Column

Met het overlijden van Ger Houben, presentator van Limburgs Land, eind mei 2018, kwam een eind aan het leukste tuin- en natuurprogramma van Nederland. In de afgelopen jaren waren mijn columns een keer per maand een vast onderdeel van zijn programma. Ik heb er met zo veel plezier aan gewerkt dat ik besloten heb om door te gaan met schrijven. Dus ook in de komende tijd zal aan het eind van elke maand op mijn homepage een nieuwe tekst worden gepubliceerd.

Er valt immers nog zo veel te vertellen.

Advertenties
Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Vakantie

Vakantie

 

 

Tot eind augustus!

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Ode aan de schoffel

Het is zomer, het is warm en in de komende dagen wordt er geen drup regen verwacht. Het onkruid in de tuin tiert welig maar, anders dan in het voorjaar, maal ik er niet om. Want de omstandigheden zijn perfect voor mijn schoffel en mijn hark. Zoef, daar gaan we.

IMG_4771

Wonderduo op hete dagen

In het voorjaar, als alles nog maar net boven de grond komt, wil ik graag dat de planten in mijn pluktuin goed kunnen groeien en daarbij geen hinder ondervinden van onkruiden. Elke tuin kent zijn eigen mix van storende planten en bij mij zijn dat onder andere de boterbloem (waar ik overigens op andere plekken in de tuin dol op ben), de paardenbloem en de melkdistel. Dus haal ik die opkomende onkruiden in het voorjaar weg, zo goed en zo kwaad als het kan. Met een greep, handschoenen en een stekertje.  Het is je reinste peuterwerk, voorover gebogen of op de knieën, en ik ben dan zomaar een hele dag kwijt om een vak van, stel, 100 vierkante schoon te krijgen. Dat “schoon” een illusie is hoef ik u als tuinliefhebber niet te vertellen, maar ieder geval krijgen de planten in de vakken zo wel een voorsprongetje.

Dan komen de zomerdagen. Het onkruid tussen de planten staat alweer enkelhoog maar nu wacht ik, luie tuinier zijnde, tot de omstandigheden zodanig zijn dat ik in één handomdraai de hele flikkerse boel plat én weg krijg. Een paar hete, droge dagen, een schoffel en een smalle bladhark zijn voldoende. Je schoffelt het onkruid, laat het  verschroeien, je harkt het weg en …. schoon is je perk. De truc is dat de hitte ervoor zorgt dat de wortels verdrogen en dat de plant dus binnen een paar uur afsterft.

In plantsoenen wordt nog veel geschoffeld, maar in tuinen zie ik de schoffels zelden meer. Een gemiste kans in feite, want op het juiste moment is de schoffel een fantastisch stuk gereedschap. Het schoffelblad hoort scherp te zijn, gewoon van stevig staal (dus vooral niet gemoffeld c.q. van een kleurtje voorzien), want ’s winters moet je de schoffel gewoon met een vijl aan kunnen scherpen. In sommige tuinen is het handig om met een smal blad te manoeuvreren, maar soms staan er zo weinig planten dat een breed blad meer efficiënt is. De schoffel heeft een lange steel met een gekantelde greep. Die gekantelde greep zet je in de buurt van je oksel en vanuit de schouder en de bovenarm ga je dan aan de slag. In feite kunt je door die gekantelde greep je hele lichaamsgewicht inzetten, waardoor een goede schoffel mijns inziens als een ergonomisch wonder beschouwd kan worden.

Op deze manier kun je meters maken. Binnen het uur heb ik, zonder voorover te hoeven buigen of op de knieën te gaan, die 100 vierkante meter gedaan. Alle onkruid ligt plat, terwijl de bossen plukbloemen fier overeind staan. Er is slechts een vereiste: je moet weten wat er in je vak moet blijven staan, want anders schoffel je zomaar de verkeerde planten weg.

Na een paar uur droogtijd (niet tussendoor sproeien, dus) pak ik mijn onovertroffen smalle Marizo bladhark en vis ik met het grootste gemak alle verdroogde onkruid uit de hoeken en gaten. Mijn bladhark heeft 7 tanden en omdat hij smal is komt hij overal zonder ook maar iets te beschadigen. Efficiënter en lichtvoetiger kan het niet.

In mijn Amsterdamse Hortus tijd zaten we aan het begin van iedere ochtend met het tuinteam aan de koffie en namen de klussen van de dag door. In de zomer waren sommige plantvakken behoorlijk overwoekerd door onkruid –het vak met de vlinderbloemigen was berucht – en als de hitte had toegeslagen, was ’s ochtends het credo: “Een perfecte dag om te schoffelen. Maak er alsjeblief gebruik van! ”. Door de waan van de dag kwamen de tuinmannen er toch vaak niet toe en dat vond ik dan – inderdaad – een gemiste kans. Tja, je kunt niet alles hebben in het leven.

Tegen alle tuiniers zou ik op deze warme dagen willen zeggen: maak het jezelf toch vooral gemakkelijk, schaf een goede schoffel en een smalle bladhark aan en besteed de uren die je daarmee bespaart aan het lezen van een boek in een luie stoel. Onder het genot van een glaasje prik, natuurlijk.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Toeblazen

Polyommatus_icarus_01-08-2005_12.47.30

Icarusblauwtje

Het duurt even, met dit koude voorjaar, maar binnenkort breekt het seizoen dan toch echt aan. Het seizoen van de vlinders. Een cadeautje van de zomer, zo zie ik dat.

Kleine kinderen hebben een leeftijd waarin de magie nog aan de oppervlakte ligt. Volwassenen hebben een wat dikkere huid, waaronder de wereld van de sprookjes verdwenen lijkt. Maar komen er vlinders langs vliegen, dan maakt leeftijd ineens niet meer uit. Ze fladderen in het rond en eisen bij jong en oud acuut de aandacht op: klein, breekbaar, vol kleur en dichtbij. Van bloem naar bloem gaan ze, op zoek naar nectar of naar rottend fruit. Dat vinden ze lekker. En daar waar de meeste dieren de neiging hebben om zich te verstoppen, komen de vlinders naar je toe, en landen – als je mazzel hebt – op je hand of op je schouder. Geen spoor van angst.

Zijn het knuffeldieren? Nee, helemaal niet. Ze zijn te teer om aan te raken. Vlindervleugels zijn flinterdun en kwetsbaar. Het is niet het knuffelgehalte waardoor vlinders zo’n indruk maken. Het is het tere en het dartele, zo vlak voor je neus, die de verwondering doet ontstaan. En deze verwondering geldt voor alle leeftijden. ‘Alles van waarde is weerloos’, schreef Lucebert. Er is geen dier dat zo weerloos oogt als de vlinder.

Vlinders zijn insecten, maar we ervaren ze heel anders dan de meeste andere insecten. Vliegende bloemen, zo worden ze ook wel genoemd. Andere insecten kunnen bijten en steken, zoals muggen en wespen. Of het zijn onwelkome gasten in huis, zoals stofmijt, de kakkerlak en de hoofdluis. Vlinders daarentegen bijten en steken niet en bovendien worden we verleid door hun adembenemend mooie vleugels.

Die kleurrijke en iriserende vleugels – elke vlinder beschikt over twee paar – zorgen ervoor dat vlinders uitstekende vliegers zijn. De vleugels zijn delicaat en ontlenen hun stevigheid aan de aderen, die als zwarte lijnen het basispatroon van de vleugels vormen. Het bloed dat via deze aderen stroom voedt de vleugels. De patronen en kleuren van de vleugels zijn het helderst als de vlinder net is uitgekomen. Naarmate de vlinder ouder wordt vervagen de kleuren.

En dan is er nog de wondere wereld van de metamorfose. De voortplanting van een zoogdier is nogal eenduidig: de jongen van een zoogdier hebben dezelfde verschijningsvorm als hun ouders. De vlinder daarentegen ondergaat gedurende zijn leven drie keer een gedaantewisseling en deze cyclus van gedaanteverwisselingen kan in de Vlinderkas van dichtbij worden gevolgd. Van vlinder, naar eitje, naar rups, naar pop, naar vlinder, telkens weer opnieuw. Uit de pop komt de vlinder tevoorschijn. Zodra hij uit zijn pop is gekropen, droogt hij zijn vleugels, spreidt ze en vliegt zijn vlinderleven tegemoet.

Elke vlindersoort heeft een speciale relatie met zijn eigen favoriete plantensoort. Deze soort, ook wel waardplant genoemd, speelt in de levenscyclus van de vlinder een hoofdrol. De eitjes worden gelegd op de plant die de uitkomende rups voor zijn groei nodig heeft. Uitermate efficiënt kun je dat noemen. Het Icarusblauwtje, bijvoorbeeld, zet zijn eitje af op (rol-)klaver en de rupsen voeden zich ook met klavers en andere vlinderbloemigen.

De gedaantewisselingen geven de vlinder zijn mythologische proporties. De Griekse benaming voor vlinder is ‘psychè’ (ψυχη). Wij vertalen dit tegenwoordig veelal met ons begrip ‘ziel’, maar de oorspronkelijke betekenis van het woord is ‘kracht die het leven toeblaast en zetelt in het hoofd’. Zie je het voor je?

In de Griekse mythologie is de geliefde van Eros bekend onder de naam Psychè. Zij was de personificatie van de menselijke ziel en ze was zo buitengewoon mooi dat ze alle stervelingen en zelfs Aphrodite, godin van de schoonheid en de liefde, in de schaduw stelde. Juist haar schoonheid bepaalde haar lot en pas na veel gedoe vond zij haar uiteindelijke bestemming in de armen van Eros. Psychè wordt vaak afgebeeld met vlindervleugels. In tegenstelling tot de vleugels van de god Eros, die sterk zijn – hij kan er mee naar de berg Olympus vliegen – zijn de vleugels van Psychè teer. Haar vleugels dragen haar niet tot in de hemel, zo hoog kan ze niet komen. Ze kan alleen maar dicht bij de aarde zijn, van bloem tot bloem fladderen.

 

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Bonen & zo

IMG_4570 (2)Een plant is een plant is een plant. Er bestaan uiterst ingewikkelde definities voor planten, maar in het dagelijks leven kennen we ze als dingen met wortels, met een stengel en met groene blaadjes. Zo simpel kan het zijn. Wanneer je een plant laat groeien voor productie dan heet een plant geen plant meer, maar een gewas. Een gewas is een plant die met een specifiek doel geteeld wordt en een voedselgewas is een plant die gebruikt wordt als voedsel of als grondstof voor voedsel. Op grote schaal doen we dat in de akkerbouw of de tuinbouw en op kleine schaal in de moestuin.

De moestuinen liggen er in deze tijd van het jaar nog tamelijk maagdelijk bij. Vers gespit, met eventueel wat kalk of een andere meststof eronder gewerkt. Het zaad ligt klaar om gezaaid te worden, en het pootgoed en voorgezaaide plantgoed staat klaar om uitgeplant te worden. Maar ….. toch is er één klein rijtje plantjes dat al fier boven de grond staat. Het zijn de tuinbonen. Die houden ervan om heel vroeg, in maart al, in de volle grond gestopt te worden en ze gedijen in de koelte.

De tuinboon is een zogenaamde peulvrucht. De bonen zijn in feite zaden die groeien in langgerekte, tweedelige zaaddozen die peulen genoemd worden. Peulen zijn hét typische kenmerk van een van de grootste plantenfamilies ter wereld, de Leguminosae. Wereldwijd telt deze familie zo’n 20.000 plantensoorten, en veel van deze soorten zijn van groot belang voor onze voedselvoorziening. Denk maar aan het Franse woord voor groente, legume.

IMG_4570 (3)Erwten, linzen, kikkererwten, taugé, alfalfa, pinda’s, sojabonen en al die andere eiwitrijke bonen die wereldwijd geteeld worden: ze zijn allemaal familie van de tuinboon. Stuk voor stuk zijn het belangrijke economische gewassen. En beperken we ons tot onze moestuinen dan zien we dat de tuinboon in de loop van het groeiseizoen gezelschap krijgt van familieleden als peultjes, erwtjes, kapucijners, snijbonen en sperziebonen.

Niet alle planten binnen de Leguminosae worden als voedselgewas geteeld. In Nederland komen we ze tegen tijdens onze wandelingen in de natuur. Klaver, bijvoorbeeld, of wikke, of brem en gaspeldoorn, allemaal neven en nichten, tantes en ooms van de tuinboon. Ook een grote boom als de robinia. En in onze tuinen staan de honingboom, de judasboom of de gouden regen. Klein of groot, het maakt niet uit, ze hebben allemaal peulen.

Op het internet zweven tal van artikelen over de vraag hoe over vijftig jaar alle mensen op aarde gevoed kunnen worden zonder dat de wereld ten ondergaat aan een te hoge CO₂-uitstoot. De wereldbevolking groeit met rasse schreden en we weten allemaal dat het aardoppervlak niet mee groeit. Volgens deskundigen is het onmogelijk om op de huidige manier met ons dieet door te gaan. Het landbouwareaal dat nu benut wordt voor voedergewassen voor de veeteelt is te groot. We hoeven het niet helemaal zonder vlees en zuivel te doen, maar…..het moet wel minder. En de beste vleesvervangers, daar is iedereen het over eens, zijn te vinden in de familie van de Leguminosae. In de komende decennia wordt deze omschakeling in de land- en tuinbouw een mooie uitdaging. Ik kan er niet op wachten, alleen al vanwege het feit dat we dan in Limburg wat minder van die voedermaisvelden hebben. Ik woon in het Heuvelland en de landbouwgronden daar behoren tot de vruchtbaarste van Nederland. Toch is voedermais ook daar een van de meest verbouwde gewassen. Voer voor vee in plaats van voor mensen. Ik vind het een verspilling van een bijzondere kwaliteit.

En er is nog een ander aspect. Daar waar de intensieve veeteelt voorbehouden is aan grote bedrijven, is het kweken van voedselgewassen mogelijk voor iedereen die een lapje rond ter beschikking heeft. Dus naast grootschaligheid is er ook plek voor kleinschaligheid. Zo breng je de planten weer wat dichter bij de mensen, en daar doen we het voor.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Tussen de sparren

In deze afgelopen verkiezingsmaand dook het woord ineens op. Boreaal. Zelfstandig naamwoord? Bijvoeglijk naamwoord? Dat deed er niet toe, boreaal lag gewoon op ieders lippen.

Wat wordt er mee bedoeld? Is het een politieke term die in rechts-extremistische kringen gebruikt wordt om racistisch beladen begrippen als blank, Arisch of wit mee aan te duiden? Geen twijfel over. Maar van huis uit ben ik een geograaf en voor mij is boreaal een term uit de aardwetenschappen, meer in het bijzonder uit de klimatologie, uit de geologie en voor het gemak voeg ik er ook nog even de plantengeografie aan toe.

IMG_4502 (4)

In een bosje met fijnspar en douglasspar, Vijlen, maart 2019

Een klimaat is een gemiddelde weerstoestand over een langere periode. Zoals u weet zijn er op onze aarde meerdere klimaten. Als ik van een van de Congo’s naar Zuid-Afrika loop, dan loop ik in eerste instantie in gebieden met een tropisch klimaat (warm en vochtig) en later in gebieden met een aride (droog en warm) klimaat. En als ik de fiets pak om van Nederland naar Lapland te fietsen, dan begin ik in de maritieme zone en eindig ik in de zogenaamde boreale zone.

Gemiddelde weerstoestanden veranderen niet alleen in ruimte, ze variëren ook in tijd. Bestudeer de geologische geschiedenis van één plek op aarde en je ziet alle klimaten langskomen. In de tijd dat in onze contreien de enorme plantenpakketten voor onze fossiele brandstoffen werden afgezet, zo’n 240 tot 200 miljoen jaar geleden, was het warm en vochtig. Tijdens de ijstijden heersten de gletsjers en was het hier zo koud dat er geen bomen konden groeien. Uit pollenonderzoek blijkt dat zo’n 14.000 jaar geleden de weersomstandigheden zodanig veranderden dat de eerste berken, dennen en wilgen weer tevoorschijn kwamen.

Omdat de groeiomstandigheden van planten onder invloed van licht, neerslag, verdamping en temperatuur variëren, worden planten en hun verspreidingsgebieden gebruikt als gids bij het bepalen van klimaatgrenzen. Zet een denkbeeldige steppevegetatie naast een tropisch regenwoud, en je begrijpt het. Een veelgebruikte indelingssysteem, de zogenaamde klimaatclassificatie van Köppen, is op deze basis ontwikkeld. Het systeem spreekt van vijf hoofdgroepen: de A-klimaten, (tropische klimaten), de B-klimaten (droge klimaten), de C-klimaten (maritieme klimaten), de D-klimaten (landklimaten) en de E-klimaten (poolklimaten). Binnen deze groepen wordt vervolgens op basis van temperatuur- en neerslagverschillen een verdere onderverdeling gemaakt.  Het mediterrane klimaat bijvoorbeeld wordt aangeduid met Cs: een maritiem klimaat (C) met droge zomers (s = sommertrocken). Het klimaat in Nederland wordt wel aangeduid met Cfb: een gematigd maritiem klimaat (C) met neerslag in alle seizoenen (f) met een gematigde temperatuur (b).

Het subarctisch klimaat, waarin de boreale zone ligt, is een D-klimaat. Het is een landklimaat, onlosmakelijk verbonden met de uitgestrekte landmassa’s van de noordelijke continenten, ver weg van de matigende invloeden van de zee. De boreale zone vormt de overgang tussen de poolgebieden en meer gematigde gebieden. Deze zone herbergt een van de grootste bosvoorraden ter wereld en wordt ook wel boreaal woud of taiga genoemd.

Het weer kent er zulke extremen dat weinig plantensoorten in deze omstandigheden kunnen overleven. De soortenrijkdom in het boreale woud is dan ook heel beperkt. Vaak zijn het uitgestrekte naaldwouden, met sparren, lariksen en dennen, dicht opeen gepakt zodat ze minder kwetsbaar zijn voor wind en zware sneeuwval. Soms zijn er ook berken, wilgen, elzen, heidestruiken. Voorts mossen, korstmossen en allerlei bessen. Voedsel waar voornamelijk dieren van leven. Nauwelijks mensen, want die hebben toch vaak wat meer nodig.

Niks Nederlands dus. Wij voelen ons thuis in loofbossen, niet in de taiga. Wij willen licht in de winter en schaduw in de zomer. Weliswaar zijn er in de afgelopen anderhalve eeuw vanwege de houtproductie grote arealen met grove den of fijnspar aangeplant, maar die worden door de terreinbeherende organisaties als Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten of de Landschappen sinds een paar decennia tamelijk massaal herplant met loofhout. Met name de spar wordt in de ban gedaan.

IMG_4504 (2)

…..tenzij met een bijl in de hand….

Ik persoonlijk zal er geen traan om laten. Er is in Nederland geen bos dat ik neerslachtiger vind dan een sparrenbos. Onder de bomen zien zomer en winter er gelijk uit, er groeit vrijwel niks, er bloeit vrijwel niks en er is nauwelijks een spatje licht dat de bodem bereikt. Schimmels, zwammen, paddenstoelen en nachtvlinders schijnen er te gedijen, maar een mens heeft er weinig te zoeken, tenzij met een bijl in de hand.

Desondanks wil ik ervoor pleiten om, althans voorlopig, een paar sparrenbossen te laten staan. Om landgenoten die het politiek getinte boreale gedachtegoed ondersteunen een eigen plek te geven. Je zou niemand het recht willen ontzeggen om er depri en bleekjes het einde der tijden af te wachten, toch?

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Foute boel

Sinds jaar en dag kijk ik op televisie graag naar alles wat groen is. En dan bedoel ik niet zozeer de natuurfilms, want die zijn altijd o zo serieus, maar meer de algemene toepassing van planten, bloemen,  bomen en landschap bij reclames of films. Overal waar sprake is van een filmset, rekwisieten en dergelijke. Februari, met Valentijnsdag en met de uitreiking van de Academy Awards (Oscars), is wat dit betreft altijd een topmaand.

Eerst de Oscars. Naast alle prijzen voor de  beste films, de beste acteerprestaties en beste regie bestaat er ook een Oscar voor production design. Denk aan de artistieke leiding, het decorontwerp, het kostuumontwerp en de aankleding van een filmset. Iedereen die wel eens in Hollywood is geweest weet dat het vaak goedkoper is om alles (in een studio) in scene te zetten dan afhankelijk te zijn van de ongewisheden bij filmen-op-locatie. Elk shot in elke film wordt bewust voorbereid, maar het feitelijke “in scene zetten”, waarbij allerlei rekwisieten geselecteerd, gezocht, gemaakt, gevonden en op de juiste plaats in het shot neergezet worden, is een verhaal apart. En, kijk, daar komt de kunstbloem om de hoek kijken.

De beste regisseurs zijn natuurlijk wel gek om zich te laten verleiden tot het gebruik van kunstbomen of plastic planten in buitenopnames. Hoe krachtig was het shot met eik en wuivend korenveld in de film Werk ohne Autor, een van de genomineerde films. Niks geen kunstplant voor nodig. Fantastisch als een boom getoond wordt zoals hij is. Less = more.

IMG_4400

Foute boel, Vijlen, 28 februari

Ronduit lachwekkend wordt het wanneer we aan de andere kant van het production design-spectrum terechtkomen. Ik vat het maar even samen onder de noemer more = less. Tegelijk hilarisch en tenenkrommend is menig Duitse romantische film van zo’n 20 jaar geleden. Alleen al vanwege de bloemrekwisieten zijn ze de moeite van het bekijken waard. Wat dacht u van een scene in een bos, waarin het ene personage een ander personage aanmoedigt om wat van die heerlijke bosaardbeitjes te eten, terwijl het zonneklaar is dat tussen het gras een paar loeigrote gekweekte aardbeienplanten – rechtstreeks uit het dichtstbijzijnde tuincentrum  – slordig ingegraven zijn? Alleen een onnozele is onbekend met het verschil tussen gekweekte en wilde aardbeien. Foute boel zijn ook de veel voorkomende, goedgevulde rozenbogen, met een waterval aan bloemen in een onnatuurlijk felle kleur, in een tuin waarin de bomen nog maar net aan het uitlopen zijn. Het is zo ongelooflijk nep dat het weer interessant wordt. En een absoluut dieptepunt tot slot zijn de shots van schitterende Engelse krijtrotsen, waar de production designer heeft gemeend het beeld te moeten oppimpen door her en der in het gras een kunstbloem te steken. Grrrrr.

En dan nu nog even mopperen over Valentijnsdag. Ook dit jaar werden we weer gebombardeerd met reclames waarin vrouwen rode rozen krijgen. Het lijkt wel of elke vrouw gepredestineerd is om haar neus in een rode roos te steken. Die neus móet erin. Een gotspe natuurlijk, want de rode rozen die je in de winkel koopt ruiken niet, die worden niet op geur gekweekt. Als proef op de som liep ik speciaal voor u, o lezer, in de week voor Valentijnsdag elke bloemenwinkel binnen die ik tegenkwam, in totaal zo’n twintig. De rode rozen waren massaal voorradig, maar er was er geen die geurde zoals de reclames dat suggereren. Nee mevrouw ….. maar die roze …. die geurt wel! Dus, snelle reclameboys, hou nou toch eens op met het ruiken aan rode snijrozen.

Vaak wordt gezegd dat er bijna geen rode rozen zijn die lekker ruiken. Dat klopt niet. Een telefoontje met een van de bekendste Nederlandse rozenkwekers (kwekerij De Wilde in Zutphen) leert dat er best wel geurende rode tuinrozen zijn. Zij adviseren bijvoorbeeld Rosa ‘Duftzauber’, Rosa ‘Isabella Renaisssance’, Rosa ‘Ingrid Bergman’ (goed voor 3 Oscars!) of Rosa ‘Naheglut’. Als u in het huidige plantseizoen een van deze rozen in uw tuin plant, dan kunt u over een jaar uzelf overgeven aan de extase van het ruiken. Net als de onnavolgbare Bianca Castafiore die van professor Zonnebloem een rode roos aangeboden kreeg: “Lieve mevrouw, mag ik u deze bescheiden Crimson Glory aanbieden….?”. “Mmmmm, wat een heerlijke geur! Ruik eens kapitein …… adem eens diep in ….. is het niet verrukkelijk?” “AUW! Duizend miljard bommen! …. Een wesp!…. Ik ben gestoken…… .”

Ruiken in juni, dus. Planten in februari/maart. En overigens is de – inderdaad geurende – Rosa ‘Crimson Glory nog steeds te krijgen.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Een mooi vak, deel 2

John Bergmans in de Mijnstreek

 

Hij had een vader die rond het fin de siècle werkzaam was als tuinbaas op de rijke buitenplaatsen rond Antwerpen en hij bracht zijn kinderjaren dus door tussen kruiwagens en snoeimessen, tussen boomgroepen, gazons en vijvers, tussen kassen en composthopen, tussen rozenperken en eenjarigenbedden. Dan is de kans verdraaid groot dat je besmet raakt met een passie voor planten.

Over wie ik het heb? Over John Bergmans. Belg, plantenman-bij-uitstek, auteur en ontwerper die, naast al zijn andere werk, decennialang zijn stempel drukte op alles wat groen kleurde in de Limburgse Mijnstreek. Begin januari verscheen over hem een zeer leesbare en uitstekend gedocumenteerde monografie.

kolenmijnen_limburg2c_bestanddeelnr_901-1068_november1945nationaalarchief

Werken in een Zuid-Limburgse kolenmijn, november 1945. Bron: Nationaal Archief.

Bergmans werd in 1892 in Antwerpen geboren en op 15-jarige leeftijd ging hij in de leer in de plantentuin van Antwerpen en volgde drie jaar lang lessen over plantkunde. Op zijn 18de trok hij naar Frankrijk, leerde het vak van de planten-vermeerdering en keerde vervolgens terug naar Belgïe om in Gent plantkunde te gaan studeren. Het uitbreken van de eerste wereldoorlog deed hem naar Nederland vluchten, waar hij in eerste instantie – boven de grote rivieren – bij een hele trits gerenommeerde kwekers werkzaam was. Hij ontmoette zijn latere echtgenoot Coby, die zijn passie ging delen en zich aanmeldde voor de Tuinbouwschool voor Meisjes in Rijswijk. Vanuit zijn plantaardige achtergrond ging hij schrijven. Hij publiceerde een tiental fantastische plantenboeken en schreef in de loop van zijn leven honderden artikelen voor vakbladen. Het boek “Vaste planten en rotsheesters” uit 1924 werd zijn bekendste werk. Naast het schrijverschap ontwikkelde hij zich als ontwerper en in 1927 vestigde hij zich samen met zijn Coby in Oisterwijk. Hun gezamenlijke droom, de vestiging van een eigen kwekerij en een daaraan verbonden een bureau voor tuinarchitectuur, werd daar werkelijkheid.

In totaal ontwierp John Bergmans tijdens zijn lange loopbaan zo’n 900 tuinen in Nederland, België, Luxemburg, Frankrijk en Duitsland. De Mijnstreek, waar tot dan toe nauwelijks sprake was geweest van een groene ontwerppraktijk, werd voor hem een belangrijk werkterrein, met name in de wederopbouwjaren. Zijn opdrachtgevers waren De Staatsmijnen, particuliere mijnondernemingen, plaatselijke notabelen, de r.-k. kerk en gemeentelijke overheden. In totaal werkte hij in de Mijnstreek aan circa 170 projecten. Van deze projecten worden nog steeds ontwerptekeningen bewaard bij de afdeling Speciale Collecties van de bibliotheek van de Wageningse Universiteit. Het zijn fraaie, zorgvuldige tekeningen en ik vind dat ze op de een of andere wijze iets liefdevols uitstralen.

cb65246

De Botanische Tuin Kerkrade rond 1938.

Tijdens de boekpresentatie werd de Botanische Tuin van Kerkrade door de auteurs als een hoogtepunt uit Bergmans’ oeuvre omschreven. Iedereen die deze tuin van dichtbij kent weet met hoeveel kennis en kunde hij de tuin ontwierp en inrichtte. Het ging daarbij niet alleen om de vorm: een fraaie landschappelijke aanleg met de wandeling langs gevarieerde plantvakken. Het ging ook om de inhoud en het lijkt wel alsof hij met zijn assortimentskennis volledig los kon gaan: binnen tien jaar na de opening van de tuin bestond de collectie uit een groot aantal soorten en variëteiten, bomen, heesters, vaste planten en bolgewassen, alles nauwkeurig gedocumenteerd. Niet voor niets heeft deze tuin vandaag de dag de status van Rijksmonument.

Maar laten we toch vooral ook nog even verder kijken. De oeuvrelijst in de monografie leest als een staalkaart van de economische groei in de Mijnstreek. De tuin bij het Centraal Laboratorium van De Staatsmijnen, villatuinen van het hogere kader van de Oranje-Nassaumijnen, tuinen bij andere mijndirectiekantoren, tuinen bij ingenieurswoningen, een tuin bij een gezellenhuis, parken en plantsoenen, de groenaanleg bij talrijke nieuwbouwcomplexen, de groenaanleg rond zwembaden en tennisparken, tuinen bij kerken, kerkhoven, privétuinen van burgemeesters en andere notabelen. Noem maar op. De ontwerpen van Bergmans tonen nu hoe zorgvuldig er toen werd gewerkt aan de ontwikkeling van de Oostelijke en Westelijke Mijnstreek. Het was, hoe dan ook, een bijzonder tijdperk.

Als geboren Heerlense snap ik werkelijk niets van het feit dat alles wat met het mijnverleden te maken had decennialang doelbewust is weggepoetst. Onze cultuurgeschiedenis vergt hernieuwd graafwerk zodat het, net als de kolen, lorrie voor lorrie, weer het daglicht ziet. De monografie over Bergmans als goed gevulde lorrie. Petje af en glückauf!

Johanna Karssen-Schüürmann en Marianne van Lidth de Jeude, John Bergmans (1892-1980) Tuinarchitect en plantenkenner, onderdeel van de BONAS-reeks, 372 blz., Uitgeverij Verloren, Hilversum, 2019.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen