Column

Deze maandelijkse column is in 2016 gestart als gesproken column in Limburgs Land, het leukste tuin- en natuurprogramma van Nederland. Met het overlijden van Ger Houben, presentator van Limburgs Land, eind mei 2018, kwam een eind aan dat fantastische programma. Ik heb altijd met zo veel plezier aan de columns gewerkt dat ik besloten heb om door te gaan met schrijven. Dit betekent dat aan het eind van elke maand een nieuwe tekst op mijn homepage wordt gepubliceerd. Een deel van deze teksten zal ook als gesproken column in het nieuwe tuin- en natuurprogramma van L1, Natuur & zo, te horen zijn.

Er valt immers nog zo veel te vertellen.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

In de mode

IMG_5236

Afbeelding | Geplaatst op door | Een reactie plaatsen

De muzen

Tot in alle vezels van de wereld komen we planten tegen. Dus niet alleen in natuurgebieden of in tuinen, maar ook op ons bord, in de krant, op tv, op de vensterbank, in de bouwmarkt, in de afvalbak, enzovoort, enzovoort. En omdat ik een plantengek ben, valt – overal waar ik ga of sta – mijn oog erop. Ik beschouw het als een milde afwijking.

Planten en bloemen in kunstuitingen blijven vaak in mijn geheugen zitten en ik wil er in deze column graag voor u een paar uitvissen. Daarvoor kies ik liever niet de meest voor de hand liggenden, zoals de waterlelies van Monet, de 17de eeuwse Hollandse bloemstillevens, of de zonnebloemen van Van Gogh. Hoe fascinerend ook, de schilderkunst laat ik even links liggen, want in deze column wil ik graag de aandacht richten op de andere kunsten, met name de muziek.

Toch begin ik eerst even bij de literatuur. Dat komt omdat ik het niet laten kan & omdat ik het zo’n prachtig stuk tekst vind. Het betreft deze (misantropische) zinnen van Jeroen Brouwers die hij schreef over zijn Exelse tuin . jeroen brouwers

Ik was twintig jaar toen ze me in mijn hart raakten en ik zal ze nooit ofte nimmer vergeten. Ik houd van de felheid en ik herken de naar binnen gerichte neiging maar al te goed. Het zijn eigenschappen die ik vaak bij tuinlui (man of vrouw) tegenkom.

Als ik fictie lees en ik kom een plantaardige verwijzing tegen, dan noteer ik aan de binnenkant van de achterflap van het boek met een potlood het paginanummer en het onderwerp. Niet dat ik tot nu toe ooit van die notities gebruik heb gemaakt, maar ja, je weet maar nooit. Een afwijking, indeed.

Muziek werkt wat mij betreft het meest direct op het gemoed en ik neem graag een paar stukken met u door. Om te beginnen twee werken waarin de roos voorkomt. In Henry Purcells opera Dido en Aeneas, voor het eerst opgevoerd in 1688, sterft de Carthaagse koningin Dido door liefdesverdriet. Het slotkoor luidt:

“With drooping wings ye Cupids come, and scatter roses on her tomb. Soft and gentle as her heart, keep here your watch and never part.”

De tekst is zo-zo, maar de muziek is prachtig en het is onbegrijpelijk dat er nooit een roos naar Dido is vernoemd.

Een andere roos, ook heel dierbaar, vormt één van de veldbloemen die worden bezongen in het liedje Wildwood Flower van de Carter Family, beter bekend als de schoonfamilie van Johnny Cash. Wildwood Flower was het lievelingsliedje van moeder Maybelle Carter en het eerste couplet gaat als volgt: “I will twine, I will mingle my raven black hair, with the roses so red and the lilies so fair, and the myrtle so bright with it’s emerald hue, the pale emanita and hyssop so blue.” Luister vooral naar een uitvoering door de Carter Family zelf: die zijn genoeg op YouTube te vinden.

Nu door met de wilg. De latijnse geslachtsnaam voor de wilg is Salix en die naam kom ik regelmatig tegen. Bijvoorbeeld in het lied “Down by the Salley Gardens”. De meeste mensen denken dat het gaat om een tuin van ene Sally, maar in feite gaat het lied over een verliefd jong stel dat een wandeling maakt langs een rivier, daar waar de wilgen groeien. “Down by the Salley Gardens, where my love and I did meet.” Het betreft een gedicht van William Butler Yeats dat op muziek is gezet en het is sinds lang een geliefd Iers volksliedje. De uitvoering van Maura O’Connell op YouTube laat weinig te wensen over.

In de opera Otello van Verdi, gebaseerd op de gelijknamige tragedie van Shakespeare, verschijnt de wilg, in dit geval de treurwilg, aan het begin van de slotakte. Het is avond en Desdemona bevindt zich in haar slaapvertrek. Ze zit voor de spiegel en Emilia, haar trouwe dienares, helpt haar met haar haar. Het lijkt een huiselijk tafereel, maar het drama hangt zwaar in de lucht en er zullen die nacht veel doden vallen. Desdemona verzucht:

otello

Niet alle kunst hoeft Kunst met een grote K te zijn. Onnavolgbaar vind ik persoonlijk de Limburgse Mooshoofpaadzenger (moestuinpadzangers), met hun liedje Ònbespote (Onbespoten) “….Zitte d’r get bieësjes op, keumtj de drek ei bitje op, goeëje wae gaer get troep d’r euver haer. En det sjaatj de nateur, dus pleite wae d’r veur: haotj de mooshoof ònbespote.” Via hun website is dit kleine meesterwerkje te beluisteren.

Tot slot de lieflijkste ode aan de natuur- with infinite affection and infiniter care – die ik ken. Het betreft het gedicht Nature, the Gentlest Mother van de Amerikaanse dichteres Emily Dickinson, dat in 1950 door de componist Aaron Copland op muziek gezet is. Beluister op YouTube vooral de uitvoering met Barbara Hendricks!

coplandMooier kan het niet, wat mij betreft.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Bezoekjes

Je gaat op reis naar een vreemde stad. In je koffer zit een reisgidsje met een overzicht van kerken, musea, kunstschatten, cafés, restaurants enzovoort. Niks mis mee. Maar….. wij zijn liefhebbers van de buitenlucht en keer op keer blijkt dat een van de leukste manieren om een stad te leren kennen een bezoek aan de plaatselijke botanische tuin is. De één volstrekt up to date –zoals de botanische tuin in Berlijn of Londen -, de ander stok- en stokoud – kijk maar eens in Florence. De schitterende verwaarlozing van de botanische tuin in Rome, de schoonheid van de botanische tuin in Palermo, de eenvoud van de tuin in Helsinki, de compleetheid van die van Leiden. Als u in de komende maanden eens een stedentripje maakt: botanische tuinen zijn niet alleen een bijzonder onderdeel van hun eigen stad, maar ook onderdeel van een lange, gezamenlijke traditie.

kas in de botanische tuin van Palermo

Een van de kassen in de botanische tuin van Palermo

Die traditie is natuurlijk verbonden met de stichting van universiteiten. Vanaf de 15de eeuw werden de eerste universiteiten opgericht en met behulp van de nieuwe methode van de “onbevooroordeelde waarneming” werden daar allerlei facetten van onze wereld bestudeerd. Het plantenrijk was één van de onderzoeksterreinen en iedere zichzelf respecterende universiteit had een tuin, een hortus, met daarin levende plantencollecties ten behoeve van onderzoek en onderwijs. In eerste instantie lag de focus op de medische toepassingen van planten en de meeste oude tuinen zijn dan ook als hortus medicus begonnen.

Al snel werd het plantenrijk zélf het object van studie. De studie heette plantkunde oftewel botanie, en de Hortus medicus werd een Hortus botanicus. De 17de eeuw was een eeuw waarin grote delen van de wereld, en dus de natuurlijke wereld, werden ‘ontdekt’. Het resulteerde onder meer in een enorme plantaardige verzamelwoede. Nederland, als een van de maritieme grootheden uit die tijd, speelde hierin bepaald geen kleine rol. Duik maar eens in het netwerk van de vroege Leidse Hortus of in de correspondentie die werd gevoerd tussen de Amsterdamse Hortus en handelsposten van de VOC all over the world. Zo werden, niet alleen in Nederland, maar in heel Europa binnen relatief korte tijd enorme plantencollecties opgebouwd. Ik beschouw het als een tijd van grote gretigheid en die bleef niet alleen beperkt tot wetenschappelijke instituten. Vanaf een zeker moment namelijk werden plantenverzamelingen ook beschouwd als een statussymbool en menig botanische collectie is onder de vleugels van koningen en keizers ontstaan.

Hortus Leiden huidige tentoonstelling

De lopende tentoonstelling in de hortus Botanicus in Leiden

De verzameldrift – en het op naam brengen van al die nieuw ontdekte planten – voedde de behoefte aan een systematische ordening. In de 18de eeuw werd deze ordening het belangrijkste onderzoeksterrein binnen de plantkunde. De publicatie van Linnaeus’ Species Plantarum  in 1753 was het fundament voor de naamgeving van planten zoals die nu nog bestaat.

Ook in de 19de eeuw stonden de botanische tuinen in het teken van groei. Veel aandacht ging enerzijds uit naar de duizelingwekkende mogelijkheden van kweekproducten en cultuurvariëteiten en anderzijds naar economische gewassen, met name tropische c.q. koloniale, landbouwgewassen. Planten dus waarmee veel geld verdiend kon worden. Door de bouw van speciale kassen konden bijzondere plantengroepen (zoals palmen) een plek in de tuinen krijgen. En met de oprichting van de zogenaamde arboreta en pineta, niet alleen in Europa, maar bijvoorbeeld ook in de Verenigde Staten (het fantastische Arnold Arboretum in Boston bijvoorbeeld) ontstonden er ook de bomen- en heestercollecties.

In de 20e eeuw verloren de meeste botanische tuinen hun functie als onderzoeksterrein. Het nieuwe onderzoek betrof niet meer de uiterlijke kenmerken van een plant, maar men kroop er als het ware in. Laboratoria en microscopen werden onmisbaar. De tuinen verschoven in de richting educatie en publieksinformatie en dat deden en doen ze behoorlijk succesvol. OP deze manier laten ze met hun uiteenlopende plantencollecties onveranderd de fascinerende verscheidenheid van het plantenrijk zien.

Een nieuwe stad leren kennen is in feite niets anders dan een nieuwe tuin leren kennen. Je loopt rond en je geeft je ogen de kost. Het is een kwestie van ontdekken en verwonderen. Dat hoeft natuurlijk niet perse het buitenland te zijn; het kan ook dichtbij. Ga maar eens een dagje naar Leiden: een prachtige binnenstad met daarin als parel de Leidse Hortus. En voor degenen die graag in de eigen provincie blijven is er de botanische tuin van Kerkrade. Daar wandel je in alle rust langs een adembenemend mooie bomencollectie. Geen geprop op de vierkante meter, nee, alle bomen en heesters krijgt lekker de ruimte. Zoals de mooiste witte moerbei die ik ooit gezien heb. Ik wil maar zeggen: Limburg heeft het óók.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Méér geraniums op de vensterbank

IMG_9297

Pelargoniumcultivar, een ode aan de kleur rood I, Vijlen, augustus 2019.

Recent zag ik een boek met de titel “Kruip nooit achter een geranium”. De titel staat voor het schrikbeeld van een saai en inactief leven en in het boek worden we er door indrukwekkende oudere vrouwen zoals Neelie Kroes, Nelleke Noordervliet en Hedy d’Ancona voor gewaarschuwd om achter de geraniums te gaan zitten en aldus ons leven vroegtijdig op te geven.

Ik schets het beeld van een doorzonkamer uit de jaren ‘50, met grote vensters en smalle vensterbanken. Onder de vensterbank loeit de radiator, op de vensterbank zelf staan potten met geraniums en aan de bovenzijde van het vensterraam hangt een valletje. Het idee is dat je, gezeten in je luie stoel, de hele dag – tussen de planten door – gaat zitten loeren naar het leven dat zich buiten- en dus vooral niet binnen –  afspeelt.

IMG_9305

Pelargoniumcultivar, een ode aan de kleur rood II, Vijlen, augustus 2019.

Ik moet bekennen: ik zit graag achter de geraniums. So what. Ik word vrolijk van die planten. De kleuren van de bloemen zijn ronduit aanstekelijk en de verzorging (‘s zomers én ’s winters) is een leuke en dankbare bezigheid.

Ik heb het hier natuurlijk over de planten uit het geslacht Pelargonium, die we in Nederland geranium of tuingeranium noemen. In Nederland kopen we ze elk jaar opnieuw in groten getale om huis en tuin op te fleuren en aan het eind van het zomerseizoen (geraniums kunnen niet tegen vorst) gooien we ze massaal weg. In ons rijke land is de geranium een zodanig wegwerpartikel geworden dat je bijna zou vergeten dat ze ook als prachtige wilde planten in de natuur voorkomen.

Binnen het geslacht Pelargoniums bestaan zo’n 200 soorten die voorkomen in gematigde en tropische streken in het zuidelijk halfrond, met verreweg de grootste concentratie in zuidelijk Afrika. Ze hebben uiteenlopende levensvormen, aangepast aan de omgeving waarin ze voorkomen. Sommigen zijn kruidachtige planten of (kleine) heesters met stengels die verhouten. Ook zijn er pelargoniums die reservevoedsel opslaan in grote ondergrondse knollen. Blader maar eens door de pelargoniumpagina’s op de website van de SANBI (South African National Biodiversity Institute) en je ziet de meest uiteenlopende vormen.

In de eerste helft van de 17de eeuw kwamen de eerste pelargoniums vanuit Zuid-Afrika naar Europa en daar aangekomen groeiden cultuurvariëteiten van sommige natuurlijke soorten (P. zonale, P. peltatum en P. inquinans) uit tot de kampioenen van de sierteelt die ze nu nog steeds zijn.

Vanwege de VOC en de Zuid-Afrikaanse connectie heeft de Amsterdamse Hortus, mijn vorige werkplek, altijd een collectie Zuid-Afrikaanse planten gehad, en dus ook in het wild verzamelde pelargoniums. Een aantal soorten is bijvoorbeeld te zien in de Moninckx-atlas, een schitterende verzameling van 420 grote aquarellen die tussen 1686 en 1709 van planten in de Amsterdamse Hortus werden vervaardigd.

Jan_Moninckx08

Pelargonium peltatum, Jan Moninckx, 1701. Uit: de Moninckxsatlas, Bibliotheek van de Universiteit van Amsterdam

Toen ik laatst weer in de Amsterdamse tuin was, zag ik tot mijn genoegen dat het goed, nee: uitstekend, ging met de collectie pelargoniums. Nederlandse hoveniers hebben het vaak een beetje moeilijk met planten uit Zuid-Afrika en met droogteplanten. We zijn niet gewend om ermee om te gaan en we zijn bang om ze te veel water te geven, omdat ze dan gaan rotten. De oplossing wordt gezocht in het geven van weinig water, maar we hebben dan de neiging om door te schieten en geven we écht te weinig. Sinds de Amsterdamse Hortus twee Zuid-Afrikaanse tuinmannen uit de botanische tuin van Stellenbosch in dienst heeft genomen zijn de aanwezige planten een stuk gezonder geworden en worden er volop nieuwe soorten gezaaid. Een van de nieuwe tuinmannen zei het simpel: de planten stonden voorheen gewoon té droog. Zo zorgt de juiste mankracht ervoor dat de Amsterdamse geraniumcollectie in de komende jaren weer kan uitgroeien tot indrukwekkende proporties.  Na ruim driehonderd jaar toont de Amsterdamse Hortus nog steeds een mooie verscheidenheid van wilde geraniumsoorten. Niet gek.

Terug naar de cultivar-geraniums op de vensterbank. Dat is natuurlijk onzin. Loop een gemiddelde Nederlandse woonwijk in en je spot overal vensterbanken, vol met “woondecoratie” plus de onvermijdelijke orchidee-in-pot, maar geen geraniums. Orchideeën kunnen tegen de hitte boven de radiator. Geraniums niet. Die staan graag licht maar niet al te warm. Dat betekent onder meer dat in een doorzonkamer met gezonde geraniums op de vensterbank beslist minder fossiele brandstoffen verbruikt worden dan in een doorzonkamer met orchideeën.

Alleen al daarom pleit ik voor méér geraniums op de Nederlandse vensterbanken. Elke keer als je lang zo’n raam loopt en je ziet gezonde geraniums, dan denk je: ha, ja, goed bezig! Daar zullen ze in Groningen blij mee zijn. En hoe zorg je voor een volle vensterbank? Neem nu (augustus/september) stekken van niet bloeiende, stevige stengels met voldoende blad, verwijder de onderste bladeren, pak schone terracotta potten en steek de stekken in een goed drainerend grondmengsel met genoeg ruimte voor een gietrand. Houd de stekken de hele winter op een koele lichte plek en geef ze niet te weinig maar ook niet te veel water. Tegen de tijd dat de stekken geworteld zijn is het raadzaam om afwisselend de potgrond te laten drogen en vervolgens royaal water te geven.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Vakantie

Vakantie

 

 

Tot eind augustus!

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Ode aan de schoffel

Het is zomer, het is warm en in de komende dagen wordt er geen drup regen verwacht. Het onkruid in de tuin tiert welig maar, anders dan in het voorjaar, maal ik er niet om. Want de omstandigheden zijn perfect voor mijn schoffel en mijn hark. Zoef, daar gaan we.

IMG_4771

Wonderduo op hete dagen

In het voorjaar, als alles nog maar net boven de grond komt, wil ik graag dat de planten in mijn pluktuin goed kunnen groeien en daarbij geen hinder ondervinden van onkruiden. Elke tuin kent zijn eigen mix van storende planten en bij mij zijn dat onder andere de boterbloem (waar ik overigens op andere plekken in de tuin dol op ben), de paardenbloem en de melkdistel. Dus haal ik die opkomende onkruiden in het voorjaar weg, zo goed en zo kwaad als het kan. Met een greep, handschoenen en een stekertje.  Het is je reinste peuterwerk, voorover gebogen of op de knieën, en ik ben dan zomaar een hele dag kwijt om een vak van, stel, 100 vierkante schoon te krijgen. Dat “schoon” een illusie is hoef ik u als tuinliefhebber niet te vertellen, maar ieder geval krijgen de planten in de vakken zo wel een voorsprongetje.

Dan komen de zomerdagen. Het onkruid tussen de planten staat alweer enkelhoog maar nu wacht ik, luie tuinier zijnde, tot de omstandigheden zodanig zijn dat ik in één handomdraai de hele flikkerse boel plat én weg krijg. Een paar hete, droge dagen, een schoffel en een smalle bladhark zijn voldoende. Je schoffelt het onkruid, laat het  verschroeien, je harkt het weg en …. schoon is je perk. De truc is dat de hitte ervoor zorgt dat de wortels verdrogen en dat de plant dus binnen een paar uur afsterft.

In plantsoenen wordt nog veel geschoffeld, maar in tuinen zie ik de schoffels zelden meer. Een gemiste kans in feite, want op het juiste moment is de schoffel een fantastisch stuk gereedschap. Het schoffelblad hoort scherp te zijn, gewoon van stevig staal (dus vooral niet gemoffeld c.q. van een kleurtje voorzien), want ’s winters moet je de schoffel gewoon met een vijl aan kunnen scherpen. In sommige tuinen is het handig om met een smal blad te manoeuvreren, maar soms staan er zo weinig planten dat een breed blad meer efficiënt is. De schoffel heeft een lange steel met een gekantelde greep. Die gekantelde greep zet je in de buurt van je oksel en vanuit de schouder en de bovenarm ga je dan aan de slag. In feite kunt je door die gekantelde greep je hele lichaamsgewicht inzetten, waardoor een goede schoffel mijns inziens als een ergonomisch wonder beschouwd kan worden.

Op deze manier kun je meters maken. Binnen het uur heb ik, zonder voorover te hoeven buigen of op de knieën te gaan, die 100 vierkante meter gedaan. Alle onkruid ligt plat, terwijl de bossen plukbloemen fier overeind staan. Er is slechts een vereiste: je moet weten wat er in je vak moet blijven staan, want anders schoffel je zomaar de verkeerde planten weg.

Na een paar uur droogtijd (niet tussendoor sproeien, dus) pak ik mijn onovertroffen smalle Marizo bladhark en vis ik met het grootste gemak alle verdroogde onkruid uit de hoeken en gaten. Mijn bladhark heeft 7 tanden en omdat hij smal is komt hij overal zonder ook maar iets te beschadigen. Efficiënter en lichtvoetiger kan het niet.

In mijn Amsterdamse Hortus tijd zaten we aan het begin van iedere ochtend met het tuinteam aan de koffie en namen de klussen van de dag door. In de zomer waren sommige plantvakken behoorlijk overwoekerd door onkruid –het vak met de vlinderbloemigen was berucht – en als de hitte had toegeslagen, was ’s ochtends het credo: “Een perfecte dag om te schoffelen. Maak er alsjeblief gebruik van! ”. Door de waan van de dag kwamen de tuinmannen er toch vaak niet toe en dat vond ik dan – inderdaad – een gemiste kans. Tja, je kunt niet alles hebben in het leven.

Tegen alle tuiniers zou ik op deze warme dagen willen zeggen: maak het jezelf toch vooral gemakkelijk, schaf een goede schoffel en een smalle bladhark aan en besteed de uren die je daarmee bespaart aan het lezen van een boek in een luie stoel. Onder het genot van een glaasje prik, natuurlijk.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Toeblazen

Polyommatus_icarus_01-08-2005_12.47.30

Icarusblauwtje

Het duurt even, met dit koude voorjaar, maar binnenkort breekt het seizoen dan toch echt aan. Het seizoen van de vlinders. Een cadeautje van de zomer, zo zie ik dat.

Kleine kinderen hebben een leeftijd waarin de magie nog aan de oppervlakte ligt. Volwassenen hebben een wat dikkere huid, waaronder de wereld van de sprookjes verdwenen lijkt. Maar komen er vlinders langs vliegen, dan maakt leeftijd ineens niet meer uit. Ze fladderen in het rond en eisen bij jong en oud acuut de aandacht op: klein, breekbaar, vol kleur en dichtbij. Van bloem naar bloem gaan ze, op zoek naar nectar of naar rottend fruit. Dat vinden ze lekker. En daar waar de meeste dieren de neiging hebben om zich te verstoppen, komen de vlinders naar je toe, en landen – als je mazzel hebt – op je hand of op je schouder. Geen spoor van angst.

Zijn het knuffeldieren? Nee, helemaal niet. Ze zijn te teer om aan te raken. Vlindervleugels zijn flinterdun en kwetsbaar. Het is niet het knuffelgehalte waardoor vlinders zo’n indruk maken. Het is het tere en het dartele, zo vlak voor je neus, die de verwondering doet ontstaan. En deze verwondering geldt voor alle leeftijden. ‘Alles van waarde is weerloos’, schreef Lucebert. Er is geen dier dat zo weerloos oogt als de vlinder.

Vlinders zijn insecten, maar we ervaren ze heel anders dan de meeste andere insecten. Vliegende bloemen, zo worden ze ook wel genoemd. Andere insecten kunnen bijten en steken, zoals muggen en wespen. Of het zijn onwelkome gasten in huis, zoals stofmijt, de kakkerlak en de hoofdluis. Vlinders daarentegen bijten en steken niet en bovendien worden we verleid door hun adembenemend mooie vleugels.

Die kleurrijke en iriserende vleugels – elke vlinder beschikt over twee paar – zorgen ervoor dat vlinders uitstekende vliegers zijn. De vleugels zijn delicaat en ontlenen hun stevigheid aan de aderen, die als zwarte lijnen het basispatroon van de vleugels vormen. Het bloed dat via deze aderen stroom voedt de vleugels. De patronen en kleuren van de vleugels zijn het helderst als de vlinder net is uitgekomen. Naarmate de vlinder ouder wordt vervagen de kleuren.

En dan is er nog de wondere wereld van de metamorfose. De voortplanting van een zoogdier is nogal eenduidig: de jongen van een zoogdier hebben dezelfde verschijningsvorm als hun ouders. De vlinder daarentegen ondergaat gedurende zijn leven drie keer een gedaantewisseling en deze cyclus van gedaanteverwisselingen kan in de Vlinderkas van dichtbij worden gevolgd. Van vlinder, naar eitje, naar rups, naar pop, naar vlinder, telkens weer opnieuw. Uit de pop komt de vlinder tevoorschijn. Zodra hij uit zijn pop is gekropen, droogt hij zijn vleugels, spreidt ze en vliegt zijn vlinderleven tegemoet.

Elke vlindersoort heeft een speciale relatie met zijn eigen favoriete plantensoort. Deze soort, ook wel waardplant genoemd, speelt in de levenscyclus van de vlinder een hoofdrol. De eitjes worden gelegd op de plant die de uitkomende rups voor zijn groei nodig heeft. Uitermate efficiënt kun je dat noemen. Het Icarusblauwtje, bijvoorbeeld, zet zijn eitje af op (rol-)klaver en de rupsen voeden zich ook met klavers en andere vlinderbloemigen.

De gedaantewisselingen geven de vlinder zijn mythologische proporties. De Griekse benaming voor vlinder is ‘psychè’ (ψυχη). Wij vertalen dit tegenwoordig veelal met ons begrip ‘ziel’, maar de oorspronkelijke betekenis van het woord is ‘kracht die het leven toeblaast en zetelt in het hoofd’. Zie je het voor je?

In de Griekse mythologie is de geliefde van Eros bekend onder de naam Psychè. Zij was de personificatie van de menselijke ziel en ze was zo buitengewoon mooi dat ze alle stervelingen en zelfs Aphrodite, godin van de schoonheid en de liefde, in de schaduw stelde. Juist haar schoonheid bepaalde haar lot en pas na veel gedoe vond zij haar uiteindelijke bestemming in de armen van Eros. Psychè wordt vaak afgebeeld met vlindervleugels. In tegenstelling tot de vleugels van de god Eros, die sterk zijn – hij kan er mee naar de berg Olympus vliegen – zijn de vleugels van Psychè teer. Haar vleugels dragen haar niet tot in de hemel, zo hoog kan ze niet komen. Ze kan alleen maar dicht bij de aarde zijn, van bloem tot bloem fladderen.

 

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen