlezige wortels cq wortelstokken. Allemaal met reservevoedsel in hun ondergrondse delen, dus. Dat reservevoedsel is nodig voor hun typische jaarlijkse cyclus van korte groei, bloei en zaadvorming en lange rust, c.q. stilstand. Gedurende die rustperiode blijven sommige soorten bovengronds, maar veel soorten gaan ondergronds.

De Lage Landen kennen van nature weinig voorjaarsbloeiende bolgewassen. De meeste van onze lentebloeiers zijn eeuwen terug uit andere delen van de wereld – voornamelijk uit Europa en Eurazië – mee hier naartoe genomen  (bollen zijn o zo makkelijk te vervoeren) en in onze tuinen en parken aangeplant. Het zijn bolgewassen die van oorsprong in andere (vaak meer extreme) omstandigheden groeiden, en in ons klimaat enigszins kunnen gedijen.

Maar er zijn ook genoeg soorten uit bovengenoemde families die ons klimaat helemaal niet prettig vinden. Ze kunnen bijvoorbeeld niet tegen vorst, of tegen veel regen of tegen een gebrek aan licht. Zuidelijk Afrika bijvoorbeeld staat bekend om zijn enorme variatie aan bol- en knolgewassen. Dat zijn allemaal bolgewassen die het in Nederland buiten niet zouden redden. Het zuidelijk deel van het Afrikaanse continent is één van de plekken op aarde met een uitzonderlijk grote plantenrijkdom (we noemen dat soort plekken ook wel biodiversity hotspots). Veel van deze bollen en knollen kunnen wij best wel kweken, maar niet buiten in de tuin. Je moet ’s winters beschikken over een koele, lichte ruimte binnenshuis of over een koele kas, want anders lukt het niet.

Gespecialiseerde bollenkwekers bieden soms mooie soorten aan en als je er plek voor hebt en je hebt een beetje groene vingers: probeer ze dan gewoon eens uit.  Zuid-Afrikaanse bollen beginnen hun groeiseizoen in onze herfst. In de zomer hebben ze droog, koel, goed geventileerd en donker in papieren zakken liggen wachten totdat ze rond oktober in potten kunnen worden aangeplant. Niet in plastic potten, wel in terracotta potten. En met een grofzanderig mengsel. De meeste bolletjes houden namelijk van goede drainage. Één keer goed water geven en daarna pas weer als de groei zichtbaar is. Na de bloei sterft het bovengrondse deel af en neemt het watergeven af, tot het volledig stopt. Wanneer de potjes volledig zijn ingedroogd kunnen de bolletjes verzameld worden en opgeslagen tot de volgende herfst.

De freesia en de gladiool kennen wij als de snijbloem, maar in feite zijn het twee geslachten van Afrikaanse bolgewassen. De Freesia’s en gladiolen die wij van de markt kennen zijn groot-groter-groots: zo kom je ze in de natuur niet tegen. De wilde soorten, of variëteiten die dicht bij wilde soorten staan, zijn honderd maal eleganter qua geur en bloei. Als bijvoorbeeld de Freesia alba in september wordt opgepot, dan bloeit hij in januari, met een heerlijke geur en een prachtige tekening. De gladiool komt met méér dan honderd soorten voor in Zuidelijk Afrika. Bekijk ze maar eens op de schitterende website van de South African National Biodiversity Institute. Je kijkt je ogen uit.

Veltheimia en Lachenalia, twee geslachten  uit de leliefamilie, zijn ook soms in Nederland te krijgen. Lachenalia-soorten bloeien wat eerder (soms al in november) en Veltheimia-soorten wat later. Kweek ze vooral in pot op.

De narcisfamilie is niet alleen de familie van narcissen, maar ook van de  uien, de knoflook, de sneeuwklokjes, lenteklokjes en zomerklokjes. Zuid-Afrikaanse familieleden zijn onder andere Tulbaghia (Zuid-Afrikaanse knoflook), Nerine, Haemanthus, Agapanthus en Clivia. Deze laatste, een volledig uit de mode geraakte plant, is mijn favoriet. Net als Agapanthus heeft Clivia geen bollen maar vlezige wortelstokken. De clivia is wintergroen en dus verdwijnt hij in zijn rustperiode (zomer en herfst) niet onder de grond. Hij kan wat warmer staan dan andere Zuid-Afrikaanse bollen en is daardoor perfect voor huiselijk gebruik. In de zomer kan hij gerust naar buiten (op een schaduwrijke en niet te natte plek). De clivia wordt jaarlijks tot bloei geforceerd door aan het eind van de herfst eerst te stoppen met watergeven en vervolgens, vanaf nieuwjaar, het watergeven redelijk royaal op te pakken. Let wel op dat onder in de (terracotta) pot geen water blijft staan want de vlezige wortels rotten snel. In februari/maart wordt je dan beloond met grote schermen fel oranje bloemen. Wat een kleur in de wintertijd! Het is al weer een aantal jaar geleden dat ik ze in maart zag bloeien in Paleis het Loo. In mijn herinnering stonden overal, op de gangen en in de kamers, grote potten oranjebloeiende clivia’s. Ik ben het nooit vergeten en wat mij betreft kan het Huis van Oranje zich geen betere en makkelijkere plant wensen.

 

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

De volgende generatie

Vandaag is het precies zeven dagen geleden dat onze astronomische winter begon. De koudste dagen liggen voor ons. Wat zal de winter brengen? Een stabiel hogedrukgebied met koude oostenwind en wolkeloze vriesluchten? Bomen en planten beschermd door een laagje sneeuw of juist kaal blootgesteld aan de venijnige oostenwind? Of houden we deze winter een westelijke stroming met veel neerslag. “Regen, regen, allerwegen”, om met de woorden van dichter Jan Hanlo te spreken?

Sneeuw,_boodschappen_doen_in_Amsterdam,_een_autobezitter_maakt_met_schep_auto_sn,_Bestanddeelnr_918-7754

Bron: Nationaal Archief

We weten niet wat er komt, maar één ding staat vast. Is de winter te zacht of juist te streng, dan wordt het door velen toegeschreven aan de klimaatverandering, liefst gecombineerd met onheilsgedachten. Nee, het gaat niet goed met de wereld en dat is heel griezelig.

 

Regen_in_Amsterdam_fietsers_in_de_regen,_Bestanddeelnr_927-3046

Bron: Nationaal Archief

Ho ho, ho, gaat dat niet een beetje snel? Het klimaat gaat over langjarige gemiddelden, dus over verschuivingen op de lange duur. Die meet je niet zo maar in een paar jaar. Op mijn werk krijg ik regelmatig vragen en bezorgde blikken over hoe dat nou zit met de opwarming van de aarde en wat dat betekent voor de natuur. Tja, ik weet het ook niet precies. Ik zie de natuur als een proces, voortdurend veranderend en voortdurend op zoek naar evenwicht. Als een zee die deint, met grote stromingen en hele kleintjes. Waarbij wij mensen kampioen stoorzender zijn. Natuur is inherent aan beweging en de bewegingen die ik de afgelopen jaren buiten in de tuin of in de natuur zag, zie ik puur als onderdeel van dat grote proces. Maar in paniek raken? Nee, waarom zou ik.

Toch verschuift er wat. Ik ben dit jaar zestig geworden, dus al best oud, en mijn grote Limburgse familie kent een omvangrijke volgende generatie. Dertig neven en nichten die allemaal twintiger of dertiger zijn. Wanneer ik met ze spreek – vooral met de twintigers – valt me op dat het klimaat zonder enige twijfel hun belangrijkste en meest urgente zorg voor de toekomst is.

Ze zijn stuk voor stuk uitstekend op de hoogte en kunnen heel goed oorzaak van gevolg scheiden. De opwarming van onze aarde en de klimaatverandering als gevolg; en alle troep die wij onze atmosfeer in pompen als oorzaak. Wat ik zelf het meest zorgelijke vind aan de klimaatdiscussie is a) de schijnbare onaantastbaarheid van het economische groeimodel en b) het gemak waarmee resultaten van wetenschappelijk onderzoek door sommige politici, niet vrij van opportunisme, als nepnieuws worden weggezet. Ontkennen, negeren, politiseren. Daar wordt niemand beter van, maar het is wel de realiteit.

Ik heb de wijsheid niet in pacht. Klimaat en uitstoot is uiterst ingewikkelde materie, en bij vragen en bezorgde gezichten verwijs ik altijd naar ons onvolprezen KNMI. Zij houden de statistieken bij, vergelijken data en werken samen met alle internationale onderzoeksinstituten die ertoe doen. Paniek heeft weinig zin, en somberheid helpt ook niet. Registreren mijns inziens wel.

Geen idee wat het deze winter gaat worden. Misschien wordt het plus twintig, misschien wordt het min twintig. Ik kijk altijd graag naar het gedrag van de planten. Is de gele kornoelje al aan het bloeien? Jee, da’s wel héél vroeg. Is er nog steeds geen speenkruid boven de grond? Nou, da’s laat.

Persoonlijk ben ik ervan overtuigd dat observeren en het vergaren van kennis onmisbaar zijn bij de zorg voor de toekomst van onze planeet. Verander de wereld, begin bij jezelf. Elke week buiten een rondje lopen en m’n ogen gebruiken. Maar misschien moet ik in het komende jaar maar eens een extra stap zetten en een keer mee gaan lopen in een klimaatdemonstratie. Als ik de neven en nichten, kinderen en kleinkinderen serieus wil nemen, dan kan ik daar eigenlijk niet omheen. Ik wens speciaal de jongere generaties een heel goed jaar toe.

 

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

In de mode

IMG_5236

Afbeelding | Geplaatst op door | Een reactie plaatsen

De muzen

Tot in alle vezels van de wereld komen we planten tegen. Dus niet alleen in natuurgebieden of in tuinen, maar ook op ons bord, in de krant, op tv, op de vensterbank, in de bouwmarkt, in de afvalbak, enzovoort, enzovoort. En omdat ik een plantengek ben, valt – overal waar ik ga of sta – mijn oog erop. Ik beschouw het als een milde afwijking.

Planten en bloemen in kunstuitingen blijven vaak in mijn geheugen zitten en ik wil er in deze column graag voor u een paar uitvissen. Daarvoor kies ik liever niet de meest voor de hand liggenden, zoals de waterlelies van Monet, de 17de eeuwse Hollandse bloemstillevens, of de zonnebloemen van Van Gogh. Hoe fascinerend ook, de schilderkunst laat ik even links liggen, want in deze column wil ik graag de aandacht richten op de andere kunsten, met name de muziek.

Toch begin ik eerst even bij de literatuur. Dat komt omdat ik het niet laten kan & omdat ik het zo’n prachtig stuk tekst vind. Het betreft deze (misantropische) zinnen van Jeroen Brouwers die hij schreef over zijn Exelse tuin . jeroen brouwers

Ik was twintig jaar toen ze me in mijn hart raakten en ik zal ze nooit ofte nimmer vergeten. Ik houd van de felheid en ik herken de naar binnen gerichte neiging maar al te goed. Het zijn eigenschappen die ik vaak bij tuinlui (man of vrouw) tegenkom.

Als ik fictie lees en ik kom een plantaardige verwijzing tegen, dan noteer ik aan de binnenkant van de achterflap van het boek met een potlood het paginanummer en het onderwerp. Niet dat ik tot nu toe ooit van die notities gebruik heb gemaakt, maar ja, je weet maar nooit. Een afwijking, indeed.

Muziek werkt wat mij betreft het meest direct op het gemoed en ik neem graag een paar stukken met u door. Om te beginnen twee werken waarin de roos voorkomt. In Henry Purcells opera Dido en Aeneas, voor het eerst opgevoerd in 1688, sterft de Carthaagse koningin Dido door liefdesverdriet. Het slotkoor luidt:

“With drooping wings ye Cupids come, and scatter roses on her tomb. Soft and gentle as her heart, keep here your watch and never part.”

De tekst is zo-zo, maar de muziek is prachtig en het is onbegrijpelijk dat er nooit een roos naar Dido is vernoemd.

Een andere roos, ook heel dierbaar, vormt één van de veldbloemen die worden bezongen in het liedje Wildwood Flower van de Carter Family, beter bekend als de schoonfamilie van Johnny Cash. Wildwood Flower was het lievelingsliedje van moeder Maybelle Carter en het eerste couplet gaat als volgt: “I will twine, I will mingle my raven black hair, with the roses so red and the lilies so fair, and the myrtle so bright with it’s emerald hue, the pale emanita and hyssop so blue.” Luister vooral naar een uitvoering door de Carter Family zelf: die zijn genoeg op YouTube te vinden.

Nu door met de wilg. De latijnse geslachtsnaam voor de wilg is Salix en die naam kom ik regelmatig tegen. Bijvoorbeeld in het lied “Down by the Salley Gardens”. De meeste mensen denken dat het gaat om een tuin van ene Sally, maar in feite gaat het lied over een verliefd jong stel dat een wandeling maakt langs een rivier, daar waar de wilgen groeien. “Down by the Salley Gardens, where my love and I did meet.” Het betreft een gedicht van William Butler Yeats dat op muziek is gezet en het is sinds lang een geliefd Iers volksliedje. De uitvoering van Maura O’Connell op YouTube laat weinig te wensen over.

In de opera Otello van Verdi, gebaseerd op de gelijknamige tragedie van Shakespeare, verschijnt de wilg, in dit geval de treurwilg, aan het begin van de slotakte. Het is avond en Desdemona bevindt zich in haar slaapvertrek. Ze zit voor de spiegel en Emilia, haar trouwe dienares, helpt haar met haar haar. Het lijkt een huiselijk tafereel, maar het drama hangt zwaar in de lucht en er zullen die nacht veel doden vallen. Desdemona verzucht:

otello

Niet alle kunst hoeft Kunst met een grote K te zijn. Onnavolgbaar vind ik persoonlijk de Limburgse Mooshoofpaadzenger (moestuinpadzangers), met hun liedje Ònbespote (Onbespoten) “….Zitte d’r get bieësjes op, keumtj de drek ei bitje op, goeëje wae gaer get troep d’r euver haer. En det sjaatj de nateur, dus pleite wae d’r veur: haotj de mooshoof ònbespote.” Via hun website is dit kleine meesterwerkje te beluisteren.

Tot slot de lieflijkste ode aan de natuur- with infinite affection and infiniter care – die ik ken. Het betreft het gedicht Nature, the Gentlest Mother van de Amerikaanse dichteres Emily Dickinson, dat in 1950 door de componist Aaron Copland op muziek gezet is. Beluister op YouTube vooral de uitvoering met Barbara Hendricks!

coplandMooier kan het niet, wat mij betreft.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Bezoekjes

Je gaat op reis naar een vreemde stad. In je koffer zit een reisgidsje met een overzicht van kerken, musea, kunstschatten, cafés, restaurants enzovoort. Niks mis mee. Maar….. wij zijn liefhebbers van de buitenlucht en keer op keer blijkt dat een van de leukste manieren om een stad te leren kennen een bezoek aan de plaatselijke botanische tuin is. De één volstrekt up to date –zoals de botanische tuin in Berlijn of Londen -, de ander stok- en stokoud – kijk maar eens in Florence. De schitterende verwaarlozing van de botanische tuin in Rome, de schoonheid van de botanische tuin in Palermo, de eenvoud van de tuin in Helsinki, de compleetheid van die van Leiden. Als u in de komende maanden eens een stedentripje maakt: botanische tuinen zijn niet alleen een bijzonder onderdeel van hun eigen stad, maar ook onderdeel van een lange, gezamenlijke traditie.

kas in de botanische tuin van Palermo

Een van de kassen in de botanische tuin van Palermo

Die traditie is natuurlijk verbonden met de stichting van universiteiten. Vanaf de 15de eeuw werden de eerste universiteiten opgericht en met behulp van de nieuwe methode van de “onbevooroordeelde waarneming” werden daar allerlei facetten van onze wereld bestudeerd. Het plantenrijk was één van de onderzoeksterreinen en iedere zichzelf respecterende universiteit had een tuin, een hortus, met daarin levende plantencollecties ten behoeve van onderzoek en onderwijs. In eerste instantie lag de focus op de medische toepassingen van planten en de meeste oude tuinen zijn dan ook als hortus medicus begonnen.

Al snel werd het plantenrijk zélf het object van studie. De studie heette plantkunde oftewel botanie, en de Hortus medicus werd een Hortus botanicus. De 17de eeuw was een eeuw waarin grote delen van de wereld, en dus de natuurlijke wereld, werden ‘ontdekt’. Het resulteerde onder meer in een enorme plantaardige verzamelwoede. Nederland, als een van de maritieme grootheden uit die tijd, speelde hierin bepaald geen kleine rol. Duik maar eens in het netwerk van de vroege Leidse Hortus of in de correspondentie die werd gevoerd tussen de Amsterdamse Hortus en handelsposten van de VOC all over the world. Zo werden, niet alleen in Nederland, maar in heel Europa binnen relatief korte tijd enorme plantencollecties opgebouwd. Ik beschouw het als een tijd van grote gretigheid en die bleef niet alleen beperkt tot wetenschappelijke instituten. Vanaf een zeker moment namelijk werden plantenverzamelingen ook beschouwd als een statussymbool en menig botanische collectie is onder de vleugels van koningen en keizers ontstaan.

Hortus Leiden huidige tentoonstelling

De lopende tentoonstelling in de hortus Botanicus in Leiden

De verzameldrift – en het op naam brengen van al die nieuw ontdekte planten – voedde de behoefte aan een systematische ordening. In de 18de eeuw werd deze ordening het belangrijkste onderzoeksterrein binnen de plantkunde. De publicatie van Linnaeus’ Species Plantarum  in 1753 was het fundament voor de naamgeving van planten zoals die nu nog bestaat.

Ook in de 19de eeuw stonden de botanische tuinen in het teken van groei. Veel aandacht ging enerzijds uit naar de duizelingwekkende mogelijkheden van kweekproducten en cultuurvariëteiten en anderzijds naar economische gewassen, met name tropische c.q. koloniale, landbouwgewassen. Planten dus waarmee veel geld verdiend kon worden. Door de bouw van speciale kassen konden bijzondere plantengroepen (zoals palmen) een plek in de tuinen krijgen. En met de oprichting van de zogenaamde arboreta en pineta, niet alleen in Europa, maar bijvoorbeeld ook in de Verenigde Staten (het fantastische Arnold Arboretum in Boston bijvoorbeeld) ontstonden er ook de bomen- en heestercollecties.

In de 20e eeuw verloren de meeste botanische tuinen hun functie als onderzoeksterrein. Het nieuwe onderzoek betrof niet meer de uiterlijke kenmerken van een plant, maar men kroop er als het ware in. Laboratoria en microscopen werden onmisbaar. De tuinen verschoven in de richting educatie en publieksinformatie en dat deden en doen ze behoorlijk succesvol. OP deze manier laten ze met hun uiteenlopende plantencollecties onveranderd de fascinerende verscheidenheid van het plantenrijk zien.

Een nieuwe stad leren kennen is in feite niets anders dan een nieuwe tuin leren kennen. Je loopt rond en je geeft je ogen de kost. Het is een kwestie van ontdekken en verwonderen. Dat hoeft natuurlijk niet perse het buitenland te zijn; het kan ook dichtbij. Ga maar eens een dagje naar Leiden: een prachtige binnenstad met daarin als parel de Leidse Hortus. En voor degenen die graag in de eigen provincie blijven is er de botanische tuin van Kerkrade. Daar wandel je in alle rust langs een adembenemend mooie bomencollectie. Geen geprop op de vierkante meter, nee, alle bomen en heesters krijgt lekker de ruimte. Zoals de mooiste witte moerbei die ik ooit gezien heb. Ik wil maar zeggen: Limburg heeft het óók.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen