Column

Deze maandelijkse column is in 2016 gestart als gesproken column in Limburgs Land, het leukste tuin- en natuurprogramma van Nederland. Met het overlijden van Ger Houben, presentator van Limburgs Land, eind mei 2018, kwam een eind aan dat fantastische programma. Ik heb altijd met zo veel plezier aan de columns gewerkt dat ik besloten heb om door te gaan met schrijven. Dit betekent dat aan het eind van elke maand een nieuwe tekst op mijn homepage wordt gepubliceerd. Een deel van deze teksten zal ook als gesproken column in het nieuwe tuin- en natuurprogramma van L1, Natuur & zo, te horen zijn.

Er valt immers nog zo veel te vertellen.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Vakantie

Tja, vakantie……

Tot eind september!

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

POWER

Lang geleden liep ik eens ergens op het platteland in het noorden van Israël en toen belandde ik per toeval in een wonderbaarlijke tuin. Het was een tuin die hoorde bij een klooster van de Bahai, een geloofsgemeenschap die voortbouwt op de gezamenlijke grondslag van de grote wereldgodsdiensten. De tuin was in alle opzichten lieflijk te noemen, nut en sier tegelijk, een beetje ongeordend, en hij raakte me omdat hij een en al vriendelijkheid was. Zo’n plek waar de menselijke ziel goed kan toeven en waar de natuur is ingeschakeld. I can breath.

De belangrijkste tempel van de Bahai bevindt ook in Israël en wel in de stad Haifa. Een paar decennia terug werd de tuin rond de tempel vernieuwd en toen ik de nieuwe aanleg zag, schrok ik me werkelijk een rotje. Niks geen vriendelijkheid en niks geen lieflijkheid. De hele aanleg was er puur op gericht om indruk te maken. Ik ervoer het als één groot machtsvertoon. Harmonie had plaatsgemaakt voor symmetrie en de natuur was uitgeschakeld. Jakkes. Bah.

IMG_1414

Zaadjes zaaien

Het verhaal van tuinen, symmetrie, orde en machtsvertoon is een oud verhaal. We kennen allemaal de tuinen van Versailles, we kennen de (18de-eeuwse) Nederlandse vogelvluchten zoals die van Slot Zeist of van Duivenvoorde in Voorschoten, om er maar twee te noemen. Elke keer is het hetzelfde verhaal. Een eigenaar die zegt: kijk, hier ben ik en ik ben hier de baas (over wat dan ook). Een tuin als egodocument.

Ik moest aan beide Bahai-tuinen denken toen first lady Melania Trump vorige maand haar plan lanceerde om de Rose Garden bij het Witte Huis te renoveren. Ondertussen is de renovatie al voltooid (dat ging verdomd snel) en gaat ze de Rose Garden gebruiken als decor voor haar toespraak bij de aankomende republikeinse conventie. Onder het mom van zachtaardigheid (een rozentuin) gaat het, vergis u niet, om het vertoon en het behoud van macht. Niet meer dan dat.

Macht kan zich op verschillende manieren uiten. Je hebt macht die je de adem ontneemt en je hebt een ander soort macht die je in staat stelt om diep in te ademen. Is de tuin een handvat om te overrompelen of indruk te maken? Of is de tuin een handvat dat inspireert en nieuwe inzichten opent?

De vorige first lady liet bij het Witte Huis ook een tuin aanleggen en ook dat was een tuin met een politiek doel. Michelle Obama bekleedde destijds zonder meer een machtige positie en ze gebruikte die macht om een moestuin aan te leggen. De moestuin was niet zo maar een moestuin: het was een publieke tuin én een leertuin. Hoe werkt dat, met zaadjes, met aarde, met spitten en met oogsten? Hoe groeit ons voedsel? Haar achterliggende motivatie was om iets te doen aan het overgewicht van veel Amerikaanse kinderen en aan de gezondheidsproblemen die het eten van slecht voedsel met zich meebrengen.  Niet alleen om er aandacht op te vestigen, maar er ook zelf mee aan de slag te gaan. Over POWER gesproken.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Het concept van de luie tuinier

20200630_144929 (2)

Pluktuin van een luie tuinier, Vijlen, 27 juni  2020

Het is het verschil tussen tuin en natuur. Niemand van u neemt een schoffel of een spa mee als u gaat wandelen in de bossen van de Meinweg of op de paden in het Heuvelland. Maar in de tuin kunnen we niet zonder. Hele winkels liggen vol met tuingereedschap. Steelgereedschap, handgereedschap, gieters in soorten en maten, regentonnen en ingewikkelde sproeisystemen.  Het handgereedschap spant wat mij betreft de kroon, met penwortelschopjes, zevenbladvorkjes, wiedvingers, handharkjes, rooivorkjes, verplantschopjes, en, ja, je zou het bijna vergeten, de bloembedschepjes. Wat ik maar wil zeggen: het aanbod is oneindig.

20200627_110033 (2)

Vijlen, 27 juni 2020

Ik ben, zeker nu ik ouder word, een luie tuinier. Als mensen in mijn tuin rondlopen en ik zeg dat ik een luie tuinier ben, dan zie je ze meewarig kijken. Ja, ja, ze geloven er niks van. Toch is het zo. Ik sta namelijk op het standpunt dat het gereedschap het werk moet doen. Niet ik. Er moet wel spierkracht worden ingezet, maar liefst zo min mogelijk.

Ik weiger een spa in de grond te steken als de grond te droog of te nat is. Zonde van m’n energie. Sowieso dient het gebruik van de spa tot een minimum beperkt te worden: het dichte blad  ontmoet relatief veel weerstand en je moet een hele kluit omhoogwerken voordat je de grond los krijgt. Nee, dan de spitvork. Met zijn vier tanden glijdt hij soepel de grond in, vervolgens duw je de steel als hefboom zijwaarts neer en hop, de grond is los en luchtig. Je trekt het onkruid, ook het diepgewortelde, er zo uit.

20200627_114457

Vijlen, 27 juni 2020

Een ander voorbeeld betreft de tonkinstokken. In de pluktuin gebruik ik ze graag en veel, maar er gaat geen stok de grond in als die niet mooi vochtig is. Alleen dan kun je ze met gemak diep steken en dat betekent dat je je moment moet kiezen. Vorige week, na al die heerlijke regen, was zo’n perfect moment.

Ik ben voorstander van zo min mogelijk gereedschap, maar dan wel precies het goede. Het hoeft niet altijd duur te zijn. In kringloopwinkels vind je afgedankte stalen tuinharken of rieken voor een schijntje. Maar soms moet je voor kwaliteit gaan. Een schoffel behoort altijd scherp te zijn, net als de spa en de heggenschaar en de snoeischaar. Denk ook hier weer aan de luie tuinier: het gereedschap moet het werk doen. Een slechte snoeischaar geeft bovendien klachten aan de pols en dat willen we niet. Belangrijk is wel dat het scherpe gereedschap altijd schoon en droog wordt opgeborgen. Degene die een spa vuil weghangt krijgt het met mij te doen. Een oude harde borstel, desnoods een staalborstel (ook uit de kringloopwinkel), wat oude lappen om het gereedschap te drogen en klaar is Kees.

En dan het water. Op een paar plekken in mijn tuin staan bakken of regentonnen die zich vullen met gratis water uit de hemel. Die tonnen en bakken beschouw ik ook als gereedschap. Mijn favoriet is een lage zwarte kunststof kuip, een soort speciebak van zo’n 275 liter, die bij de composthoop staat. Vanaf maart vult hij zich met regenwater voor de naastgelegen pluktuin. U begrijpt het, als luie tuinier wil je niet ver lopen met volle gieters.

Tegen de tijd dat het echt heet wordt, is het regenwater opgebruikt. Dan zet ik de kuip ergens in de schaduw, maak hem schoon en laat hem vollopen met leidingwater. Zo wordt de kuip ineens een heerlijk, verkoelend badje. Niet alleen voor kinderen. Ook een volwassene kan er in, met een boekje om te lezen of een puzzeltje om te maken. Als de hitte weer voorbij is gebruik je dat water gewoon weer voor de planten. Er wordt zogezegd geen druppel verspild. Hoe anders dan een volle badkuip die je dagelijks of wekelijks in het riool laat leeglopen.

Natuurlijk is de keus voor gereedschap een puur persoonlijke. Maar wat mij betreft mag het best wat minder in plaats van meer. Voor elk klusje is er wel speciaal gereedschap te verzinnen, maar wie zit er nou te wachten op een zevenbladvorkje van bijna 70 euro? Ik niet!

Mijn tip van de dag, tot slot: keep it simple, let op uw spieren en denk toch eens na over het concept van de luie tuinier.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

kennistuin

In twee maanden tijd is het regelmaat geworden: elke dinsdag wordt Nederland door onze premier bijgepraat over de stand van zaken rond het coronavirus. Het is duidelijk dat de overheid het beleid strak in handen heeft én dat de regering zich laat bijstaan door kennisinstituten zoals het RIVM. Jaap van Dissel is in de laatste tijd een vertrouwd en vertrouwenwekkend gezicht geworden.

detail titelpagina pharmacopoea amstelredamensis

Titelpagina Amsterdamse farmacopee, detail. Uitgave 1636.

Nu staat het huidige coronavirus niet op zichzelf. Want, of we willen of niet, epidemieën horen onvermijdelijk bij het leven op deze aarde. We waren het vanwege onze welvaart al vrijwel helemaal vergeten, maar Europa is eeuwenlang gegeseld door pokken, pest, cholera en tering; telkens met hele hoge sterftecijfers en een samenleving op halve kracht.

Ik neem u mee naar het begin van de 17de eeuw, naar Amsterdam. Daar maakten artsen en apothekers zich zorgen om de staat van de gezondheidszorg en ze probeerden het stadsbestuur ervan te overtuigen om meer grip op de geneeskunde te krijgen. Zo had de stad in de eerste decennia van de eeuw bij tijd en wijle erg veel last van de pest. Alleen al tijdens de uitbraak van 1635 werden er 17.193 doden geteld. Doorn in het oog van de artsen daarbij was, ik citeer “de groote ongeregeldheid die er bij de apothekers is in ’t prepareren der medicamenten”. Ze vonden het een puinhoop: het aantal apotheken was erg groot en er was nauwelijks toezicht.  Door angst en onwetendheid hadden kwakzalvers bovendien vrij spel. Wat dat betref is er in bijna vier eeuwen niet veel veranderd, want ook nu zijn er nog van die gevaarlijke idioten die spoelingen met ontsmettingsmiddelen voorstellen.

Mais enfin. Volgens de overlevering stelde de Amsterdamse arts Nicolaas Tulp op 18 april 1635 tijdens een etentje met vakgenoten voor om een nieuw receptenboek voor geneesmiddelen op te stellen. Alle apothekers in de stad moesten zich daar dan vervolgens strikt aan houden. Tulp, die een paar jaar eerder al was vereeuwigd in dat wereldberoemde schilderij van Rembrandt, wendde zijn reputatie aan om het stadsbestuur van de noodzaak te overtuigen. Dat lukte. Met de assistentie van zes andere artsen stelde hij het boek samen en één jaar later, in 1636, werd het als standaard ingevoerd. Het boek werd bekend onder de naam Amsterdamse farmacopee (Pharmacopoea Amstelredamensis) en het bestond grotendeels uit lange lijsten recepten en planten.

detail pharmacopee p. 27

Amsterdamse farmacopee, p. 27: recept voor een hyssopsiroop.

Ziet u de parallel? Net als nu namen overheid én wetenschap destijds de gezamenlijke verantwoordelijkheid om goed voor ons te zorgen. Tulp kunnen we gerust vergelijken met Van Dissel en het Amsterdamse stadsbestuur met onze huidige overheid.

Terug naar 1636. Alle apothekers van de stad werden dus verplicht om volgens de Amsterdamse farmacopee te werken. Inspecteurs gingen aan de slag om toezicht te houden op de naleving, maar al snel bleek hoe droevig het gesteld was met het gemiddelde vakmanschap. Veel apothekers hadden moeite met latijn en met het herkennen van de kruiden en planten die de basis waren voor de geneesmiddelen. Wat had je aan een nieuw receptenboek als je geen invloed had op scholing en kennisniveau? Niet veel. De inspecteurs adviseerden om een apothekersgilde op te richten dat verantwoordelijk moest worden voor zaken als opleiding, toetsing en nascholing. Omdat plantenkennis het hoofdvak was diende het gilde te beschikken over een tuin met planten die in de farmacopee vermeld stonden. De geschiedenis leert dat het gilde er kwam, en de tuin ook.

In het voorjaar van 1638 ging hij open. Het was een echte kennistuin, want men leerde er de verschillende soorten planten herkennen en wat hun toepassing was. Gebruikte je de wortel of de bloem? Of misschien het toch het blad? Was de plant onderdeel van een samengesteld geneesmiddel of kon het ook sec gebruikt worden? Werd het uitwendig of inwendig toegepast? Het is leuk om te bedenken hoe menig student daar voorovergebogen naar planten heeft staan kijken en bij zichzelf heeft gedacht: “Hoe ga ik dat in godsnaam ooit onthouden”.

De Amsterdamse tuin heeft de pestepidemie ruimschoots overleefd. Hij ontwikkelde zich tot algemene plantentuin en kreeg al snel de naam Hortus Botanicus. De tuin uit 1638 is tot op de dag van vandaag een van de lievelingen van de stad Amsterdam. Mede dankzij zoiets naars als de pest.

Elk nadeel heb zijn voordeel, zeggen ze dan.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

We zijn er bijna

Ja, we zijn er bijna. Nog twee weken en dan is het weer gedaan voor dit jaar. Dan zitten alle bomen weer in het jonge blad.

IMG_5689

Een Ginkgo biloba loopt uit, Kerkrade, 22 april 2020.

Het is elk jaar weer een genot om te zien: de bomen die stuk voor stuk gaan uitlopen. De vroegste soorten krijgen in maart al hun blad. De berken, de beuken en de eiken volgend in april. Tegen het eind van april zit het er bijna op. Maar de allerlaatsten wachten tot in mei. Berucht in dit opzicht is de term “ambtenarenbomen”, waarmee wordt bedoeld dat sommige soorten laat in het voorjaar hun blad krijgen en het relatief vroeg weer laten vallen. (Die betiteling is een beetje een flauw grapje, want de  ambtenaren die ik ken zijn stuk voor stuk harde werkers.) Het zijn meestal bomen met samengesteld blad, zoals de es, of de doodsbeenderenboom (Gymnocladus dioica), of de noten en de vleugelnoten.

De laatste week van april bezocht ik nogal wat tuinen en parken en zo kon ik dit jaar ook de meer bijzondere soorten bekijken. Het er leek inderdaad op dat de walnoot (ook wel de okkernoot genoemd, c.q. Juglans regia), de pekan (Carya illinoinensis) en de vleugelnoten de laatsten zijn die in blad komen. Maar nee, toch niet, want sommige bomen uit de moerbeziefamilie blijken de echte kampioenen: zoals de osagedoorn, de papiermoerbezie en de zwarte moerbei. Samen met de zijdeboom (Albizia julibrissin), wel te verstaan.  Maar dat is zo’n exotische soort (voor Nederlandse begrippen dan) dat het me niet verbaast dat die lekker lang op zich laat wachten. Brrr, die vindt Nederland aan de koude kant, in feite. Wie kan hem ongelijk geven.

Elke lente kijk ik tamelijk nauwkeurig naar de opeenvolging van soorten die blad krijgen. Vreemd genoeg doe ik dat in de herfst in het geheel niet. Weliswaar let ik op de ontwikkeling van de herfstkleuren, maar ik let zelden op het moment dat een specifieke soort zijn blad verliest.  Misschien komt het omdat het geweld van de herfststormen alles door elkaar husselt. Of misschien ook gewoon omdat het dan geen lekker weer meer is en ik liever binnen zit. Maar hoogstwaarschijnlijk komt het door een herfstig gebrek aan verlangen. Dat verlangen is nu, op 30 april, onmiskenbaar aanwezig. Verlangen naar de zomer, naar zon, licht en warmte.

We zijn er bijna.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Nare tijden, rare tijden

Het zijn nare tijden. Het zijn rare tijden. We hebben met z’n allen erg veel last van Covid-19. Het nare longvirus brengt onrust, onzekerheid en soms ook groot verdriet. Geen idee hoe lang dit nog gaat duren.

IMG_5639

Allium zebdanense, Botanische tuin Kerkrade, 31 maart

Dat ik juist in de lente minder let op mensen en meer op de bomen en planten die gaan uitlopen is natuurlijk een vorm van beroepsdeformatie. Dat is een jaarlijks terugkerend fenomeen en ik lijd er bepaald niet onder. Maar dit jaar dringt zich telkens een bizarre vergelijking op: terwijl er zoveel mensen ziek worden hebben de planten, de bomen en het natuurlijke landschap volstrekt nergens last van. Nulkommanul.

Daarnet bekeek ik de NOS-site en twee berichten sprongen er wat mij betreft uit. Bericht 1: het aantal ziekenhuisopnames is sinds gisteren behoorlijk gestegen. Het lijken alleen maar cijfers maar dat is natuurlijk niet zo. Elke nieuwe ziekenhuisopname betekent een zieke medelander, zeer bezorgde familieleden en extra werkdruk bij verpleegkundigen en artsen. Bericht 2 kan niet verder van bericht 1 afstaan, maar toch horen ze allebei bij vandaag.  De NOS meldt namelijk dat de lente nog nooit zo stralend is begonnen als in de afgelopen week. De meeste zonuren ooit gemeten. En door de afwezigheid van de vliegtuigen kleurt de lucht ook nog eens extra diepblauw.

IMG_5642

Onmisbaar: Heukels & loepje

Ik ben blij dat ik niet de hele dag voor de televisie hoef te zitten. Ons verzuilde mediabestel zorgt ervoor dat iedere zich zelf respecterende omroep of zender zijn eigen aandacht besteed aan het coronavirus, met als gevolg een overkill aan informatie. Je wordt er zenuwachtig van, en angstig.

Het is een groot voorrecht dat ik gewoon kan doorwerken. Sinds eind vorig jaar ben ik verantwoordelijk voor het beheer van de levende plantencollectie van de botanische tuin in Kerkrade en dat betekent dat dat je je collectie goed moet (leren) kennen. Omdat ik nog maar net gestart ben is het nu de ultieme tijd om de planten te leren kennen en waar nodig op naam te brengen. Denk alleen al maar aan alle voorjaarsbloeiers die over twee maanden weer onder de grond zitten. Als ik ze nu niet bekijk en van naambordjes voorzie moet ik weer een heel jaar wachten.

IMG_5641

Hoe zit dat met die sporen? Botanische tuin Kerkrade, 31 maart

De tuin is voor bezoekers gesloten, het is droog en de zon schijnt. Dat betekent dat ik in alle rust kan werken. Een paar uur lang heb ik geen grotere zorgen dan het determineren van bochtig look (Allium zebdanense), het beborden van de bostulpen (Tulipa sylvestris)  of het uit elkaar rafelen van verschillende soorten viooltjes. Is dit het gewone maarts viooltje (Viola odorata)? Even kijken naar de spoor want het zou ook zomaar eens een donkersporig bosviooltje (Viola reichenbachiana) of een bleeksporig bosviooltje (Viola riviniana) kunnen zijn. Not a worry in the world, zo lang als het duurt.

Naast alle grote gebeurtenissen lijkt dit natuurlijk volstrekt triviaal, maar het werk moet toch gebeuren en ik ben blij om af en toe geconcentreerd mijn zinnen te kunnen verzetten. Een voorrecht, dus.

Bent u voorzichtig met u zelf en met anderen? Dank u wel!

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

19de eeuws spektakel

In de tuinarchitectuur staat de 19de eeuw bekend als de eeuw van de landschapsstijl. U weet wel: de stijl van de harmonische, natuurlijke lijnen en van de afwisselende wandeling. Begrijp me niet verkeerd, ik ben dol op de landschappelijke stijl, en er valt ook heel veel over te vertellen, maar soms denk ik: gaap, gaap, moeten we het daar nu weer over hebben? Want was er in de 19de eeuw op tuingebied niet veel en veel meer aan de hand? Ja zeker. Het stikte destijds van de nieuwigheden en van de trends die elkaar in rap tempo opvolgden en ze stonden vaak lijnrecht tegenover de natuurlijke harmonie die de landschapsstijl beoogt. Veel van die noviteiten waren het resultaat van uitvindingen op zowel technisch als op horticultureel gebied.  Gietijzeren kassen, rotstuinen, tuinsieraden, bruggen, fonteinen, exotische bladplanten met bontbladig, roodbladig of gefranjerd blad, een varen-hausse en onnatuurlijke kweekvormen zoals treurbomen, dwergbomen, verticale bomen of juist horizontale bomen. Allemaal uit de 19de eeuw. Zo’n mengeling van ik-weet-niet-wat-allemaal wordt in de kunstgeschiedenis ook wel eclectisch genoemd, maar wat mij betreft was het gewoon een bonte boel. Ik zou een heel jaar lang elke week kunnen vertellen over al het spektakel dat die eeuw heeft voortgebracht.

Kasteel_Vaeshartelt,_Grand_Canal_(album_P_Regout,_1860-70)

Oh’s en ah’s bij het Grand Canal, Kasteel Vaeshartelt (album P. Regout, ca. 1864) via wikimedia.

Net zo spectaculair als alle nieuwigheden was het aantal publicaties erover. Tuinboeken, populaire tijdschriften en vaktijdschriften brachten alle tuintrends voor het eerst in de geschiedenis bij iedereen in de huiskamer. Onderschat daarbij de 19de -eeuwse tijdschriften niet. Vaak in de vorm van wekelijks nieuwe katernen die je per jaar kon bundelen. Er stonden spannende verhalen in, onder meer over de natuur in verre landen, maar ook over plantensoorten of tuinbouwtentoonstellingen. Een ander nieuw fenomeen was de gedrukte kwekerscatalogus. Door middel van dergelijke catalogi konden tuinliefhebbers gratis en voor niets alle plantentrends volgen. Ook namen de zogenaamde tuinsieraden een hoge vlucht, mede vanwege invloedrijke publicaties zoals het Magazijn van tuinsieraden van Gijsbert van Laar en Les promenades de Paris van Alphons Alphand.

Een mooi voorbeeld van 19de -eeuws spektakel was het landgoed Vaeshartelt bij Maastricht. In 1851 kwam het – tot dan toe tamelijk agrarische – landgoed in bezit van industrieel Petrus Regout. De eerste tien jaar gebruikte Regout het landgoed als buitenverblijf. Aan de Duits/Belgische landschapsarchitect Jean Gindra gaf hij de opdracht om een landschappelijk park aan te leggen. Gindra ontwierp inderdaad een park met vijver dat enigszins in harmonie met de omgeving was. Maar toen Regout zich permanent op Vaeshartelt vestigde, veranderde hij het park binnen een paar jaar in een indrukwekkende schouwspel van follies, vijvers, fonteinen, bloemperken, exotische planten en prieeltjes. Het park was nadrukkelijk bedoeld om bewonderd te worden en het werd opengesteld voor bezoekers. Ik stel me zo voor dat het publiek van de ene verbazing in de andere viel. Net zoals je voor het eerst Disney World binnenstapt.

Regout was trots op zijn schepping, dat kan niet anders. Hij liet het park vereeuwigen in een kostbaar album dat hij in Parijs liet maken. Maar…. zo snel als het parkspektakel Vaeshartelt was ontstaan, zo snel was het ook weer weg. 15 jaar duurde het sprookje. Na de dood van Regout, in 1878, verdween de aanleg als sneeuw voor de zon. Wat overbleef was het album en dat is maar goed ook. Want de prenten laten vandaag de dag zien dat het in zijn korte bestaan verbluffend moet zijn geweest.

Mocht u zich dit weekend even los kunnen weken van het WK-schaatsen in Salt Lake City, dan stel ik voor dat u een kijkje neemt op de website http://www.erfgoedvaeshartelt.nl. Daar kunt u het album van Regout digitaal te bekijken. Net als de bezoekers van destijds zult ook u verbaasd en verrast zijn. Het is echt 19de eeuws Maastrichts spektakel.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Clivia

Clivia_miniata_(BG_Zurich)-06

Clivia miniata, Botanische Tuin Universiteit Zurich, Bron: Wikimedia, GNU Free Documentation License

We zijn in blijde verwachting van alle kleuren die de bol- en knolgewassen dit voorjaar gaan brengen. De sneeuwklokjes zijn al in bloei, een enkele vroege krokus ook al, maar eigenlijk is het nu wachten op de echte uitbarsting van de lente. Ik werk al lang in tuinen en elk jaar zie ik de bezoekers gedurende die eerste lentedagen de zon en de kleuren van de bloemen letterlijk opzuigen, alsof alles opnieuw geboren wordt en men voor het eerst sinds lang weer diep kan ademhalen. Ik vind het altijd een van de meest feestelijke momenten van het jaar.

We zijn echter zo gewend aan ons standaard assortiment van krokussen, tulpen, narcissen en scilla’s dat je bijna zou vergeten dat er wereld van knol-en bolgewassen is die we niet of nauwelijks kennen.

Onze voorjaarsbloeiers, zoals sneeuwklokjes, tulpen, hyacinthen, narcissen, blauwe druifjes, zijn afkomstig uit voornamelijk vier plantenfamilies: de leliefamilie (Liliaceae), de irisfamilie (Iridaceae), de narcisfamilie (Amaryllidaceae) en de aspergefamilie (Asparagaceae). Deze families zijn behoorlijk wijdverspreid over de aardbol. Het zijn niet alleen bolgewassen, maar ook knolgewassen, en planten met vlezige wortels cq wortelstokken. Allemaal met reservevoedsel in hun ondergrondse delen, dus. Dat reservevoedsel is nodig voor hun typische jaarlijkse cyclus van korte groei, bloei en zaadvorming en lange rust, c.q. stilstand. Gedurende die rustperiode blijven sommige soorten bovengronds, maar veel soorten gaan ondergronds.

De Lage Landen kennen van nature weinig voorjaarsbloeiende bolgewassen. De meeste van onze lentebloeiers zijn eeuwen terug uit andere delen van de wereld – voornamelijk uit Europa en Eurazië – mee hier naartoe genomen  (bollen zijn o zo makkelijk te vervoeren) en in onze tuinen en parken aangeplant. Het zijn bolgewassen die van oorsprong in andere (vaak meer extreme) omstandigheden groeiden, en in ons klimaat enigszins kunnen gedijen.

Maar er zijn ook genoeg soorten uit bovengenoemde families die ons klimaat helemaal niet prettig vinden. Ze kunnen bijvoorbeeld niet tegen vorst, of tegen veel regen of tegen een gebrek aan licht. Zuidelijk Afrika bijvoorbeeld staat bekend om zijn enorme variatie aan bol- en knolgewassen. Dat zijn allemaal bolgewassen die het in Nederland buiten niet zouden redden. Het zuidelijk deel van het Afrikaanse continent is één van de plekken op aarde met een uitzonderlijk grote plantenrijkdom (we noemen dat soort plekken ook wel biodiversity hotspots). Veel van deze bollen en knollen kunnen wij best wel kweken, maar niet buiten in de tuin. Je moet ’s winters beschikken over een koele, lichte ruimte binnenshuis of over een koele kas, want anders lukt het niet.

Gespecialiseerde bollenkwekers bieden soms mooie soorten aan en als je er plek voor hebt en je hebt een beetje groene vingers: probeer ze dan gewoon eens uit.  Zuid-Afrikaanse bollen beginnen hun groeiseizoen in onze herfst. In de zomer hebben ze droog, koel, goed geventileerd en donker in papieren zakken liggen wachten totdat ze rond oktober in potten kunnen worden aangeplant. Niet in plastic potten, wel in terracotta potten. En met een grofzanderig mengsel. De meeste bolletjes houden namelijk van goede drainage. Één keer goed water geven en daarna pas weer als de groei zichtbaar is. Na de bloei sterft het bovengrondse deel af en neemt het watergeven af, tot het volledig stopt. Wanneer de potjes volledig zijn ingedroogd kunnen de bolletjes verzameld worden en opgeslagen tot de volgende herfst.

De freesia en de gladiool kennen wij als de snijbloem, maar in feite zijn het twee geslachten van Afrikaanse bolgewassen. De Freesia’s en gladiolen die wij van de markt kennen zijn groot-groter-groots: zo kom je ze in de natuur niet tegen. De wilde soorten, of variëteiten die dicht bij wilde soorten staan, zijn honderd maal eleganter qua geur en bloei. Als bijvoorbeeld de Freesia alba in september wordt opgepot, dan bloeit hij in januari, met een heerlijke geur en een prachtige tekening. De gladiool komt met méér dan honderd soorten voor in Zuidelijk Afrika. Bekijk ze maar eens op de schitterende website van de South African National Biodiversity Institute. Je kijkt je ogen uit.

Veltheimia en Lachenalia, twee geslachten  uit de leliefamilie, zijn ook soms in Nederland te krijgen. Lachenalia-soorten bloeien wat eerder (soms al in november) en Veltheimia-soorten wat later. Kweek ze vooral in pot op.

De narcisfamilie is niet alleen de familie van narcissen, maar ook van de  uien, de knoflook, de sneeuwklokjes, lenteklokjes en zomerklokjes. Zuid-Afrikaanse familieleden zijn onder andere Tulbaghia (Zuid-Afrikaanse knoflook), Nerine, Haemanthus, Agapanthus en Clivia. Deze laatste, een volledig uit de mode geraakte plant, is mijn favoriet. Net als Agapanthus heeft Clivia geen bollen maar vlezige wortelstokken. De clivia is wintergroen en dus verdwijnt hij in zijn rustperiode (zomer en herfst) niet onder de grond. Hij kan wat warmer staan dan andere Zuid-Afrikaanse bollen en is daardoor perfect voor huiselijk gebruik. In de zomer kan hij gerust naar buiten (op een schaduwrijke en niet te natte plek). De clivia wordt jaarlijks tot bloei geforceerd door aan het eind van de herfst eerst te stoppen met watergeven en vervolgens, vanaf nieuwjaar, het watergeven redelijk royaal op te pakken. Let wel op dat onder in de (terracotta) pot geen water blijft staan want de vlezige wortels rotten snel. In februari/maart wordt je dan beloond met grote schermen fel oranje bloemen. Wat een kleur in de wintertijd! Het is al weer een aantal jaar geleden dat ik ze in maart zag bloeien in Paleis het Loo. In mijn herinnering stonden overal, op de gangen en in de kamers, grote potten oranjebloeiende clivia’s. Ik ben het nooit vergeten en wat mij betreft kan het Huis van Oranje zich geen betere en makkelijkere plant wensen.

 

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

De volgende generatie

Vandaag is het precies zeven dagen geleden dat onze astronomische winter begon. De koudste dagen liggen voor ons. Wat zal de winter brengen? Een stabiel hogedrukgebied met koude oostenwind en wolkeloze vriesluchten? Bomen en planten beschermd door een laagje sneeuw of juist kaal blootgesteld aan de venijnige oostenwind? Of houden we deze winter een westelijke stroming met veel neerslag. “Regen, regen, allerwegen”, om met de woorden van dichter Jan Hanlo te spreken?

Sneeuw,_boodschappen_doen_in_Amsterdam,_een_autobezitter_maakt_met_schep_auto_sn,_Bestanddeelnr_918-7754

Bron: Nationaal Archief

We weten niet wat er komt, maar één ding staat vast. Is de winter te zacht of juist te streng, dan wordt het door velen toegeschreven aan de klimaatverandering, liefst gecombineerd met onheilsgedachten. Nee, het gaat niet goed met de wereld en dat is heel griezelig.

 

Regen_in_Amsterdam_fietsers_in_de_regen,_Bestanddeelnr_927-3046

Bron: Nationaal Archief

Ho ho, ho, gaat dat niet een beetje snel? Het klimaat gaat over langjarige gemiddelden, dus over verschuivingen op de lange duur. Die meet je niet zo maar in een paar jaar. Op mijn werk krijg ik regelmatig vragen en bezorgde blikken over hoe dat nou zit met de opwarming van de aarde en wat dat betekent voor de natuur. Tja, ik weet het ook niet precies. Ik zie de natuur als een proces, voortdurend veranderend en voortdurend op zoek naar evenwicht. Als een zee die deint, met grote stromingen en hele kleintjes. Waarbij wij mensen kampioen stoorzender zijn. Natuur is inherent aan beweging en de bewegingen die ik de afgelopen jaren buiten in de tuin of in de natuur zag, zie ik puur als onderdeel van dat grote proces. Maar in paniek raken? Nee, waarom zou ik.

Toch verschuift er wat. Ik ben dit jaar zestig geworden, dus al best oud, en mijn grote Limburgse familie kent een omvangrijke volgende generatie. Dertig neven en nichten die allemaal twintiger of dertiger zijn. Wanneer ik met ze spreek – vooral met de twintigers – valt me op dat het klimaat zonder enige twijfel hun belangrijkste en meest urgente zorg voor de toekomst is.

Ze zijn stuk voor stuk uitstekend op de hoogte en kunnen heel goed oorzaak van gevolg scheiden. De opwarming van onze aarde en de klimaatverandering als gevolg; en alle troep die wij onze atmosfeer in pompen als oorzaak. Wat ik zelf het meest zorgelijke vind aan de klimaatdiscussie is a) de schijnbare onaantastbaarheid van het economische groeimodel en b) het gemak waarmee resultaten van wetenschappelijk onderzoek door sommige politici, niet vrij van opportunisme, als nepnieuws worden weggezet. Ontkennen, negeren, politiseren. Daar wordt niemand beter van, maar het is wel de realiteit.

Ik heb de wijsheid niet in pacht. Klimaat en uitstoot is uiterst ingewikkelde materie, en bij vragen en bezorgde gezichten verwijs ik altijd naar ons onvolprezen KNMI. Zij houden de statistieken bij, vergelijken data en werken samen met alle internationale onderzoeksinstituten die ertoe doen. Paniek heeft weinig zin, en somberheid helpt ook niet. Registreren mijns inziens wel.

Geen idee wat het deze winter gaat worden. Misschien wordt het plus twintig, misschien wordt het min twintig. Ik kijk altijd graag naar het gedrag van de planten. Is de gele kornoelje al aan het bloeien? Jee, da’s wel héél vroeg. Is er nog steeds geen speenkruid boven de grond? Nou, da’s laat.

Persoonlijk ben ik ervan overtuigd dat observeren en het vergaren van kennis onmisbaar zijn bij de zorg voor de toekomst van onze planeet. Verander de wereld, begin bij jezelf. Elke week buiten een rondje lopen en m’n ogen gebruiken. Maar misschien moet ik in het komende jaar maar eens een extra stap zetten en een keer mee gaan lopen in een klimaatdemonstratie. Als ik de neven en nichten, kinderen en kleinkinderen serieus wil nemen, dan kan ik daar eigenlijk niet omheen. Ik wens speciaal de jongere generaties een heel goed jaar toe.

 

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

In de mode

IMG_5236

Afbeelding | Geplaatst op door | Een reactie plaatsen