Liever krom dan recht

Dit artikel werd eerder gepubliceerd in: Amstelodamum, 2011, nr. 3

Over de beginjaren van het Vondelpark[1]

 Bij de opening van het Vondelpark in 1865 stond de initiatiefnemers een levendig en gevarieerd wandelgebied voor ogen, een park dat zich in schilderachtigheid zou kunnen meten met de stad. Tekeningen van Willem Hekking Jr. en foto’s van Pieter Oosterhuis zijn aanleiding om in onderstaand artikel in te gaan op de ideeën die aan het park ten grondslag lagen.

OP VIJFTIEN JUNI 1865 werd, zonder al te veel festiviteiten, in Amsterdam het Nieuwe Park geopend. Het park lag aan de zuidwestelijke rand van de stad, buiten de Buitensingel, in de onmiddellijke nabijheid van het Leidse Bos. Bij de opening was het nog maar een klein park: een smal, langgerekt perceel van tien hectare. In de jaren daarna werd het driemaal uitgebreid: eerst in noordelijke richting, vervolgens in zuidelijke richting en tot slot in westelijke richting, tot aan de Amstelveenseweg. In 1877, dus twaalf jaar later, werden de definitieve grenzen bereikt en was het park vierenveertig hectare groot. In 1868, kort na de onthulling van het beeld van Vondel, werd het Nieuwe Park omgedoopt in Vondelspark.[2]

 

Het vondelpark kan worden gezien als het resultaat van een poging van een aantal vooraanstaande inwoners van Amsterdam om de stad met een illusie van landschappelijke natuur te verfraaien. Onder de bezielende leiding van C.P. van Eeghen (1816-1889) had men al een paar jaar informeel voorbereidingen getroffen. De officiële start van het project werd gemarkeerd door de oprichting van de Park-Commissie, op 6 januari 1864. In de commissie namen, naast Van Eeghen, nog drieëndertig andere Amsterdammers zitting.[3] Kort na de oprichting, op 12 januari 1864, trad zij voor het eerst in de openbaarheid. Door middel van een circulaire richtte de commissie zich tot de burgers van de stad en ontvouwde daarin haar beweegredenen en plannen voor het nieuwe park. De circulaire begon aldus: ‘Wordt Amsterdam eene der fraaiste steden van Europa genoemd, het is alleen binnen hare muren, dat men de waarheid van deze uitspraak kan geregtvaardigd zien; hare omstreken kunnen haar slechts zeer weinig aanspraak doen maken op dien naam van schilderachtige stad, zoo dikwijls haar gegeven. Binnen hare muren verrijzen tal van gebouwen als paleizen geroemd, daar buiten ziet het oog niet dan uitgestrekte weilanden, soms door eenige woningen meer bebouwd dan versierd.’[4]

De pracht en praal van de stad werd tegenover de saaie alledaagsheid van het omringende platteland geplaatst. Dáár wilde men niet wandelen en vertoeven. Nee, in navolging van de vele wandelparken in binnen- en buitenland wenste men hiervoor een speciaal terrein in te richten. In de circulaire werd beschreven waarom een aangenaam wandelpark onontbeerlijk was voor de Amsterdammers. ‘Toch is misschien tegenwoordig meer dan ooit de vermeerdering der gelegenheden tot uitspanning voor het publiek noodig. Voor hen die des zomers buiten Amsterdam geruimen tijd kunnen doorbrengen, moge deze behoefte minder sterk zijn, gedurende den toch altijd nog langeren tijd dat zij zich hier ophouden, doet het gemis aan een wandelpark, ook als rijpark, zich nog wel gevoelen. Maar nog veel meer behoeven zij die na den hoe langer hoe meer inspanning vereischenden arbeid ook eenige uitspanning wenschen te genieten, dergelijke wandelplaats. Schoon moge hun de raad klinken om in lichaamsbeweging herstel van de vermoeide krachten te vinden; goed moge het hun zijn van den arbeid vrij te zijn om na eenige uren daaraan weder, verfrischt en versterkt, te beginnen; wat baat hunne vrijheid zoo zij die niet kunnen gebruiken, zoo zij de plaats missen waar hun die bevolen lichaamsbeweging een waar genoegen kan zijn?’[5]

De commissie constateerde dat in de stad geen aangename wandelplek meer te vinden was. De Plantage was volgebouwd, ‘daar wordt het steeds enger en enger’, en de aanleg bij de Willemspoort lag te ver weg. Men was van mening dat er een ‘Rij- en Wandelpark’ moest komen, met toegang voor iedereen. Ook vond de commissie dat ‘alles wat voor het publiek moet dienen, door dat publiek zelf moet worden tot stand gebracht’. De circulaire, waarvan er vierduizend werden verspreid, diende dus ook als aansporing aan Amsterdammers tot financiële ondersteuning.[6] Al sinds langere tijd had men een stuk grond op het oog, namelijk een aantal weilanden net buiten de stadsrand en Buitensingel, in het zuidwesten. De onderhandelingen over de aankoop van deze gronden waren gaande. Bovendien was in samenwerking met de gerenommeerde landschapsarchitect Jan David Zocher jr. (1791-1870) en zijn zoon Louis Paul Zocher (1820-1915) een plan voor de parkaanleg tot stand gekomen.[7]

Het stadsrandlandschap waarin het toekomstige park werd geprojecteerd bestond uit een combinatie van polder, waterwegen en stadsrandbebouwing. De polder heette de Buitenveldersche Binnendijksche Polder. Hij werd begrensd door de Buitensingel en de Overtoomsche Weg in het noorden, de Amstel in het oosten, de Amstelveenseweg in het westen en de Kalfjeslaan in het zuiden. De polder was onderdeel van het polderlandschap bezuiden het IJ, dat op zijn beurt weer onderdeel was van de Utrechts-Zuid-Hollandsche veenpolders.[8]

Deze veenpolders werden van oudsher gekarakteriseerd door vervening en een beperkte natuurlijke afwatering. Veenbodems zijn per definitie zompige, waterhoudende bodems waar je diep in kunt wegzakken. Bij de ontginning van de Hollandse veengebieden was kunstmatige ontwatering dan ook steeds een eerste vereiste. Door ontwatering valt de bovenste laag van het veen droog, waardoor de grond agrarisch benut kan worden. Maar drooggevallen veen klinkt in, waardoor er weer ontwaterd moet worden, met gestage maaivelddaling tot gevolg. Deze vicieuze cirkel van ontwatering en inklinking (een onomkeerbaar proces) zorgde ook in de veenweidegebieden van de Buitenveldersche Binnendijksche Polder voor een combinatie van natte, laaggelegen weilanden met sloten die het overtollig water afvoerden in de richting van molen of gemaal. De verkaveling binnen de polder was smal en langgerekt. De sloten waren met de hand gegraven en zeker niet zo kaarsrecht als de machinaal gegraven sloten van vandaag de dag.[9] Staande op de dijk bij de Buitensingel, moet zich, op de plek van het toekomstige Vondelpark, een open, plat en vrijwel leeg landschap van zompige weilanden en sloten hebben uitgestrekt, met een verre horizon.

Helemáál leeg was het aan de stadsrand natuurlijk niet. De plek kenmerkte zich naast openheid en platheid door randstedelijke activiteiten en bebouwing. Vanaf de dijk langs de Buitensingel liepen paden langs de sloten de polder in, zoals het Leiderdorperpad, het Zandpad en het Schapenburgerpad. De paden volgden de bestaande verkaveling en erlangs was hier en daar bebouwing ontstaan. De bebouwing langs de Overtoom was uitgebreider: hier bevond zich naast een hele rits molens ook bedrijvigheid die men elders binnen de stadsmuren ongewenst achtte, zoals de kruitfabriek Sollenburg en het Pesthuis. Aan de Buitensingel lagen een paar uitspanningen, zoals De Hereeniging en Tivoli.

Het was hier, op dit raakvlak van stad en veenweidegebied, dat de Park-Commissie haar Nieuwe Park wenste te ontwikkelen.

Dat de commissie hiervoor landschapsarchitect Jan David Zocher jr. had aangetrokken behoeft geen verwondering. Zocher was in 1864 een man op leeftijd. Hij stond in Nederland al decennia lang als geen ander bekend als schepper van illusies van landschappelijk natuur. Hij bracht vijftig jaar vakmanschap en een volstrekt eigen handtekening mee naar het Vondelpark. Zocher was een kind van zijn tijd en zijn idioom sloot aan bij de schoonheidsidealen uit de tijd van zijn opleiding. Hij was aan het begin van de negentiende eeuw opgeleid als architect en landschapsarchitect en ontwierp diverse gebouwen in de neo-classicistische stijl. De esthetiek van zijn ontwerpen voor landschapsparken was, zoals gebruikelijk in die tijd, beïnvloed door Edmund Burke’s Philosophical Enquiry into the Origin of Our Ideas of the Sublime and Beautiful (1757), dat het belang van de menselijke, emotionele reactie op een kunstwerk beargumenteerde. Burke verdeelde hiertoe alle objecten in twee groepen, namelijk een groep van objecten die liefde of een vergelijkbare emotie oproepen (‘beautiful’) en een groep van objecten die angst, pijn of overweldiging oproepen (‘sublime’).

Burke’s ideeëngoed werd in 1779 door de Deen Christian Hirschfeld als eerste voor de tuinkunst uitwerkt. In zijn boek Theorie der Gartenkunst beschreef Hirschfeld de emoties die verschillende natuurlijke landschappen oproepen. Ook wees hij op landschappen die geen enkele beroep doen op de menselijke emotie. Hij schreef: ‘Ganz lehre und einformige Flächen haben kein Interesse und bei einen längern Anblick ermüden Sie zuerst’.[10] Als belangrijkste ‘landschapskarakters’ noemde hij de ‘sanftmelancholische’, ‘romantische und bezaubernde’, en ‘feuerliche’ aard.[11] Door deze landschappen uitgebreid te analyseren en te beschrijven gaf hij de lezer een goedgevulde gereedschapskist mee om ze toe te passen in tuinen en parken. Variatie in kleuren, beweging, gratie en lieflijkheid, contrasten en het spel met het nieuwe en het onverwachte waren daarbij leidend. Ze konden bereikt worden door af te wisselen in reliëf, beplanting, graslanden, water en uitzicht. Aan de basis van het ontworpen landschap lag de wandeling: door middel van de wandeling openbaarde zich de rijke variatie – oftewel de natuur – aan de mens.

Met dit schoonheidsideaal in gedachten is het niet verwonderlijk dat het stadsrandlandschap door de Park-Commissie als saai en oninteressant werd ervaren, en voor een wandeling ongeschikt. Later terugblikkend wordt hierover in een verslag over de periode 1864-1892 door het bestuur geschreven: ‘Die binnensingels – met de bolwerken, waarop de molens – en die buitensingels vormden eigenlijk de eenige wandelplaats voor de Amsterdammers. Nu zij verdwenen zijn mogen wij wel zeggen: ’t was niet veel bijzonders…. De bolwerken boden zoo nu en dan eenige afwisseling van den rechten weg; sommige ware niet onaardig beplant; maar zij maakte toch de uitzondering uit, geen had voor wandeling eenige betekenis.’[12] Vanaf het midden van de negentiende eeuw schoten de landschapsparken in Europa en de Nieuwe Wereld als paddenstoelen uit de grond en Amsterdam wenste ook zo’n plek.

De dadendrang van de Amsterdamse Park-Commissie was succesvol: de circulaire deed haar werk, er kwam voldoende geld binnen voor de eerste aankoop van grond. Ook werd de organisatiestructuur aangepast: op 5 maart 1864 werd de Vereniging voor de Aanleg van een Rij- en Wandelpark te Amsterdam opgericht. [13] Twee maanden later, op 7 mei, sloot het bestuur van de vereniging een officiële overeenkomst met de heren Zocher omtrent de aanleg van een park op de daartoe aangewezen gronden.[14] Een citaat hieruit: ‘Zij zullen de benoodigde plantsoenen voor de beplanting van deze aanleg leveren van de beste kwaliteit en in vele variëteiten en goede exemplaren en opgaande boomen van vijftien à vijfentwintig Nederl. duimen omtrek, de heesters/struiken, planten en boschhout alles goed leverbaar en alles gewassen voor den vrijen grond, terwijl door rijke afwisseling van soorten de naar hunnen mening meest bevallige schakeringen in de groepen zullen worden gevonden. Zij zullen voor den groei van al het door hen geleverde plantsoen twee jaren instaan en dus in de twee voorjaren, volgende op dat der beplantingen, het gestorven plantsoen door andere exemplaren doen vervangen; van deze garantie is echter uitgesloten het plantsoen dat door baldadigheid mogt worden vernield. Zij zullen de waterkanten op genoegzame breedte met graszoden doen beleggen en langs de wandelingen een band zoden doen aanbrengen’.[15]

De Zochers gingen aan de slag en binnen een paar jaar was er sprake van een transformatie van het landschap: recht werd krom, open werd dicht, vlak werd een spel tussen hoog en laag, saaiheid werd afwisseling. Een kleine schets van de firma Zocher, gedateerd 30 mei 1864, symboliseert deze overgang. De rechte lijnen van de sloten waren verleden tijd: op de schets staat bij elke rechte lijn geschreven ‘te dempen sloot’. De twee gebogen lijnen geven de toekomst aan, de nieuwe, slingerende waterpartij. De constante factor was het water, dat immers afgevoerd moest worden. Er voltrok zich een overgang van een Hollands cultuurlandschap naar een landschapspark. Het kreeg de vorm van landschappelijke natuur, maar in feite werd het stuk grond definitief onderdeel van de stad.[16]

Jan David Zocher stierf in 1870, zes jaar na de start van de aanleg. Zijn zoon Louis Paul, met wie hij al lang samenwerkte, maakte het park zonder zijn vader af en bleef nog lang jaarlijks betrokken bij het onderhoud van het park en de levering van gewassen.[17]

 

het beeldmateriaal van oosterhuis en hekking       Toen op 15 juni 1865 het eerste stuk voor de bezoekers openging, lag daar een vers aangeplant park. De rechte sloten waren vervangen door een meanderende waterloop. De wandelpaden slingerden langs de aangeplante bosschages, de vers ingezaaid gazons en het water. De buitenwereld was weggewerkt achter een dichtbeplante parkwand. Maar voor de rest was het nog een kale boel. De bomen waren nergens hoger dan een paar meter, op een enkele Italiaanse populier na. De kaalheid van het park stond in schril contrast met de lommerrijke verwachting van de volwassen, landschappelijke idylle.

Zowel van deze aanvankelijke kaalheid als van de toekomstverwachting is fraai beeldmateriaal overgebleven en het is bijzonder om dit naast elkaar te leggen. Het gaat om de serie foto’s die Pieter Oosterhuis maakte van het jonge park en een serie topografische tekeningen van de hand van W. Hekking jr. De tekeningen van Hekking werden gepubliceerd in 1866 en Oosterhuis maakte zijn foto’s in 1867.[18] De fotograaf en de tekenaar zorgden voor een verschillende blik op de eerste fase van de aanleg van het Vondelpark, waarbij de fotograaf de bestaande werkelijkheid direct vastlegde en de tekenaar de werkelijkheid interpreteerde.

De foto’s van Oosterhuis werden gebundeld in een album dat werd samengesteld ter gelegenheid van het 25-jarig huwelijk van C.P. van Eeghen.[19] In het album waren in eerste instantie acht foto’s opgenomen; later werd nog een foto van het onthulde Vondelbeeld toegevoegd. Pieter Oosterhuis, die leefde van 1816 tot 1885, was in zijn jonge jaren kunstschilder, maar ging in het begin van de jaren vijftig over tot de fotografie. Het Nederlandse stadsgezicht werd zijn belangrijkste werkterrein. In de monografie over Oosterhuis schrijft Anneke van Veen over de lange Nederlandse traditie van topografische stadsportretten in de teken-, prent- en schilderkunst. Oosterhuis fotografeerde in feite datgene wat de topografische tekenaars vóór hem al in beeld hadden gebracht.[20] In het geval van het Vondelpark gaat dit wel heel letterlijk op.

De serie Vondelparkfoto’s toont het park twee jaar na de opening. Oosterhuis heeft vanuit verschillende gezichtspunten gefotografeerd. Het zijn verstilde beelden van een park dat op het eerste gezicht meer weg heeft van een nogal saai aangelegd plantsoen dan van een gevarieerd, romantisch landschapspark. Toch blijken de foto’s bij nadere beschouwing fascinerend. In de details zijn de inrichtingselementen van Hirschfeld stuk voor stuk herkenbaar. De waterloop is afwisselend in breedte, met variatie in openheid en dichtheid. De grasoevers zijn soms kort, met een bolle kant, maar soms ook lang uitgerekt en ietwat hol; dicht opeen geplant plantsoen van bomen en heesters wordt afgewisseld met solitaire bomen of – rommelig uitziende – bloemborders. De wandelpaden buigen mee met water, bos en gras. De grotere paden worden begeleid door laanbomen, de kleinere niet. De wandelaar wordt af en toe verrast door bijzondere architectuur. Soms wordt het uitzicht belemmerd, op andere plekken is het uitzicht royaal. Telkens verdwijnt de waterpartij uit het zicht en het verdwijnpunt doet slechts vermoeden wat zich daarachter afspeelt. In aanleg zijn alle ingrediënten voor een gevarieerd landschapspark aanwezig en J.D. Zocher had in 1865 ongetwijfeld een weelderig toekomstbeeld voor ogen. Maar hoe fascinerend de gefotografeerde jonge parkbeelden ook zijn, ze roepen bepaald nog geen emoties op.

Hoe anders zijn de tekeningen van Hekking, die één jaar eerder werden gemaakt. De vijf tekeningen van Hekking vormden de illustraties bij een artikel in het Nederlandsch Magazijn met als titel ‘Het Rij- en Wandelpark te Amsterdam’.[21] Het artikel, voorzien van een plattegrond, was geschreven door P.H. Witkamp.[22] Het Nederlandsch Magazijn, ter verspreiding van nuttige kundigheden[23] verscheen tussen 1834 en 1885 en was het eerste Nederlandse equivalent van het Engelse Penny Magazine, dat in Groot-Brittannië een grote populariteit genoot. Het werd in eerste instantie uitgegeven door de gebroeders Diederichs uit Amsterdam, maar later door andere uitgeverijen overgenomen. Het Nederlandsch Magazijn richtte zich, net als een aantal andere tijdschriften in die tijd, op een nieuw lezerspubliek, dat het lezen nog maar beperkt machtig was. Het ging om volkslectuur, dat wil zeggen om rijk geïllustreerde werken in goedkope afleveringen. Er stond veel in over verre landen, vreemde diersoorten en bijzondere planten. Iedere week verscheen er een nieuw nummer van acht bladzijden, voorzien van aanlokkelijke illustraties.[24] De toon van de artikelen is enthousiasmerend en belerend, met een populair-wetenschappelijke opzet.

  1. Hekking jr. (1825-1904)[25] was een begenadigd topografisch tekenaar. Hij tekende stadsgezichten, vaak in een combinatie van architectuur en natuur. Als tekenaar was hij in Amsterdam zeer actief. Zijn bekendste werken zijn de afbeeldingen in Amsterdam in Schetsen (twee delen) die hij samen met P.H. Witkamp maakte en diverse series tekeningen van Natura Artis Magistra.[26] Voor het Nederlandsch Magazijn vervaardigde hij onder andere levendige ‘teekeningen op hout’ van de Bloemententoonstelling van 1865 in het Paleis voor Volksvlijt.[27] Een album met tekeningen van de buitenplaats Watervliet is onderdeel van de tekeningenverzameling van mr. C.P. van Eeghen (1880-1968) en zijn dochter dr. I.H. van Eeghen (1913-1996).[28]

Uit zijn tekeningen van het piepjonge Vondelpark wordt duidelijk dat Hekking het concept van Hirschfeld én dat van het Nederlandsch Magazijn goed heeft begrepen. Hekkings parklandschap is precies zoals het zou moeten zijn: de tekeningen zijn uitermate levendig en atmosferisch. Alles beweegt, niets staat stil. De natuur is uitvergroot en de (wandelende) mens is een maatje kleiner gemaakt; zo komt de mens onder de indruk van het landschap.

Overeenkomsten en verschillen tussen werkelijkheid en interpretatie zijn het beste te zien bij foto’s en tekeningen van een en dezelfde plek. Bijvoorbeeld van de situatie rond het ‘huis van Wille’. Dit huis lag aan de parkrand, aan het eind van het Zandpad. De foto’s tonen een vrij vlak en open parklandschap, met stilstaand water. De bosschages zijn in flinke groepen aangeplant. Op de tekening van Hekking ziet het landschap er anders uit. De beplanting is twee maatjes groter gemaakt en de hoogteverschillen zijn flink aangescherpt. Het water stroomt en de wind brengt een rimpeling in het wateroppervlak. Er is activiteit op het water: een kind in een sloepje. Het loof is zeer gevarieerd en langs het water staan oevergewassen. Ook de wolken dragen bij aan de levendigheid van de tekening. Zowel op de tekening als op de foto’s spiegelen park en architectuur zich in het water.

Een vergelijking tussen het getekende en gefotografeerde paviljoen geeft eenzelfde beeld.[29] Hekking tekent het paviljoen in zijn parkachtige omgeving als een natuurlijke idylle. De beplanting is uiterst gevarieerd en iedere vorm van rechtlijnigheid is achterwege gelaten. De werkelijkheid van de foto’s is enigszins ontnuchterend; het is een opener, rechter en saaier beeld. Prozaïscher ook, want al in 1871 vertoont het gebouwtje gebreken: er is sprake van scheuren en verzakkingen van de vloer. Wegens slechte staat werd het paviljoen al in 1878 gesloopt.[30]

Het landschap rond de waterloop, tot slot, wordt op de foto’s gedomineerd door open stukken rijweg en grasoever. Er zijn uniform aangeplante bosschages en laanbomen langs de paden te zien. Het water staat stil. Het geheel maakt een statische indruk. Op de tekening van Hekking is er weer een en al beweging. De wolken drijven voorbij, een zuchtje wind brengt een rimpeling op het wateroppervlak. Het geboomte domineert en het loof is oud, wild en weelderig, De beplanting is ronduit spannend, hier en daar lijkt het op een sprookjesbos. Een dode boom, liggend in het water, werkt op het gemoed. De eenden in de vijver zijn waarschijnlijk op zoek naar kroos. En de mens…? Die wandelt.

In de Beeldbank van het Stadsarchief Amsterdam bevinden zich veel foto’s van het Vondelpark van rond 1900, onder andere van Jacob Olie. Tegen die tijd bereikte het Vondelpark zijn volle wasdom en het is verbluffend te zien hoe dicht de vijf tekeningen van W. Hekking jr. deze gefotografeerde werkelijkheid benaderen. De conclusie kan niet anders zijn dan dat hij beschikte over een bijzondere verbeeldingskracht.

 

 

[1] Dit artikel is mede gebaseerd op de rapporten ‘Onderzoek Historische Beplantingen Vondelpark’ (ohbv), en ‘Onderzoek Parkmeubilair en Parksieraden Vondelpark’ (oppv) door A.-K. Copijn, M. Delprat en H. Schreiber in opdracht van Stadsdeel Oud-Zuid, Gemeente Amsterdam, 2008. Deze rapporten zijn gebaseerd op onderzoek van het archief van de Vereniging tot Aanleg van een Rij- en Wandelpark, genaamd Vondelpark, maar er werd ook gebruik gemaakt van eerdere publicaties over het Vondelpark, zoals: E. Heimans en Jac. P. Thijsse, In ’t Vondelpark, Amsterdam, 1901; J. Feith, Ons gouden Vondelpark, Amsterdam, 1914; G. Bekkers (red.), Ode aan het Vondelpark, Amsterdam 1997.

[2] Op 18 oktober 1867 werd in het Nieuwe Park het beeld van Vondel onthuld. In 1868 kreeg het park de naam Vondelspark. In 1880 werd de naam ‘Vondelspark’ veranderd in ‘Vondelpark’.

[3]De Park-Commissie bestond uit de volgende leden: Mr. J. Messchert van Vollenhoven, C.P. van Eeghen, J. van Eik, C. Becker, mr. Herm. J. van Lennep, mr. E.J. Everwijn Lange, D. Rahusen, mr. N.J. den Tex, C.A. Crommelin, J. Bunge, D. Henriques Castro, Mz., E.W. Cramerus, jhr. mr. C. Dedel, A.W. van Eeghen, J. van Eeghen, A. van Geuns, Aug. M.J. Hendrichs, L. Hoyack, H.A. Insinger, jhr. mr. J. de Bosch Kemper, mr. J.F. van Lennep, H. Luden, J. Luden van Stoutenburg, F. Melvil, D. Mendes, A. de Neufville, F. van der Oudermeulen, mr. E.S. van Raalte, W.J.E. Smissaert, S.J. Graaf van Limburg Stirum, dr. M.J. Verkouteren, dr. H. van Beeck Vollenhoven, Jac. De Vos, Jacsz. en mr. F.T. Westerwoudt. Bron: Stadsarchief Amsterdam (saa), toeg.nr. 352, Archief van de Vereniging tot Aanleg van een Rij- en Wandelpark, Genaamd Vondelpark, 1863-1954 (avarw), inv.nr. 3, Ingekomen- en copieën van uitgaande stukken van de secretaris 1864-1870, nr. 1.

[4] avarw, inv. nr. 3, nr. 1.

[5] Ibidem.

[6] Ibidem.

[7] Op een enkele tekening van de laatste aanlegfase na zijn er geen ontwerptekeningen van het Vondelpark van de hand van J.D. Zocher jr. en L.P. Zocher overgebleven.

[8] C. Steenbergen, W. Reh e.a., De Polderatlas van Nederland, Bussum 2009, p. 51-54, 185-189.

[9] Een mooi beeld van het landschap van de Buitenveldersche Binnendijksche Polder geeft een tekening uit de Beeldbank van het Stadsarchief: saa, afbeeldingsbestand 010094001003. De tekening wordt gedateerd 1870-1880 en laat de polder zien aan de zuidzijde van de stad. De vervaardiger is onbekend.

[10] Christian C.L. Hirschfeld, Theorie der Gartenkunst, Leipzig, 1779, deel 1, der Landschaft und ihren Wirkungen: p. 209.

[11] Hirschfeld, Theorie der Gartenkunst, p. 186-230.

[12] Vondelpark Verslag 1864-1892, avarw, inv.nr. 55.

[13] avarw, inv. nr. 3, nr. 5. De eerste president van de Vereniging was C.P. van Eeghen; de eerste secretaris was N.J. den Tex.

[14] avarw, inv. nr. 3, nr. 16.

[15] Ibidem.

[16] Pieter Verhagen, Nederlands landschapsarchitect ten tijde van het interbellum, schrijft als volgt over het onderscheid tussen park, natuur en landschap: ‘Tot de natuur reken ik dan alle vrije werkingen en uitwerkingen buiten de mens om. De natuur is dus ongerept en onbegrensd van huis uit, verdraagt als zodanig geen ingrijpen, in haar beleven we de schone voltrekking der gepredestineerde wetmatigheid. Dan komt de mens, en grijpt in, zet de natuur om naar eigen behoefte en aard, het landschap wordt geboren. De mens brengt de dynamiek van zijn bestaan in het landschap [….]. Niet in zijn eentje, maar zijn gemeenschap bouwt er op grote schaal haar tehuis in op [….] Het park ontstaat pas als door de steeds compacter concentratie van de mensen in de steden, zij elkaar dreigen te verstikken en in elk geval het groen uit de steden wordt geperst. Dan komt de gemeenschap en vult het tekort aan groen weer wat aan met een park. Met het landschap heeft het park dus gemeen dat het voor en door een samenleving is gemaakt’. Pieter Verhagen, Het geluk van de Tuin, Een aansporing tot het zinvol tuinieren, Amsterdam, 1945, p. 31-32.

[17] L.P. Zocher overleed in 1915. De zakelijke banden tussen de Vondelparkvereniging en de firma Zocher liepen door tot en met 1918, Copijn, Delprat & Schreiber, ohbv, p. 32-34.

[18] In De eerste foto’s van Amsterdam worden de Vondelparkfoto’s van Oosterhuis één jaar later gedateerd.

[19] saa, Beeldbank, afbeeldingsbestanden b00000029234-42.

[20] A. van Veen, Pieter Oosterhuis 1816-1885, in: F. Bool, W. Diepraam, M. Haveman, A. Martis (red.), Monografieën van Nederlandse fotografen, deel 3, Amsterdam, 1993.

[21] P.H. Witkamp, ‘Het Rij- en Wandelpark te Amsterdam’(rwa), Nederlandsch Magazijn 10 (1866), p. 73-78, 80, met vijf ‘teekeningen op hout’ van W. Hekking jr. en een plattegrond van de hand van de auteur. Een afdruk van dit artikel wordt bewaard in het Vondelparkarchief, saa, avarw, inv.nr. 157.

[22] Witkamp gaat in zijn tekst vrij uitgebreid in op de voorgeschiedenis van het park. Ook doet hij een oproep aan de lezers om geld te geven voor de uitbreiding van het Park tot aan de Amstelveenseweg.

[23] Nederlandsch Magazijn, Amsterdam, 1834-1885. De betreffende jaargang van Nederlandsch Magazijn (jaargang 1866) bevindt zich o.a. in de Universiteitsbibliotheek uva, Bijzondere Collecties.

[24] E. Claassen, ‘Het Nederlandsch Magazijn, het Nederlandsch Museum en De Honingbij, Drie geïllustreerde tijdschriften in de jaren dertig en veertig van de negentiende eeuw’, Jaarboek voor de Nederlandse boekgeschiedenis 5 (1998), p. 113-146, 203-204.

[25] Aan W. Hekking Jr. is nog geen monografie gewijd.

[26] P.H. Witkamp, Amsterdam in Schetsen, met tekeningen van W. Hekking Jr., in twee delen. Het eerste deel verscheen in 1861, het tweede deel in 1869. De prenten van Hekking van Natura Artis Magistra zijn o.a. te vinden in Collectie Stadsarchief Amsterdam. De prenten dateren van 1845 tot ca. 1880.

[27] Deze tentoonstelling werd gehouden van 7 tot 12 april 1865. In het maart-, april- en meinummer van het betreffende jaar van  Nederlandsch Magazijn (p. 65-96, 97-136 en 137-168) wordt de tentoonstelling in woord en beeld beschreven.

[28] De tekeningenverzameling van C.P. van Eeghen en dr. I.H. van Eeghen. De collectie bestaat uit meer dan zeshonderd tekeningen en prenten uit de zeventiende tot de twintigste eeuw. Ze hebben betrekking op Amsterdam. De collectie Van Eeghen is de laatste grote particuliere historisch-topografische verzameling die nog integraal bewaard is gebleven. Het album van Watervliet is in 1974 door I.H. van Eeghen aangekocht. De tekeningenverzameling bevindt zich in het Stadsarchief, toeg.nr. 10055.

[29] Het paviljoen werd – naar een ontwerp van Louis Paul Zocher – in 1865/1866 gebouwd door aannemer H.G. Scheltema; de aanneemsom bedroeg 2548 gulden. Copijn, Delprat & Schreiber, oppv, p. 44.

[30] Copijn, Delprat & Schreiber, oppv, p. 44.