Geen getut

5 november 2016

Een paar weken terug was ik op bezoek bij een kennis, een kunsthistorica die al vroeg in haar loopbaan haar hart verpandde aan de tuinkunst. Ze heeft een paar mooie publicaties op haar naam staan, waaronder het boek over de beroemde Nederlandse kwekers- en ontwerpersfamilie Copijn. Zo’n beetje drie jaar geleden gooide ze echter het roer om. Ze schoof het schrijfwerk opzij en ging fysiek aan de slag op 1000 vierkante meter veengrond, onder de rook van Rotterdam. Ze legde er een bloemenakker aan en begon een bedrijf voor biologisch geteelde snijbloemen en tuinkruiden. Het was hard werken, het  is hard werken, maar het lukt. Tijdens het groeiseizoen levert ze nu bloemen aan bloemisten uit de buurt en staat ze elke twee weken op de boerenmarkt in Rotterdam. Toen ik bij haar bloemenveld kwam aanrijden zag ik haar in de verte lopen, met ferme pas, tussen de langgerekte bloembedden door, hoed op – want de zon scheen fel -, handschoenen, oude broek, werkschoenen, kniebeschermers. En de snoeischaar bij de hand.

20161105_103333-2

Stilleven met hoed, Vijlen, 5 november 2016

Ik mocht een tijdje meewerken en ik diefde zo’n 30 strekkende meter dahlia’s. Later, toen we in een hoekje van de kwekerij thee dronken, zei ze: “Eigenlijk is er niets veranderd; of ik nou schrijf over planten of dat ik ze teel: het gaat in beide gevallen om het resultaat van mijn fascinatie voor het uitgangsmateriaal. En dat uitgangsmateriaal, dat zijn de planten.”

Haar gedrevenheid, voortkomend uit die passie voor planten, is niet uniek. Integendeel. Het lijkt de gemene deler van alle Nederlandse vrouwen die hun sporen verdiend hebben c.q. verdienen op het gebied van planten en tuinen. Geen getut. Maar wel: kundig, met hart en ziel, vasthoudend én in de hoogste versnelling.

Ik herken al deze eigenschappen in de vrouwen van het zeventiende-eeuwse, Amsterdamse  botanische netwerk, met namen als Magdalena Poulle, Maria Sybilla Merian, Maria Monickxs, Maria en Alida Withoos en Agneta Block. Agneta bijvoorbeeld ontpopte zich op haar buitenhuis aan de Vecht als een uiterst begaafd kweekster van zeldzame en uitheemse planten en ze  was de eerste die in Nederland een ananasvrucht wist op te kweken. Haar successen worden toegeschreven aan haar manier van werken, die zowel wetenschappelijk als praktisch was.

Ik herken de passie bij de eerste Nederlandse vrouwen die een vakopleiding gingen doen, of het nou de elitaire Tuinbouwschool “Huis te Lande” was, of de technische Landbouwhogeschool in Wageningen of de praktische Tuinbouwschool in Boskoop.

Gedrevenheid was er bij de grote namen van de Wederopbouw, na de Tweede Wereldoorlog. Bij Grande Dame Mien Ruys, die in Nederland eenzelfde status bereikte als Gertrud Jekyll een paar decennia eerder in Engeland. Of bij Jacoba Mulder, die met haar ontwerp van het Amsterdamse Bos een erfenis van jewelste achterliet in de door mannen gedomineerde Amsterdamse stedenbouw.

De passie is ook overduidelijk aanwezig bij de dames van de particuliere tuinen die vanaf de jaren ’70 van de vorige eeuw hun deuren openden tijdens de Open Tuinendagen. De mooiste paradijsjes kwamen tevoorschijn. Een heel stel Zeeuwse dames, mevrouw Canneman uit Langbroek bij Utrecht, de Limburgse Amy van Ierssel en Ineke Greven: hun tuinen werden heuse iconen, mede doordat ze gefotografeerd werden door de al even gedreven fotografe Marijke Heuff. Niet voor niets werden haar tuinfoto’s in 2012 aangemerkt als nationaal erfgoed.

Vandaag de dag herken ik de passie nog het meest bij de jonge generatie stadstuiniers. Vaak zijn dat vrouwen. Op onmogelijke plekken gaan ze aan de slag, en binnen een jaar wordt er geoogst. De producten worden op de lokale markt verkocht of belanden op het bord in de restaurants in de buurt. Keihard werken is dat, en je houdt het alleen maar vol als je je ziel en zaligheid er in legt.

Ik voel me thuis bij al deze vrouwen, of ze nu nog leven of niet. Met hen kan ik een boom opzetten over alles wat plantaardig is. En vervolgens wil ik meelopen en meewerken. Hoed op, handschoenen aan, oude broek, werkschoenen. De snoeischaar bij de hand. Graag trek ik daarbij ook nog mijn oude bloemetjesschort aan. Dat lijkt getut, maar, beste luisteraar, vergis u niet: zo’n schort is gewoon superpraktisch.

Advertenties

Over Hanneke Schreiber

Op het grensvlak van natuur en cultuur
Dit bericht werd geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s