Column

Met het overlijden van Ger Houben, presentator van Limburgs Land, eind mei 2018, kwam een eind aan het leukste tuin- en natuurprogramma van Nederland. In de afgelopen jaren waren mijn columns een keer per maand een vast onderdeel van zijn programma. Ik heb er met zo veel plezier aan gewerkt dat ik besloten heb om door te gaan met schrijven. Dus ook in de komende tijd zal aan het eind van elke maand op mijn homepage een nieuwe tekst worden gepubliceerd.

Er valt immers nog zo veel te vertellen.

Advertenties
Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Bezoekjes

Je gaat op reis naar een vreemde stad. In je koffer zit een reisgidsje met een overzicht van kerken, musea, kunstschatten, cafés, restaurants enzovoort. Niks mis mee. Maar….. wij zijn liefhebbers van de buitenlucht en keer op keer blijkt dat een van de leukste manieren om een stad te leren kennen een bezoek aan de plaatselijke botanische tuin is. De één volstrekt up to date –zoals de botanische tuin in Berlijn of Londen -, de ander stok- en stokoud – kijk maar eens in Florence. De schitterende verwaarlozing van de botanische tuin in Rome, de schoonheid van de botanische tuin in Palermo, de eenvoud van de tuin in Helsinki, de compleetheid van die van Leiden. Als u in de komende maanden eens een stedentripje maakt: botanische tuinen zijn niet alleen een bijzonder onderdeel van hun eigen stad, maar ook onderdeel van een lange, gezamenlijke traditie.

kas in de botanische tuin van Palermo

Een van de kassen in de botanische tuin van Palermo

Die traditie is natuurlijk verbonden met de stichting van universiteiten. Vanaf de 15de eeuw werden de eerste universiteiten opgericht en met behulp van de nieuwe methode van de “onbevooroordeelde waarneming” werden daar allerlei facetten van onze wereld bestudeerd. Het plantenrijk was één van de onderzoeksterreinen en iedere zichzelf respecterende universiteit had een tuin, een hortus, met daarin levende plantencollecties ten behoeve van onderzoek en onderwijs. In eerste instantie lag de focus op de medische toepassingen van planten en de meeste oude tuinen zijn dan ook als hortus medicus begonnen.

Al snel werd het plantenrijk zélf het object van studie. De studie heette plantkunde oftewel botanie, en de Hortus medicus werd een Hortus botanicus. De 17de eeuw was een eeuw waarin grote delen van de wereld, en dus de natuurlijke wereld, werden ‘ontdekt’. Het resulteerde onder meer in een enorme plantaardige verzamelwoede. Nederland, als een van de maritieme grootheden uit die tijd, speelde hierin bepaald geen kleine rol. Duik maar eens in het netwerk van de vroege Leidse Hortus of in de correspondentie die werd gevoerd tussen de Amsterdamse Hortus en handelsposten van de VOC all over the world. Zo werden, niet alleen in Nederland, maar in heel Europa binnen relatief korte tijd enorme plantencollecties opgebouwd. Ik beschouw het als een tijd van grote gretigheid en die bleef niet alleen beperkt tot wetenschappelijke instituten. Vanaf een zeker moment namelijk werden plantenverzamelingen ook beschouwd als een statussymbool en menig botanische collectie is onder de vleugels van koningen en keizers ontstaan.

Hortus Leiden huidige tentoonstelling

De lopende tentoonstelling in de hortus Botanicus in Leiden

De verzameldrift – en het op naam brengen van al die nieuw ontdekte planten – voedde de behoefte aan een systematische ordening. In de 18de eeuw werd deze ordening het belangrijkste onderzoeksterrein binnen de plantkunde. De publicatie van Linnaeus’ Species Plantarum  in 1753 was het fundament voor de naamgeving van planten zoals die nu nog bestaat.

Ook in de 19de eeuw stonden de botanische tuinen in het teken van groei. Veel aandacht ging enerzijds uit naar de duizelingwekkende mogelijkheden van kweekproducten en cultuurvariëteiten en anderzijds naar economische gewassen, met name tropische c.q. koloniale, landbouwgewassen. Planten dus waarmee veel geld verdiend kon worden. Door de bouw van speciale kassen konden bijzondere plantengroepen (zoals palmen) een plek in de tuinen krijgen. En met de oprichting van de zogenaamde arboreta en pineta, niet alleen in Europa, maar bijvoorbeeld ook in de Verenigde Staten (het fantastische Arnold Arboretum in Boston bijvoorbeeld) ontstonden er ook de bomen- en heestercollecties.

In de 20e eeuw verloren de meeste botanische tuinen hun functie als onderzoeksterrein. Het nieuwe onderzoek betrof niet meer de uiterlijke kenmerken van een plant, maar men kroop er als het ware in. Laboratoria en microscopen werden onmisbaar. De tuinen verschoven in de richting educatie en publieksinformatie en dat deden en doen ze behoorlijk succesvol. OP deze manier laten ze met hun uiteenlopende plantencollecties onveranderd de fascinerende verscheidenheid van het plantenrijk zien.

Een nieuwe stad leren kennen is in feite niets anders dan een nieuwe tuin leren kennen. Je loopt rond en je geeft je ogen de kost. Het is een kwestie van ontdekken en verwonderen. Dat hoeft natuurlijk niet perse het buitenland te zijn; het kan ook dichtbij. Ga maar eens een dagje naar Leiden: een prachtige binnenstad met daarin als parel de Leidse Hortus. En voor degenen die graag in de eigen provincie blijven is er de botanische tuin van Kerkrade. Daar wandel je in alle rust langs een adembenemend mooie bomencollectie. Geen geprop op de vierkante meter, nee, alle bomen en heesters krijgt lekker de ruimte. Zoals de mooiste witte moerbei die ik ooit gezien heb. Ik wil maar zeggen: Limburg heeft het óók.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Méér geraniums op de vensterbank

IMG_9297

Pelargoniumcultivar, een ode aan de kleur rood I, Vijlen, augustus 2019.

Recent zag ik een boek met de titel “Kruip nooit achter een geranium”. De titel staat voor het schrikbeeld van een saai en inactief leven en in het boek worden we er door indrukwekkende oudere vrouwen zoals Neelie Kroes, Nelleke Noordervliet en Hedy d’Ancona voor gewaarschuwd om achter de geraniums te gaan zitten en aldus ons leven vroegtijdig op te geven.

Ik schets het beeld van een doorzonkamer uit de jaren ‘50, met grote vensters en smalle vensterbanken. Onder de vensterbank loeit de radiator, op de vensterbank zelf staan potten met geraniums en aan de bovenzijde van het vensterraam hangt een valletje. Het idee is dat je, gezeten in je luie stoel, de hele dag – tussen de planten door – gaat zitten loeren naar het leven dat zich buiten- en dus vooral niet binnen –  afspeelt.

IMG_9305

Pelargoniumcultivar, een ode aan de kleur rood II, Vijlen, augustus 2019.

Ik moet bekennen: ik zit graag achter de geraniums. So what. Ik word vrolijk van die planten. De kleuren van de bloemen zijn ronduit aanstekelijk en de verzorging (‘s zomers én ’s winters) is een leuke en dankbare bezigheid.

Ik heb het hier natuurlijk over de planten uit het geslacht Pelargonium, die we in Nederland geranium of tuingeranium noemen. In Nederland kopen we ze elk jaar opnieuw in groten getale om huis en tuin op te fleuren en aan het eind van het zomerseizoen (geraniums kunnen niet tegen vorst) gooien we ze massaal weg. In ons rijke land is de geranium een zodanig wegwerpartikel geworden dat je bijna zou vergeten dat ze ook als prachtige wilde planten in de natuur voorkomen.

Binnen het geslacht Pelargoniums bestaan zo’n 200 soorten die voorkomen in gematigde en tropische streken in het zuidelijk halfrond, met verreweg de grootste concentratie in zuidelijk Afrika. Ze hebben uiteenlopende levensvormen, aangepast aan de omgeving waarin ze voorkomen. Sommigen zijn kruidachtige planten of (kleine) heesters met stengels die verhouten. Ook zijn er pelargoniums die reservevoedsel opslaan in grote ondergrondse knollen. Blader maar eens door de pelargoniumpagina’s op de website van de SANBI (South African National Biodiversity Institute) en je ziet de meest uiteenlopende vormen.

In de eerste helft van de 17de eeuw kwamen de eerste pelargoniums vanuit Zuid-Afrika naar Europa en daar aangekomen groeiden cultuurvariëteiten van sommige natuurlijke soorten (P. zonale, P. peltatum en P. inquinans) uit tot de kampioenen van de sierteelt die ze nu nog steeds zijn.

Vanwege de VOC en de Zuid-Afrikaanse connectie heeft de Amsterdamse Hortus, mijn vorige werkplek, altijd een collectie Zuid-Afrikaanse planten gehad, en dus ook in het wild verzamelde pelargoniums. Een aantal soorten is bijvoorbeeld te zien in de Moninckx-atlas, een schitterende verzameling van 420 grote aquarellen die tussen 1686 en 1709 van planten in de Amsterdamse Hortus werden vervaardigd.

Jan_Moninckx08

Pelargonium peltatum, Jan Moninckx, 1701. Uit: de Moninckxsatlas, Bibliotheek van de Universiteit van Amsterdam

Toen ik laatst weer in de Amsterdamse tuin was, zag ik tot mijn genoegen dat het goed, nee: uitstekend, ging met de collectie pelargoniums. Nederlandse hoveniers hebben het vaak een beetje moeilijk met planten uit Zuid-Afrika en met droogteplanten. We zijn niet gewend om ermee om te gaan en we zijn bang om ze te veel water te geven, omdat ze dan gaan rotten. De oplossing wordt gezocht in het geven van weinig water, maar we hebben dan de neiging om door te schieten en geven we écht te weinig. Sinds de Amsterdamse Hortus twee Zuid-Afrikaanse tuinmannen uit de botanische tuin van Stellenbosch in dienst heeft genomen zijn de aanwezige planten een stuk gezonder geworden en worden er volop nieuwe soorten gezaaid. Een van de nieuwe tuinmannen zei het simpel: de planten stonden voorheen gewoon té droog. Zo zorgt de juiste mankracht ervoor dat de Amsterdamse geraniumcollectie in de komende jaren weer kan uitgroeien tot indrukwekkende proporties.  Na ruim driehonderd jaar toont de Amsterdamse Hortus nog steeds een mooie verscheidenheid van wilde geraniumsoorten. Niet gek.

Terug naar de cultivar-geraniums op de vensterbank. Dat is natuurlijk onzin. Loop een gemiddelde Nederlandse woonwijk in en je spot overal vensterbanken, vol met “woondecoratie” plus de onvermijdelijke orchidee-in-pot, maar geen geraniums. Orchideeën kunnen tegen de hitte boven de radiator. Geraniums niet. Die staan graag licht maar niet al te warm. Dat betekent onder meer dat in een doorzonkamer met gezonde geraniums op de vensterbank beslist minder fossiele brandstoffen verbruikt worden dan in een doorzonkamer met orchideeën.

Alleen al daarom pleit ik voor méér geraniums op de Nederlandse vensterbanken. Elke keer als je lang zo’n raam loopt en je ziet gezonde geraniums, dan denk je: ha, ja, goed bezig! Daar zullen ze in Groningen blij mee zijn. En hoe zorg je voor een volle vensterbank? Neem nu (augustus/september) stekken van niet bloeiende, stevige stengels met voldoende blad, verwijder de onderste bladeren, pak schone terracotta potten en steek de stekken in een goed drainerend grondmengsel met genoeg ruimte voor een gietrand. Houd de stekken de hele winter op een koele lichte plek en geef ze niet te weinig maar ook niet te veel water. Tegen de tijd dat de stekken geworteld zijn is het raadzaam om afwisselend de potgrond te laten drogen en vervolgens royaal water te geven.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Vakantie

Vakantie

 

 

Tot eind augustus!

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Ode aan de schoffel

Het is zomer, het is warm en in de komende dagen wordt er geen drup regen verwacht. Het onkruid in de tuin tiert welig maar, anders dan in het voorjaar, maal ik er niet om. Want de omstandigheden zijn perfect voor mijn schoffel en mijn hark. Zoef, daar gaan we.

IMG_4771

Wonderduo op hete dagen

In het voorjaar, als alles nog maar net boven de grond komt, wil ik graag dat de planten in mijn pluktuin goed kunnen groeien en daarbij geen hinder ondervinden van onkruiden. Elke tuin kent zijn eigen mix van storende planten en bij mij zijn dat onder andere de boterbloem (waar ik overigens op andere plekken in de tuin dol op ben), de paardenbloem en de melkdistel. Dus haal ik die opkomende onkruiden in het voorjaar weg, zo goed en zo kwaad als het kan. Met een greep, handschoenen en een stekertje.  Het is je reinste peuterwerk, voorover gebogen of op de knieën, en ik ben dan zomaar een hele dag kwijt om een vak van, stel, 100 vierkante schoon te krijgen. Dat “schoon” een illusie is hoef ik u als tuinliefhebber niet te vertellen, maar ieder geval krijgen de planten in de vakken zo wel een voorsprongetje.

Dan komen de zomerdagen. Het onkruid tussen de planten staat alweer enkelhoog maar nu wacht ik, luie tuinier zijnde, tot de omstandigheden zodanig zijn dat ik in één handomdraai de hele flikkerse boel plat én weg krijg. Een paar hete, droge dagen, een schoffel en een smalle bladhark zijn voldoende. Je schoffelt het onkruid, laat het  verschroeien, je harkt het weg en …. schoon is je perk. De truc is dat de hitte ervoor zorgt dat de wortels verdrogen en dat de plant dus binnen een paar uur afsterft.

In plantsoenen wordt nog veel geschoffeld, maar in tuinen zie ik de schoffels zelden meer. Een gemiste kans in feite, want op het juiste moment is de schoffel een fantastisch stuk gereedschap. Het schoffelblad hoort scherp te zijn, gewoon van stevig staal (dus vooral niet gemoffeld c.q. van een kleurtje voorzien), want ’s winters moet je de schoffel gewoon met een vijl aan kunnen scherpen. In sommige tuinen is het handig om met een smal blad te manoeuvreren, maar soms staan er zo weinig planten dat een breed blad meer efficiënt is. De schoffel heeft een lange steel met een gekantelde greep. Die gekantelde greep zet je in de buurt van je oksel en vanuit de schouder en de bovenarm ga je dan aan de slag. In feite kunt je door die gekantelde greep je hele lichaamsgewicht inzetten, waardoor een goede schoffel mijns inziens als een ergonomisch wonder beschouwd kan worden.

Op deze manier kun je meters maken. Binnen het uur heb ik, zonder voorover te hoeven buigen of op de knieën te gaan, die 100 vierkante meter gedaan. Alle onkruid ligt plat, terwijl de bossen plukbloemen fier overeind staan. Er is slechts een vereiste: je moet weten wat er in je vak moet blijven staan, want anders schoffel je zomaar de verkeerde planten weg.

Na een paar uur droogtijd (niet tussendoor sproeien, dus) pak ik mijn onovertroffen smalle Marizo bladhark en vis ik met het grootste gemak alle verdroogde onkruid uit de hoeken en gaten. Mijn bladhark heeft 7 tanden en omdat hij smal is komt hij overal zonder ook maar iets te beschadigen. Efficiënter en lichtvoetiger kan het niet.

In mijn Amsterdamse Hortus tijd zaten we aan het begin van iedere ochtend met het tuinteam aan de koffie en namen de klussen van de dag door. In de zomer waren sommige plantvakken behoorlijk overwoekerd door onkruid –het vak met de vlinderbloemigen was berucht – en als de hitte had toegeslagen, was ’s ochtends het credo: “Een perfecte dag om te schoffelen. Maak er alsjeblief gebruik van! ”. Door de waan van de dag kwamen de tuinmannen er toch vaak niet toe en dat vond ik dan – inderdaad – een gemiste kans. Tja, je kunt niet alles hebben in het leven.

Tegen alle tuiniers zou ik op deze warme dagen willen zeggen: maak het jezelf toch vooral gemakkelijk, schaf een goede schoffel en een smalle bladhark aan en besteed de uren die je daarmee bespaart aan het lezen van een boek in een luie stoel. Onder het genot van een glaasje prik, natuurlijk.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Toeblazen

Polyommatus_icarus_01-08-2005_12.47.30

Icarusblauwtje

Het duurt even, met dit koude voorjaar, maar binnenkort breekt het seizoen dan toch echt aan. Het seizoen van de vlinders. Een cadeautje van de zomer, zo zie ik dat.

Kleine kinderen hebben een leeftijd waarin de magie nog aan de oppervlakte ligt. Volwassenen hebben een wat dikkere huid, waaronder de wereld van de sprookjes verdwenen lijkt. Maar komen er vlinders langs vliegen, dan maakt leeftijd ineens niet meer uit. Ze fladderen in het rond en eisen bij jong en oud acuut de aandacht op: klein, breekbaar, vol kleur en dichtbij. Van bloem naar bloem gaan ze, op zoek naar nectar of naar rottend fruit. Dat vinden ze lekker. En daar waar de meeste dieren de neiging hebben om zich te verstoppen, komen de vlinders naar je toe, en landen – als je mazzel hebt – op je hand of op je schouder. Geen spoor van angst.

Zijn het knuffeldieren? Nee, helemaal niet. Ze zijn te teer om aan te raken. Vlindervleugels zijn flinterdun en kwetsbaar. Het is niet het knuffelgehalte waardoor vlinders zo’n indruk maken. Het is het tere en het dartele, zo vlak voor je neus, die de verwondering doet ontstaan. En deze verwondering geldt voor alle leeftijden. ‘Alles van waarde is weerloos’, schreef Lucebert. Er is geen dier dat zo weerloos oogt als de vlinder.

Vlinders zijn insecten, maar we ervaren ze heel anders dan de meeste andere insecten. Vliegende bloemen, zo worden ze ook wel genoemd. Andere insecten kunnen bijten en steken, zoals muggen en wespen. Of het zijn onwelkome gasten in huis, zoals stofmijt, de kakkerlak en de hoofdluis. Vlinders daarentegen bijten en steken niet en bovendien worden we verleid door hun adembenemend mooie vleugels.

Die kleurrijke en iriserende vleugels – elke vlinder beschikt over twee paar – zorgen ervoor dat vlinders uitstekende vliegers zijn. De vleugels zijn delicaat en ontlenen hun stevigheid aan de aderen, die als zwarte lijnen het basispatroon van de vleugels vormen. Het bloed dat via deze aderen stroom voedt de vleugels. De patronen en kleuren van de vleugels zijn het helderst als de vlinder net is uitgekomen. Naarmate de vlinder ouder wordt vervagen de kleuren.

En dan is er nog de wondere wereld van de metamorfose. De voortplanting van een zoogdier is nogal eenduidig: de jongen van een zoogdier hebben dezelfde verschijningsvorm als hun ouders. De vlinder daarentegen ondergaat gedurende zijn leven drie keer een gedaantewisseling en deze cyclus van gedaanteverwisselingen kan in de Vlinderkas van dichtbij worden gevolgd. Van vlinder, naar eitje, naar rups, naar pop, naar vlinder, telkens weer opnieuw. Uit de pop komt de vlinder tevoorschijn. Zodra hij uit zijn pop is gekropen, droogt hij zijn vleugels, spreidt ze en vliegt zijn vlinderleven tegemoet.

Elke vlindersoort heeft een speciale relatie met zijn eigen favoriete plantensoort. Deze soort, ook wel waardplant genoemd, speelt in de levenscyclus van de vlinder een hoofdrol. De eitjes worden gelegd op de plant die de uitkomende rups voor zijn groei nodig heeft. Uitermate efficiënt kun je dat noemen. Het Icarusblauwtje, bijvoorbeeld, zet zijn eitje af op (rol-)klaver en de rupsen voeden zich ook met klavers en andere vlinderbloemigen.

De gedaantewisselingen geven de vlinder zijn mythologische proporties. De Griekse benaming voor vlinder is ‘psychè’ (ψυχη). Wij vertalen dit tegenwoordig veelal met ons begrip ‘ziel’, maar de oorspronkelijke betekenis van het woord is ‘kracht die het leven toeblaast en zetelt in het hoofd’. Zie je het voor je?

In de Griekse mythologie is de geliefde van Eros bekend onder de naam Psychè. Zij was de personificatie van de menselijke ziel en ze was zo buitengewoon mooi dat ze alle stervelingen en zelfs Aphrodite, godin van de schoonheid en de liefde, in de schaduw stelde. Juist haar schoonheid bepaalde haar lot en pas na veel gedoe vond zij haar uiteindelijke bestemming in de armen van Eros. Psychè wordt vaak afgebeeld met vlindervleugels. In tegenstelling tot de vleugels van de god Eros, die sterk zijn – hij kan er mee naar de berg Olympus vliegen – zijn de vleugels van Psychè teer. Haar vleugels dragen haar niet tot in de hemel, zo hoog kan ze niet komen. Ze kan alleen maar dicht bij de aarde zijn, van bloem tot bloem fladderen.

 

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Bonen & zo

IMG_4570 (2)Een plant is een plant is een plant. Er bestaan uiterst ingewikkelde definities voor planten, maar in het dagelijks leven kennen we ze als dingen met wortels, met een stengel en met groene blaadjes. Zo simpel kan het zijn. Wanneer je een plant laat groeien voor productie dan heet een plant geen plant meer, maar een gewas. Een gewas is een plant die met een specifiek doel geteeld wordt en een voedselgewas is een plant die gebruikt wordt als voedsel of als grondstof voor voedsel. Op grote schaal doen we dat in de akkerbouw of de tuinbouw en op kleine schaal in de moestuin.

De moestuinen liggen er in deze tijd van het jaar nog tamelijk maagdelijk bij. Vers gespit, met eventueel wat kalk of een andere meststof eronder gewerkt. Het zaad ligt klaar om gezaaid te worden, en het pootgoed en voorgezaaide plantgoed staat klaar om uitgeplant te worden. Maar ….. toch is er één klein rijtje plantjes dat al fier boven de grond staat. Het zijn de tuinbonen. Die houden ervan om heel vroeg, in maart al, in de volle grond gestopt te worden en ze gedijen in de koelte.

De tuinboon is een zogenaamde peulvrucht. De bonen zijn in feite zaden die groeien in langgerekte, tweedelige zaaddozen die peulen genoemd worden. Peulen zijn hét typische kenmerk van een van de grootste plantenfamilies ter wereld, de Leguminosae. Wereldwijd telt deze familie zo’n 20.000 plantensoorten, en veel van deze soorten zijn van groot belang voor onze voedselvoorziening. Denk maar aan het Franse woord voor groente, legume.

IMG_4570 (3)Erwten, linzen, kikkererwten, taugé, alfalfa, pinda’s, sojabonen en al die andere eiwitrijke bonen die wereldwijd geteeld worden: ze zijn allemaal familie van de tuinboon. Stuk voor stuk zijn het belangrijke economische gewassen. En beperken we ons tot onze moestuinen dan zien we dat de tuinboon in de loop van het groeiseizoen gezelschap krijgt van familieleden als peultjes, erwtjes, kapucijners, snijbonen en sperziebonen.

Niet alle planten binnen de Leguminosae worden als voedselgewas geteeld. In Nederland komen we ze tegen tijdens onze wandelingen in de natuur. Klaver, bijvoorbeeld, of wikke, of brem en gaspeldoorn, allemaal neven en nichten, tantes en ooms van de tuinboon. Ook een grote boom als de robinia. En in onze tuinen staan de honingboom, de judasboom of de gouden regen. Klein of groot, het maakt niet uit, ze hebben allemaal peulen.

Op het internet zweven tal van artikelen over de vraag hoe over vijftig jaar alle mensen op aarde gevoed kunnen worden zonder dat de wereld ten ondergaat aan een te hoge CO₂-uitstoot. De wereldbevolking groeit met rasse schreden en we weten allemaal dat het aardoppervlak niet mee groeit. Volgens deskundigen is het onmogelijk om op de huidige manier met ons dieet door te gaan. Het landbouwareaal dat nu benut wordt voor voedergewassen voor de veeteelt is te groot. We hoeven het niet helemaal zonder vlees en zuivel te doen, maar…..het moet wel minder. En de beste vleesvervangers, daar is iedereen het over eens, zijn te vinden in de familie van de Leguminosae. In de komende decennia wordt deze omschakeling in de land- en tuinbouw een mooie uitdaging. Ik kan er niet op wachten, alleen al vanwege het feit dat we dan in Limburg wat minder van die voedermaisvelden hebben. Ik woon in het Heuvelland en de landbouwgronden daar behoren tot de vruchtbaarste van Nederland. Toch is voedermais ook daar een van de meest verbouwde gewassen. Voer voor vee in plaats van voor mensen. Ik vind het een verspilling van een bijzondere kwaliteit.

En er is nog een ander aspect. Daar waar de intensieve veeteelt voorbehouden is aan grote bedrijven, is het kweken van voedselgewassen mogelijk voor iedereen die een lapje rond ter beschikking heeft. Dus naast grootschaligheid is er ook plek voor kleinschaligheid. Zo breng je de planten weer wat dichter bij de mensen, en daar doen we het voor.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Tussen de sparren

In deze afgelopen verkiezingsmaand dook het woord ineens op. Boreaal. Zelfstandig naamwoord? Bijvoeglijk naamwoord? Dat deed er niet toe, boreaal lag gewoon op ieders lippen.

Wat wordt er mee bedoeld? Is het een politieke term die in rechts-extremistische kringen gebruikt wordt om racistisch beladen begrippen als blank, Arisch of wit mee aan te duiden? Geen twijfel over. Maar van huis uit ben ik een geograaf en voor mij is boreaal een term uit de aardwetenschappen, meer in het bijzonder uit de klimatologie, uit de geologie en voor het gemak voeg ik er ook nog even de plantengeografie aan toe.

IMG_4502 (4)

In een bosje met fijnspar en douglasspar, Vijlen, maart 2019

Een klimaat is een gemiddelde weerstoestand over een langere periode. Zoals u weet zijn er op onze aarde meerdere klimaten. Als ik van een van de Congo’s naar Zuid-Afrika loop, dan loop ik in eerste instantie in gebieden met een tropisch klimaat (warm en vochtig) en later in gebieden met een aride (droog en warm) klimaat. En als ik de fiets pak om van Nederland naar Lapland te fietsen, dan begin ik in de maritieme zone en eindig ik in de zogenaamde boreale zone.

Gemiddelde weerstoestanden veranderen niet alleen in ruimte, ze variëren ook in tijd. Bestudeer de geologische geschiedenis van één plek op aarde en je ziet alle klimaten langskomen. In de tijd dat in onze contreien de enorme plantenpakketten voor onze fossiele brandstoffen werden afgezet, zo’n 240 tot 200 miljoen jaar geleden, was het warm en vochtig. Tijdens de ijstijden heersten de gletsjers en was het hier zo koud dat er geen bomen konden groeien. Uit pollenonderzoek blijkt dat zo’n 14.000 jaar geleden de weersomstandigheden zodanig veranderden dat de eerste berken, dennen en wilgen weer tevoorschijn kwamen.

Omdat de groeiomstandigheden van planten onder invloed van licht, neerslag, verdamping en temperatuur variëren, worden planten en hun verspreidingsgebieden gebruikt als gids bij het bepalen van klimaatgrenzen. Zet een denkbeeldige steppevegetatie naast een tropisch regenwoud, en je begrijpt het. Een veelgebruikte indelingssysteem, de zogenaamde klimaatclassificatie van Köppen, is op deze basis ontwikkeld. Het systeem spreekt van vijf hoofdgroepen: de A-klimaten, (tropische klimaten), de B-klimaten (droge klimaten), de C-klimaten (maritieme klimaten), de D-klimaten (landklimaten) en de E-klimaten (poolklimaten). Binnen deze groepen wordt vervolgens op basis van temperatuur- en neerslagverschillen een verdere onderverdeling gemaakt.  Het mediterrane klimaat bijvoorbeeld wordt aangeduid met Cs: een maritiem klimaat (C) met droge zomers (s = sommertrocken). Het klimaat in Nederland wordt wel aangeduid met Cfb: een gematigd maritiem klimaat (C) met neerslag in alle seizoenen (f) met een gematigde temperatuur (b).

Het subarctisch klimaat, waarin de boreale zone ligt, is een D-klimaat. Het is een landklimaat, onlosmakelijk verbonden met de uitgestrekte landmassa’s van de noordelijke continenten, ver weg van de matigende invloeden van de zee. De boreale zone vormt de overgang tussen de poolgebieden en meer gematigde gebieden. Deze zone herbergt een van de grootste bosvoorraden ter wereld en wordt ook wel boreaal woud of taiga genoemd.

Het weer kent er zulke extremen dat weinig plantensoorten in deze omstandigheden kunnen overleven. De soortenrijkdom in het boreale woud is dan ook heel beperkt. Vaak zijn het uitgestrekte naaldwouden, met sparren, lariksen en dennen, dicht opeen gepakt zodat ze minder kwetsbaar zijn voor wind en zware sneeuwval. Soms zijn er ook berken, wilgen, elzen, heidestruiken. Voorts mossen, korstmossen en allerlei bessen. Voedsel waar voornamelijk dieren van leven. Nauwelijks mensen, want die hebben toch vaak wat meer nodig.

Niks Nederlands dus. Wij voelen ons thuis in loofbossen, niet in de taiga. Wij willen licht in de winter en schaduw in de zomer. Weliswaar zijn er in de afgelopen anderhalve eeuw vanwege de houtproductie grote arealen met grove den of fijnspar aangeplant, maar die worden door de terreinbeherende organisaties als Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten of de Landschappen sinds een paar decennia tamelijk massaal herplant met loofhout. Met name de spar wordt in de ban gedaan.

IMG_4504 (2)

…..tenzij met een bijl in de hand….

Ik persoonlijk zal er geen traan om laten. Er is in Nederland geen bos dat ik neerslachtiger vind dan een sparrenbos. Onder de bomen zien zomer en winter er gelijk uit, er groeit vrijwel niks, er bloeit vrijwel niks en er is nauwelijks een spatje licht dat de bodem bereikt. Schimmels, zwammen, paddenstoelen en nachtvlinders schijnen er te gedijen, maar een mens heeft er weinig te zoeken, tenzij met een bijl in de hand.

Desondanks wil ik ervoor pleiten om, althans voorlopig, een paar sparrenbossen te laten staan. Om landgenoten die het politiek getinte boreale gedachtegoed ondersteunen een eigen plek te geven. Je zou niemand het recht willen ontzeggen om er depri en bleekjes het einde der tijden af te wachten, toch?

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen