Column

Met het overlijden van Ger Houben, presentator van Limburgs Land, eind mei 2018, kwam een eind aan het leukste tuin- en natuurprogramma van Nederland. In de afgelopen jaren waren mijn columns een keer per maand een vast onderdeel van zijn programma. Ik heb er met zo veel plezier aan gewerkt dat ik besloten heb om door te gaan met schrijven. Dus ook in de komende tijd zal aan het eind van elke maand op mijn homepage een nieuwe tekst worden gepubliceerd.

Er valt immers nog zo veel te vertellen.

Advertenties
Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Een mooi vak, deel 2

John Bergmans in de Mijnstreek

Hij had een vader die rond het fin de siècle werkzaam was als tuinbaas op de rijke buitenplaatsen rond Antwerpen en hij bracht zijn kinderjaren dus door tussen kruiwagens en snoeimessen, tussen boomgroepen, gazons en vijvers, tussen kassen en composthopen, tussen rozenperken en eenjarigenbedden. Dan is de kans verdraaid groot dat je besmet raakt met een passie voor planten.

Over wie ik het heb? Over John Bergmans. Belg, plantenman-bij-uitstek, auteur en ontwerper die, naast al zijn andere werk, decennialang zijn stempel drukte op alles wat groen kleurde in de Limburgse Mijnstreek. Begin januari verscheen over hem een zeer leesbare en uitstekend gedocumenteerde monografie.

kolenmijnen_limburg2c_bestanddeelnr_901-1068_november1945nationaalarchief

Werken in een Zuid-Limburgse kolenmijn, november 1945. Bron: Nationaal Archief.

Bergmans werd in 1892 in Antwerpen geboren en op 15-jarige leeftijd ging hij in de leer in de plantentuin van Antwerpen en volgde drie jaar lang lessen over plantkunde. Op zijn 18de trok hij naar Frankrijk, leerde het vak van de planten-vermeerdering en keerde vervolgens terug naar Belgïe om in Gent plantkunde te gaan studeren. Het uitbreken van de eerste wereldoorlog deed hem naar Nederland vluchten, waar hij in eerste instantie – boven de grote rivieren – bij een hele trits gerenommeerde kwekers werkzaam was. Hij ontmoette zijn latere echtgenoot Coby, die zijn passie ging delen en zich aanmeldde voor de Tuinbouwschool voor Meisjes in Rijswijk. Vanuit zijn plantaardige achtergrond ging hij schrijven. Hij publiceerde een tiental fantastische plantenboeken en schreef in de loop van zijn leven honderden artikelen voor vakbladen. Het boek “Vaste planten en rotsheesters” uit 1924 werd zijn bekendste werk. Naast het schrijverschap ontwikkelde hij zich als ontwerper en in 1927 vestigde hij zich samen met zijn Coby in Oisterwijk. Hun gezamenlijke droom, de vestiging van een eigen kwekerij en een daaraan verbonden een bureau voor tuinarchitectuur, werd daar werkelijkheid.

In totaal ontwierp John Bergmans tijdens zijn lange loopbaan zo’n 900 tuinen in Nederland, België, Luxemburg, Frankrijk en Duitsland. De Mijnstreek, waar tot dan toe nauwelijks sprake was geweest van een groene ontwerppraktijk, werd voor hem een belangrijk werkterrein, met name in de wederopbouwjaren. Zijn opdrachtgevers waren De Staatsmijnen, particuliere mijnondernemingen, plaatselijke notabelen, de r.-k. kerk en gemeentelijke overheden. In totaal werkte hij in de Mijnstreek aan circa 170 projecten. Van deze projecten worden nog steeds ontwerptekeningen bewaard bij de afdeling Speciale Collecties van de bibliotheek van de Wageningse Universiteit. Het zijn fraaie, zorgvuldige tekeningen en ik vind dat ze op de een of andere wijze iets liefdevols uitstralen.

cb65246

De Botanische Tuin Kerkrade rond 1938.

Tijdens de boekpresentatie werd de Botanische Tuin van Kerkrade door de auteurs als een hoogtepunt uit Bergmans’ oeuvre omschreven. Iedereen die deze tuin van dichtbij kent weet met hoeveel kennis en kunde hij de tuin ontwierp en inrichtte. Het ging daarbij niet alleen om de vorm: een fraaie landschappelijke aanleg met de wandeling langs gevarieerde plantvakken. Het ging ook om de inhoud en het lijkt wel alsof hij met zijn assortimentskennis volledig los kon gaan: binnen tien jaar na de opening van de tuin bestond de collectie uit een groot aantal soorten en variëteiten, bomen, heesters, vaste planten en bolgewassen, alles nauwkeurig gedocumenteerd. Niet voor niets heeft deze tuin vandaag de dag de status van Rijksmonument.

Maar laten we toch vooral ook nog even verder kijken. De oeuvrelijst in de monografie leest als een staalkaart van de economische groei in de Mijnstreek. De tuin bij het Centraal Laboratorium van De Staatsmijnen, villatuinen van het hogere kader van de Oranje-Nassaumijnen, tuinen bij andere mijndirectiekantoren, tuinen bij ingenieurswoningen, een tuin bij een gezellenhuis, parken en plantsoenen, de groenaanleg bij talrijke nieuwbouwcomplexen, de groenaanleg rond zwembaden en tennisparken, tuinen bij kerken, kerkhoven, privétuinen van burgemeesters en andere notabelen. Noem maar op. De ontwerpen van Bergmans tonen nu hoe zorgvuldig er toen werd gewerkt aan – en geïnvesteerd in – de ontwikkeling van de Oostelijke en Westelijke Mijnstreek. Het was, hoe dan ook, een bijzonder tijdperk.

Als geboren Heerlense snap ik werkelijk niets van het feit dat alles wat met het mijnverleden te maken had decennialang doelbewust is weggepoetst. Onze cultuurgeschiedenis vergt hernieuwd graafwerk zodat het, net als de kolen, lorrie voor lorrie, weer het daglicht ziet. De monografie over Bergmans als goed gevulde lorrie. Petje af en glückauf!

Johanna Karssen-Schüürmann en Marianne van Lidth de Jeude, John Bergmans (1892-1980) Tuinarchitect en plantenkenner, onderdeel van de BONAS-reeks, 372 blz., Uitgeverij Verloren, Hilversum, 2019.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Klein geluid

roodborstje2

Afbeelding | Geplaatst op door | Een reactie plaatsen

Een mooi vak, deel 1.

Wat is de tuin toch een prachtig vakgebied. Het verrast me elke keer weer opnieuw. Het is theoretisch, filosofisch, historisch, maar ook praktisch, fysiek en zintuiglijk. En dat allemaal tegelijkertijd.  Je bent op een plek, je kijkt rond en vele dimensies gaan voor je open. Het is een overdonderende rijkdom.

20181120_154142 (2)

Het hoogste terras van de Hortus Palatinus, Heidelberg, november 2018

Dit verhaal begint in Heidelberg. Daar was ik vorige week, op een kille, mistige novemberdag. We hadden ons bezoek niet voorbereid en lieten ons verrassen door wat we tegenkwamen. Het oude centrum van de universiteitsstad Heidelberg is behoorlijk ongeschonden door de Tweede Wereldoorlog gekomen. Het ligt gaaf aan de voet van de steile oever van de Neckar, met alles wat je je bij een oude Duitse stad voorstelt: torenspitsen, stadspoorten, een oude brug en gemütliche straatjes, pleintjes en huizen. En het wemelt van de jonge studenten. Wat wil een mens nog meer?

Nou, we wilden meer, want hoog boven dit alles torent het ruïneuze Schloss Heidelberg. Dit slot wordt door de toeristensector aangeprezen als de meest romantische kasteelruïne ter wereld, een ietwat twijfelachtige eer wat mij betreft. Ik denk dan al gauw aan zuurstokroze romantiek en daar heb ik geenszins trek in. Maar vooruit, we schoven het woord ‘romantisch’ terzijde en gingen toch de steile berg op, richting het slot. De ligging van het complex van kasteel en tuinen, als een enorm machtsblok boven stad en rivier verheven, met uitzicht richting het Rijndal, bleek adembenemend.

Hortus_Palatinus_und_Heidelberger_Schloss_von_Jacques_Fouquiere

Hortus Palatinus 1620, door de Vlaamse schilder Jacob Facquier. Hij gebruikte een van de kopergravures van Merian als basis voor dit schilderij.

De tuinen van Schloss Heidelberg ken ik onder een andere naam, namelijk die van Hortus Palatinus. De Hortus Palatinus is onder tuinhistorici een begrip, maar veel verder komt zijn faam niet. Ook in Heidelberg kwam ik de naam vrijwel nergens tegen. Dat is onbegrijpelijk, want het was een van de eerste renaissancetuinen van Noordwest Europa, met een verbluffend rijke inrichting. De Hortus Palatinus was een grote inspiratiebron voor alle renaissance- en baroktuinen die in dit deel van Europa zouden volgen, ook al werd de aanleg nooit helemaal voltooid.

20181120_154456

Hortus Palatinus, Heidelberg, november 2018.

Natuurlijk kende ik de schitterende prent uit 1620 maar ik verkeerde in de veronderstelling dat er weinig meer van over was. Nu stonden we er ineens midden in. De plattegrond, de ligging, de terrassen, trappen en balustrades, het uitzicht: alles was volstrekt herkenbaar. Op de plek van de vroegere gecompliceerde parterres, de loofgangen, de kunstige waterwerken en het doolhof liggen nu uitgestrekte, vormvaste gazons, met hier en daar een schitterende, monumentale boom of een lege fontein. Niks mis mee. De tuin rook naar de frisheid van de herfst en de strakke, grotendeels lege ruimtes nodigden uit tot fantaseren over wat er hier allemaal heeft plaatsgevonden.  Ik vond het wezen van de tuin glorieus present, ondanks –of dankzij? – het feit dat alle versierselen zijn verdwenen.

Eenmaal thuisgekomen werden boeken en internet erbij gehaald. En de tuin groeide verder, in al zijn dimensies. Om er een paar te noemen:

  • De dimensie van de tijd: de Hortus Palatinus werd in opdracht Frederik de Vijfde ontworpen en aangelegd. Frederik V was keurvorst van de Palts, in die tijd een keurvorstendom binnen het Heilig Roomse Rijk, met gebieden aan beide zijden van de Rijn. De tuin, die vanaf 1616 werd aangelegd,  was bedoeld als geschenk voor zijn vrouw, Elizabeth Stuart. Frederik V, kleinzoon van Wille van Oranje, speelde een hoofdrol in het eerste decennium van de Dertigjarige Oorlog, U weet wel, die oorlog die zoveel dood en verderf zaaide, niet alleen in Europa, maar ook wereldwijd en waarover recent zo’n prachtig leesbaar boek is verschenen.
  • De dimensie van ontwerp en ontwerper: het ontwerp van de tuin was van de hand van Salomon de Caus, een van oorsprong Franse ingenieur, natuurkundige én tuinarchitect. Hij begon in 1616 met de aanleg en moest in 1620 zijn werk staken vanwege de zwarigheden van de oorlog. Hij liet een rijk geïllustreerd boek na over zijn werk aan de Hortus Palatinus, met kopergravures van Mattheus Merian. Tegenwoordig kan iedereen zich verbazen over de technische hoogstandjes die hij in de tuin toepaste, want het boek is vrijelijk te downloaden, met vriendelijke dank aan de Universiteit van Heidelberg.
  • De dimensie van de ideële wereld: renaissancetuinen worden tegenwoordig omschreven als gecultiveerde toevluchtsoorden van opperste beschaving, gedragen door intellect, hovenierskunst en een elitair mensenbeeld, een oord waarin het slijk van de aarde is weggepoetst en de menselijke ziel op het hogere wordt voorbereid. Niet een goddelijk paradijs, maar – naar voorbeeld van de klassieke oudheid – een aards, intellectueel paradijs. Het neemt ons mee naar de wedergeboorte van de klassieke oudheid en de zelfstandig denkende mens.

Zo ligt de wereld aan onze voeten. Zo maar, op een kille, mistige novemberdag.

 

 

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Een bolchrysant en een lichtje

Ik woon in een dorp in het Heuvelland, op een steenworp afstand van de kerk en het kerkhof. De laatste dagen is het er een komen en gaan van auto’s. Steevast stappen ietwat oudere echtparen uit en gewapend met een bloemstukje – meestal een bolchrysant – en een kaarsje lopen ze het kerkhof op. Want overmorgen is het zo ver. Dan is het twee november, het feest van alle zielen.

IMG_4199 (2)

Een bolchrysant op het kerkhof, Vijlen, 31 oktober 2018

De rooms-katholieke kerk leert dat zielen van overleden gelovigen zondig zijn. De ene ziel heeft weliswaar meer zonden op zijn geweten dan de andere maar voor allemaal geldt dat ze zich, in afwachting van het moment dat ze de hemel daadwerkelijk kunnen betreden, in het vagevuur bevinden. Door te bidden kunnen de levende gelovigen de zielen een handje helpen om hun schulden te verlichten en hun tijd in het vagevuur te verkorten.

Legio vragen liggen voor de hand: “Hoezo ALLE zielen? Hoe zit het met de ongelovigen? Waar loopt de grens tussen gelovig en ongelovig? En wie bepaalt dat?” Hoewel ik zelf ben opgegroeid als een r.-k. meisje in r.-k. Roermond, ben ik ervan overtuigd dat ik momenteel buiten de boot val. Dat vind ik helemaal niet erg, behalve dan op één enkel vlak. Ik wil later namelijk óók een bolchrysant en een graflichtje.

Er was een tijd dat ik de pest had aan alle vormen van chrysanten, in het bijzonder de spinchrysant. Mijn moeder had een hekel aan die bloemen –ze hield van rozen – en toch presteerde mijn vader het om haar elke verjaardag een grote bos lichtgele spinchrysanten te geven. Tja, dat was natuurlijk niet zo slim. Later, toen mijn moeder niet meer leefde en ik een stiefmoeder had, kon mijn vader het niet meer fout doen. Mijn stiefmoeder was namelijk dol op chrysanten en ik weet nog dat ik haar vol ongeloof vroeg: “Maar waarom dan?” en dat ze antwoordde : “Ze staan zo lekker lang“. In mijn romantische puberwereld, waarin esthetiek een belangrijke plek had, gruwde ik van een dergelijk nutsprincipe.

Toch heb ik de chrysant met het voorbijgaan van de jaren leren waarderen. Elke meimaand plant ik tegenwoordig stekjes van zowel grootbloemige chrysanten als troschrysanten in allerlei kleuren. Als rechtgeaarde kortedagplanten gaan ze pas over tot de vorming van bloemknoppen als de dagen significant korter worden. In de loop van september dus. Dit betekent dat de chrysant pas gaat bloeien op het moment dat de meeste andere planten aan het afsterven en het wegrotten zijn. Over een perfecte Allerzielenbloem gesproken…….

In het chrysantenspectrum nemen de bolchrysanten een aparte plek in. Ze worden in pot opgekweekt en door middel van kunstmatige verduistering worden de planten al in juli, in het midden van de zomer, geforceerd om bloemen aan te maken. Vanaf eind augustus komen ze massaal op de markt. Maar waarom in ’s hemelsnaam? Wat hebben de chrysanten in de zomer te zoeken? Niets! Nee, pas op een gure novemberdag, vol dood en verderf, is de rode, paarse, gele, roze, witte of oranje chrysantenbol in zijn element.

1839_Waldmüller_Am_Allerseelentag_anagoria

Ferdinand Georg Waldmüller, Am Allerseelentag, 1839

Ik vind Allerzielen een fijn feest: de zielen van de dierbare doden zijn dicht bij ons, of ze tijdens hun leven gelovig waren of niet, dat maakt niet uit. Zij kunnen niet bij ons op bezoek komen, en daarom gaan we bij hen op bezoek en versieren we hun graven met bloemen. Liefst zoveel mogelijk. Het is niet griezelig, zoals bij Halloween, maar juist een beetje knus.  Met Allerzielen kunnen er wat mij betreft niet genoeg bolchrysanten op het kerkhof staan. Samen met de graflichtjes, natuurlijk. Ik hoop er ook op, later.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Kastanjes

Deze week liep ik in een park in Roermond en daar kwam ik een oma tegen, met haar kleindochter aan de hand. Het meisje – ze was een jaar of zes, zeven – had een plastic tas bij zich en getweeën tuurden ze op de grond. Ze waren iets aan het zoeken, maar uit hun lichaamstaal kon ik opmaken dat ze het niet konden vinden. Ik vroeg waar ze naar op zoek waren (een bril misschien, of verloren sleutels?), maar toen zei het meisje: ‘Kastanjes’.

IMG_4095 (2)

Bolsters en vruchten van de witte paardenkastanje (links) en de tamme kastanje (rechts). Vijlen, 30 september 2018

‘Ha!’, dacht ik: ‘Dat is mooi!’ Zoektochten – en zeker zoektochten van kleine meisjes – moeten liefst uitlopen op een mooie vondst, want anders ligt frustratie op de loer. Ik wist dat er in de directe omgeving geen enkele kastanjeboom te vinden was en dus wees ik ze op een exemplaar dat een paar honderd meter verderop stond. Dáár zouden ze vast iets kunnen vinden.

Lang geleden, in datzelfde Roermond, was het elke herfst raak. Mijn favoriete bomen stonden op de hoek van de Hertenerweg en de Roerderweg, zo’n twee kilometer van huis. Ver weg voor een kleine meid en ik durfde mijn moeder dan ook niet te vertellen waar ik naar toe ging. Dagen van te voren plande ik mijn trip, waarbij het me meer ging om het avontuur van het rapen, zo ver van huis, dan om de kastanjes zelf. Ik weet nog dat ik eens terugkwam met goedgevulde zakken en dat mijn moeder vroeg waar ik ze geraapt had. ’O, vlak bij’, antwoordde ik zo achteloos mogelijk, maar achteraf bezien heb ik niet de illusie dat mijn opmerkzame moeder me niet door had.

De kastanjes die ik daar op dat kruispunt raapte waren niet eetbaar. Ik kende het verschil nog niet tussen de eetbare tamme kastanje en de niet eetbare paardenkastanje. Een kastanje was een kastanje en het ging immers om het rapen. Pas later leerde ik dat ze weliswaar allemaal kastanje worden genoemd en dat ze allemaal in stekelige bolsters zitten, maar dat sommige van die gladde, bruine, glimmende vruchten wel eetbaar zijn en andere niet. Het is best vreemd dat vruchten die zo op elkaar lijken afkomstig blijken te zijn van bomen die zo van elkaar verschillen.

De niet-eetbare kastanje is de vrucht van de witte paardenkastanje (Aesculus hippocatanum, marronnier commun, gemeine Rosskastanie. Hij is te bitter om te eten. De soort werd rond de 17de eeuw als sierboom vanuit de Balkan in Noordwest Europa geïntroduceerd. De eetbare kastanje is de tamme kastanje (Castanea sativa, châtaignier, Edelkastanie), oorspronkelijk afkomstig uit de gebieden rond de Middellandse Zee. De Romeinen, zo kien op smaakvolle nutsgewassen, namen de soort tweeduizend jaar geleden al mee naar onze streken.

De bladeren konden niet méér verschillend zijn. Bij de een staan ze verspreid en bij de ander zijn ze tegenoverstaand. De bladeren van de paardenkastanje zijn vijf- of zevenvingerig en in de winter verteren ze snel. De bladeren van de tamme kastanje zijn enkelvormig en langwerpig, met scherp gezaagde randen en ze verteren maar heel, heel langzaam. In mijn tuin hebben de bladeren van de tamme kastanje de neiging om de hele winter door met alle winden mee te waaien en alle hoeken van de tuin aan te doen, waar ik ze dan in het voorjaar, volstrekt onverteerd, tussen de vaste planten uit moet vissen.

IMG_4099 (2)

De ronde vrucht van de witte paardenkastanje (links) en de afgeplatte vrucht van de tamme kastanje, inclusief wit pluimpje (rechts). Vijlen, 30 september 2018.

De bloeiwijzen verschillen, de bolsters verschillen, de basten, de knoppen, het aantal vruchten per bolster, ga zo maar door. Omdat ik nutsgewassen tien keer interessanter vind dan siergewassen gaat mijn hart uit naar de tamme kastanje. Daarom staat er een in mijn tuin. Dit heeft als gevolg dat ik tegenwoordig niet meer op avontuur hoef te gaan om te rapen, wat best jammer is. Het avontuur zoek ik nu in het experimenteren met recepten voor kastanjepuree. Van tamme kastanjes natuurlijk, hoewel de puree – verwarrend genoeg – door de Fransen en Duitsers respectievelijk crème de marrons en Maronencreme genoemd. Maar, gezoet of ongezoet: de kastanje blijft een van de grote geneugten van de herfst.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Koekjes en chocola

Wist u dat Jac. P. Thijsse, onze nationale volksopvoeder op het gebied van flora en fauna, midden in Maastricht het levenslicht zag?  Het was in 1865 en zijn geboortehuis stond vlak bij de Helpoort, naast de voormalige Minderbroederskerk. Drie jaar woonde hij er, totdat het gezin Thijsse achtereenvolgens naar Grave in Brabant, Woerden in Zuid-Holland en tot slot naar Amsterdam verhuisde.

rampa001_31-8-2018_14-09-08.1 (2)rampa001_31-8-2018_14-36-31 (3) rampa001_31-8-2018_14-09-08.1 (3) rampa001_31-8-2018_14-36-31 (2)

Het verhaal is bekend: Jac  P. Thijsse bezocht in Amsterdam de kweekschool en trof daar fantastische leraren; hij haalde zijn eerste onderwijzersdiploma’s, klom vervolgens op in de hiërarchie van het onderwijsstelsel en werd hoofd van de Openbare School aan de Amsterdamse Passeerdersgracht; in 1893 vonden Jac. Thijsse en collega-schoolhoofd Eli Heimans elkaar in hun passie voor wandelen, voor de natuur en voor het natuuronderwijs en dat was het begin van een uiterst productieve vriendschap.

Via hun schrijfwerk, soms als coauteurs, soms ieder apart, enthousiasmeerden ze decennia lang heel Nederland voor de natuur en daarmee stonden ze aan de wieg van de natuurbescherming. Hun bekendste gezamenlijke werk was de eerste geïllustreerde Flora van Nederland, een determinatieboek dat ook voor leken en amateurs heel bruikbaar was. Maar het meest toegankelijke werk was ongetwijfeld de serie Verkade-albums die Thijsse zonder Heimans schreef.

“Ze hebben me nu gevraagd om te schrijven voor de reclame. Dat doe ik vast niet.”, zei hij volgens de overlevering in 1905 tegen zijn vrouw toen hij door de firma Verkade was gevraagd om mee te werken aan hun nieuwe promotiecampagne. In eerste instantie was hij dus niet erg enthousiast, maar toen hij besefte dat hem de gelegenheid werd geboden om zijn liefde voor de natuur aan een breed publiek uit te dragen, ging hij overstag. Bovendien had de directie hem duidelijk gemaakt dat zij hoge kwaliteitseisen stelden aan zowel vorm als inhoud van de albums en dat voor elk album een groot aantal plaatjes in kleurendruk zou worden gemaakt. Dat was iets heel bijzonders voor die tijd.

rampa001_31-8-2018_16-57-00 (2)


In den zomer van 1928 hebben wij een heel sterke intocht gehad van Oranje Luzernevlinders (93), In Zuid-Limburg wemelde het er van en ik heb ze toen heel mooi bezig gezien op de Ruige Anjers (93), die daar nogal veel groeien langs de Zuidgrens“. Uit het Verkade-album De Bloemen en haar Vrienden, 1934.

Voor Verkade had de campagne niet alleen te maken met winst, maar ook met de verspreiding van kennis over de flora en fauna van Nederland. Daarmee sloot Verkade slim aan bij de grote behoefte aan voorlichting over natuur, landschap, planten en dieren die begin vorige eeuw als reactie op de toenemende industrialisatie was ontstaan.

Ook vandaag nog staat de Verkadecampagne te boek als een van de grootste en succesvolste Nederlandse reclamecampagnes ooit. Tussen 1906 en 1940 werden 27 albums uitgegeven, in eerste instantie ieder jaar één. De meeste albums werden door Thijsse geschreven, maar vanaf 1925 werden voor sommige onderwerpen ook wel andere auteurs aangetrokken. Er werden zo’n 30 miljoen plaatjes verspreid en maar liefst 3,2 miljoen albums gingen over de toonbank. De formule was als volgt: in de verpakkingen van beschuit, koek, biscuit, paneermeel, toffee en chocola werden plaatjes gestopt. Die kon je verzamelen en in een album plakken. De plaatjes waren gratis, maar voor het album moest je extra betalen, eerst 75 cent, later 1 gulden.  Vanwege de hygiëne werden de plaatjes op gegeven moment vervangen door bonnen die je kon omwisselen voor plaatjes.

De albums werden vergezeld van tips over het sparen, over de lijm die je het best kon gebruiken en over het ruilen van dubbelen. Als je een plaatje dubbel had, dan kon je dat per brief naar Verkade sturen waarna je een ander exemplaar kreeg toegestuurd. Ook werden er door Verkade ruilbeurzen georganiseerd. Op dergelijke bijeenkomsten zorgde Verkade voor muziek en koek of chocolade uit eigen fabriek.

Mijns inziens was het volstrekt geniaal. Aan honderdduizenden Nederlandse keukentafels tegelijk werden koekjes en chocola gegeten, werden de prachtigste plaatjes uitgepakt en ingeplakt en leerde men spelenderwijs over de Nederlandse flora en fauna: “Heb jij voor mij de zilverschoon met gewone rupsendoder? Dan krijg je van mij de zeeraket met knollenwitje”.

Laatst keek ik weer eens een paar albums door en ik werd getroffen door de toegankelijkheid van de teksten. De natuureducatie van tegenwoordig is een compleet eigen vakgebied, maar we kunnen nog steeds een voorbeeld nemen aan de heldere, vrolijke en levendige teksten van Thijsse.  Ze blijven zonder meer inspirerend.

Als u eens op een vrijdag in Amsterdam bent, dan moet u beslist langs op de Plantage Middenlaan 2c. Daar ligt namelijk een goed bewaard geheim. Het is de fraaie bibliotheek van de Heimans en Thijsse Stichting. Tussen de 15.000 boeken en andere publicaties op het gebied van natuurbehoud en natuureducatie bevinden zich veel klassieke uitgaves. Aan de leestafel kunt u –bijvoorbeeld – de prachtige Verkade-albums op uw gemak bekijken. U heeft er gegarandeerd een paar zeer geslaagde uren. Veel beter dan al die lange rijen wachtenden voor musea op het Museumplein.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Zomerkijken

Het is zomer in Limburg. Buiten is het 37 graden. De tuin is stilgevallen. Er is niets te doen, en als er al wat te doen zou zijn, dan is het veel te warm om me in te spannen. Het enige waar ik energie in stop is de strategie van het water geven. In deze dagen is het een heuse sport om dat zo min mogelijk te doen zonder dat de planten en bomen kasje wijlen gaan.

Door de hitte groeit het gras in mijn Vijlense tuin niet meer. Dat scheelt behoorlijk in het maaiwerk. En ook komen er veel minder bloemen tot ontwikkeling dan normaal het geval is. De trage rijping van de vruchten – de Japanse wijnbessen, de vlierbessen, de druiven en de appels –  is de enige beweging die ik ontwaar.

Van mij mag het, die stilstand. Het past bij de tijd van het jaar. Het is immers vakantietijd en er is geen betere plek om al luierend je zomervakantie te vieren dan in de schaduw van je eigen tuin.

IMG_3858

Zomerkijken tussen de meisjesogen, Vijlen, 26 juli 2018

Een maand of wat geleden hoorde ik een nieuw woord. Het was het woord ‘zomerkijken’. Ik vind het een bijzonder mooi woord.  ‘Zomerkijken’ betekent de tijd nemen om te observeren. De bloemen, de insecten, de vogels. Je rustig overgeven aan het moment, achteroverleunend in een luie stoel onder een boom, natuurlijk met een glaasje fris in de buurt. Noem het zen, noem het mindfullness, noem het meditatie, noem het onthaasten, noem het lummelen, noem het wat je wil. Waar het om gaat is dat de haast verdwijnt en dat je de tijd neemt voor iets waar je de rest van het jaar geen tijd voor neemt. Het verstand gaat kortstondig op nul en de vakantietijd is perfect daarvoor.

Mijn hond Kiek is bijzonder goed in zomerkijken. Het is verbluffend om haar bezig te zien. Ze is zó goed dat ik jaloers op haar ben. Ze heeft een speciale plek voor dat zomerkijken, achter in de tuin. Daar ligt mijn pluktuin. Tussen de goudsbloemen en de strobloemen bevindt zich zo’n twee vierkante meter Coreopsis verticillata, ook wel meisjesogen genoemd.  Het is een dichte, mooie bos, zo’n vijftig centimeter hoog, die al twee maanden een zee aan gele bloemen geeft. Er komen massa’s insecten op af, met name bijen.

IMG_3859

Hup, daar gaat ze weer…

En wat doet Kiek? Vanaf het paadje duikt ze heel voorzichtig het dichte woud van soepele Coreopsis-stengels in en gaat daar dan doodstil staan. Kiek is een zwarte teckel, ze staat laag op de poten en dus verdwijnt ze vrijwel helemaal. Vervolgens doet ze niets anders dan staan en kijken. Kijken naar een spinnetje. Een luisje. Een bijtje. Een kevertje. De wereld valt stil en de tijd tikt weg. Na een minuut of tien zie ik even iets bewegen. En na nog weer vijf minuten komt ze aan de andere kant langzaam uit de bos tevoorschijn. Ze loopt een rondje en dan begint ze van voor af aan. Het is een heus ritueel. Hup, daar gaat ze weer, ze duikt in de bos meisjesogen en geeft haar eigen meisjesogen de kost. Eén en al fascinatie voor het allerkleinste dat de tuin te bieden heeft. Uren en uren heeft ze de afgelopen tijd zo doorgebracht.

En ik, op mijn beurt, ik kijk naar Kiek. Vanaf de tuinbank observeer ik in alle stilte degene die observeert. In de vakantie kan ik dat heel lang volhouden. En ergens boven onze hoofden zweeft vast wel de een of andere satelliet die naar mij kijkt. Ziedaar het droste-effect.

De Coreopsis is nu bijna uitgebloeid, de bijen zullen op zoek gaan naar andere bloemen en ik ben benieuwd wat Kiek dan gaat doen. Hopelijk gaat ze nog even door met haar zomerse observaties.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen