Kastanjes

Deze week liep ik in een park in Roermond en daar kwam ik een oma tegen, met haar kleindochter aan de hand. Het meisje – ze was een jaar of zes, zeven – had een plastic tas bij zich en getweeën tuurden ze op de grond. Ze waren iets aan het zoeken, maar uit hun lichaamstaal kon ik opmaken dat ze het niet konden vinden. Ik vroeg waar ze naar op zoek waren (een bril misschien, of verloren sleutels?), maar toen zei het meisje: ‘Kastanjes’.

IMG_4095 (2)

Bolsters en vruchten van de witte paardenkastanje (links) en de tamme kastanje (rechts). Vijlen, 30 september 2018

‘Ha!’, dacht ik: ‘Dat is mooi!’ Zoektochten – en zeker zoektochten van kleine meisjes – moeten liefst uitlopen op een mooie vondst, want anders ligt frustratie op de loer. Ik wist dat er in de directe omgeving geen enkele kastanjeboom te vinden was en dus wees ik ze op een exemplaar dat een paar honderd meter verderop stond. Dáár zouden ze vast iets kunnen vinden.

Lang geleden, in datzelfde Roermond, was het elke herfst raak. Mijn favoriete bomen stonden op de hoek van de Hertenerweg en de Roerderweg, zo’n twee kilometer van huis. Ver weg voor een kleine meid en ik durfde mijn moeder dan ook niet te vertellen waar ik naar toe ging. Dagen van te voren plande ik mijn trip, waarbij het me meer ging om het avontuur van het rapen, zo ver van huis, dan om de kastanjes zelf. Ik weet nog dat ik eens terugkwam met goedgevulde zakken en dat mijn moeder vroeg waar ik ze geraapt had. ’O, vlak bij’, antwoordde ik zo achteloos mogelijk, maar achteraf bezien heb ik niet de illusie dat mijn opmerkzame moeder me niet door had.

De kastanjes die ik daar op dat kruispunt raapte waren niet eetbaar. Ik kende het verschil nog niet tussen de eetbare tamme kastanje en de niet eetbare paardenkastanje. Een kastanje was een kastanje en het ging immers om het rapen. Pas later leerde ik dat ze weliswaar allemaal kastanje worden genoemd en dat ze allemaal in stekelige bolsters zitten, maar dat sommige van die gladde, bruine, glimmende vruchten wel eetbaar zijn en andere niet. Het is best vreemd dat vruchten die zo op elkaar lijken afkomstig blijken te zijn van bomen die zo van elkaar verschillen.

De niet-eetbare kastanje is de vrucht van de witte paardenkastanje (Aesculus hippocatanum, marronnier commun, gemeine Rosskastanie. Hij is te bitter om te eten. De soort werd rond de 17de eeuw als sierboom vanuit de Balkan in Noordwest Europa geïntroduceerd. De eetbare kastanje is de tamme kastanje (Castanea sativa, châtaignier, Edelkastanie), oorspronkelijk afkomstig uit de gebieden rond de Middellandse Zee. De Romeinen, zo kien op smaakvolle nutsgewassen, namen de soort tweeduizend jaar geleden al mee naar onze streken.

De bladeren konden niet méér verschillend zijn. Bij de een staan ze verspreid en bij de ander zijn ze tegenoverstaand. De bladeren van de paardenkastanje zijn vijf- of zevenvingerig en in de winter verteren ze snel. De bladeren van de tamme kastanje zijn enkelvormig en langwerpig, met scherp gezaagde randen en ze verteren maar heel, heel langzaam. In mijn tuin hebben de bladeren van de tamme kastanje de neiging om de hele winter door met alle winden mee te waaien en alle hoeken van de tuin aan te doen, waar ik ze dan in het voorjaar, volstrekt onverteerd, tussen de vaste planten uit moet vissen.

IMG_4099 (2)

De ronde vrucht van de witte paardenkastanje (links) en de afgeplatte vrucht van de tamme kastanje, inclusief wit pluimpje (rechts). Vijlen, 30 september 2018.

De bloeiwijzen verschillen, de bolsters verschillen, de basten, de knoppen, het aantal vruchten per bolster, ga zo maar door. Omdat ik nutsgewassen tien keer interessanter vind dan siergewassen gaat mijn hart uit naar de tamme kastanje. Daarom staat er een in mijn tuin. Dit heeft als gevolg dat ik tegenwoordig niet meer op avontuur hoef te gaan om te rapen, wat best jammer is. Het avontuur zoek ik nu in het experimenteren met recepten voor kastanjepuree. Van tamme kastanjes natuurlijk, hoewel de puree – verwarrend genoeg – door de Fransen en Duitsers respectievelijk crème de marrons en Maronencreme genoemd. Maar, gezoet of ongezoet: de kastanje blijft een van de grote geneugten van de herfst.

Geplaatst in Uncategorized | Plaats een reactie

Koekjes en chocola

Wist u dat Jac. P. Thijsse, onze nationale volksopvoeder op het gebied van flora en fauna, midden in Maastricht het levenslicht zag?  Het was in 1865 en zijn geboortehuis stond vlak bij de Helpoort, naast de voormalige Minderbroederskerk. Drie jaar woonde hij er, totdat het gezin Thijsse achtereenvolgens naar Grave in Brabant, Woerden in Zuid-Holland en tot slot naar Amsterdam verhuisde.

rampa001_31-8-2018_14-09-08.1 (2)rampa001_31-8-2018_14-36-31 (3) rampa001_31-8-2018_14-09-08.1 (3) rampa001_31-8-2018_14-36-31 (2)

Het verhaal is bekend: Jac  P. Thijsse bezocht in Amsterdam de kweekschool en trof daar fantastische leraren; hij haalde zijn eerste onderwijzersdiploma’s, klom vervolgens op in de hiërarchie van het onderwijsstelsel en werd hoofd van de Openbare School aan de Amsterdamse Passeerdersgracht; in 1893 vonden Jac. Thijsse en collega-schoolhoofd Eli Heimans elkaar in hun passie voor wandelen, voor de natuur en voor het natuuronderwijs en dat was het begin van een uiterst productieve vriendschap.

Via hun schrijfwerk, soms als coauteurs, soms ieder apart, enthousiasmeerden ze decennia lang heel Nederland voor de natuur en daarmee stonden ze aan de wieg van de natuurbescherming. Hun bekendste gezamenlijke werk was de eerste geïllustreerde Flora van Nederland, een determinatieboek dat ook voor leken en amateurs heel bruikbaar was. Maar het meest toegankelijke werk was ongetwijfeld de serie Verkade-albums die Thijsse zonder Heimans schreef.

“Ze hebben me nu gevraagd om te schrijven voor de reclame. Dat doe ik vast niet.”, zei hij volgens de overlevering in 1905 tegen zijn vrouw toen hij door de firma Verkade was gevraagd om mee te werken aan hun nieuwe promotiecampagne. In eerste instantie was hij dus niet erg enthousiast, maar toen hij besefte dat hem de gelegenheid werd geboden om zijn liefde voor de natuur aan een breed publiek uit te dragen, ging hij overstag. Bovendien had de directie hem duidelijk gemaakt dat zij hoge kwaliteitseisen stelden aan zowel vorm als inhoud van de albums en dat voor elk album een groot aantal plaatjes in kleurendruk zou worden gemaakt. Dat was iets heel bijzonders voor die tijd.

rampa001_31-8-2018_16-57-00 (2)


In den zomer van 1928 hebben wij een heel sterke intocht gehad van Oranje Luzernevlinders (93), In Zuid-Limburg wemelde het er van en ik heb ze toen heel mooi bezig gezien op de Ruige Anjers (93), die daar nogal veel groeien langs de Zuidgrens“. Uit het Verkade-album De Bloemen en haar Vrienden, 1934.

Voor Verkade had de campagne niet alleen te maken met winst, maar ook met de verspreiding van kennis over de flora en fauna van Nederland. Daarmee sloot Verkade slim aan bij de grote behoefte aan voorlichting over natuur, landschap, planten en dieren die begin vorige eeuw als reactie op de toenemende industrialisatie was ontstaan.

Ook vandaag nog staat de Verkadecampagne te boek als een van de grootste en succesvolste Nederlandse reclamecampagnes ooit. Tussen 1906 en 1940 werden 27 albums uitgegeven, in eerste instantie ieder jaar één. De meeste albums werden door Thijsse geschreven, maar vanaf 1925 werden voor sommige onderwerpen ook wel andere auteurs aangetrokken. Er werden zo’n 30 miljoen plaatjes verspreid en maar liefst 3,2 miljoen albums gingen over de toonbank. De formule was als volgt: in de verpakkingen van beschuit, koek, biscuit, paneermeel, toffee en chocola werden plaatjes gestopt. Die kon je verzamelen en in een album plakken. De plaatjes waren gratis, maar voor het album moest je extra betalen, eerst 75 cent, later 1 gulden.  Vanwege de hygiëne werden de plaatjes op gegeven moment vervangen door bonnen die je kon omwisselen voor plaatjes.

De albums werden vergezeld van tips over het sparen, over de lijm die je het best kon gebruiken en over het ruilen van dubbelen. Als je een plaatje dubbel had, dan kon je dat per brief naar Verkade sturen waarna je een ander exemplaar kreeg toegestuurd. Ook werden er door Verkade ruilbeurzen georganiseerd. Op dergelijke bijeenkomsten zorgde Verkade voor muziek en koek of chocolade uit eigen fabriek.

Mijns inziens was het volstrekt geniaal. Aan honderdduizenden Nederlandse keukentafels tegelijk werden koekjes en chocola gegeten, werden de prachtigste plaatjes uitgepakt en ingeplakt en leerde men spelenderwijs over de Nederlandse flora en fauna: “Heb jij voor mij de zilverschoon met gewone rupsendoder? Dan krijg je van mij de zeeraket met knollenwitje”.

Laatst keek ik weer eens een paar albums door en ik werd getroffen door de toegankelijkheid van de teksten. De natuureducatie van tegenwoordig is een compleet eigen vakgebied, maar we kunnen nog steeds een voorbeeld nemen aan de heldere, vrolijke en levendige teksten van Thijsse.  Ze blijven zonder meer inspirerend.

Als u eens op een vrijdag in Amsterdam bent, dan moet u beslist langs op de Plantage Middenlaan 2c. Daar ligt namelijk een goed bewaard geheim. Het is de fraaie bibliotheek van de Heimans en Thijsse Stichting. Tussen de 15.000 boeken en andere publicaties op het gebied van natuurbehoud en natuureducatie bevinden zich veel klassieke uitgaves. Aan de leestafel kunt u –bijvoorbeeld – de prachtige Verkade-albums op uw gemak bekijken. U heeft er gegarandeerd een paar zeer geslaagde uren. Veel beter dan al die lange rijen wachtenden voor musea op het Museumplein.

Geplaatst in Uncategorized | Plaats een reactie

Zomerkijken

Het is zomer in Limburg. Buiten is het 37 graden. De tuin is stilgevallen. Er is niets te doen, en als er al wat te doen zou zijn, dan is het veel te warm om me in te spannen. Het enige waar ik energie in stop is de strategie van het water geven. In deze dagen is het een heuse sport om dat zo min mogelijk te doen zonder dat de planten en bomen kasje wijlen gaan.

Door de hitte groeit het gras in mijn Vijlense tuin niet meer. Dat scheelt behoorlijk in het maaiwerk. En ook komen er veel minder bloemen tot ontwikkeling dan normaal het geval is. De trage rijping van de vruchten – de Japanse wijnbessen, de vlierbessen, de druiven en de appels –  is de enige beweging die ik ontwaar.

Van mij mag het, die stilstand. Het past bij de tijd van het jaar. Het is immers vakantietijd en er is geen betere plek om al luierend je zomervakantie te vieren dan in de schaduw van je eigen tuin.

IMG_3858

Zomerkijken tussen de meisjesogen, Vijlen, 26 juli 2018

Een maand of wat geleden hoorde ik een nieuw woord. Het was het woord ‘zomerkijken’. Ik vind het een bijzonder mooi woord.  ‘Zomerkijken’ betekent de tijd nemen om te observeren. De bloemen, de insecten, de vogels. Je rustig overgeven aan het moment, achteroverleunend in een luie stoel onder een boom, natuurlijk met een glaasje fris in de buurt. Noem het zen, noem het mindfullness, noem het meditatie, noem het onthaasten, noem het lummelen, noem het wat je wil. Waar het om gaat is dat de haast verdwijnt en dat je de tijd neemt voor iets waar je de rest van het jaar geen tijd voor neemt. Het verstand gaat kortstondig op nul en de vakantietijd is perfect daarvoor.

Mijn hond Kiek is bijzonder goed in zomerkijken. Het is verbluffend om haar bezig te zien. Ze is zó goed dat ik jaloers op haar ben. Ze heeft een speciale plek voor dat zomerkijken, achter in de tuin. Daar ligt mijn pluktuin. Tussen de goudsbloemen en de strobloemen bevindt zich zo’n twee vierkante meter Coreopsis verticillata, ook wel meisjesogen genoemd.  Het is een dichte, mooie bos, zo’n vijftig centimeter hoog, die al twee maanden een zee aan gele bloemen geeft. Er komen massa’s insecten op af, met name bijen.

IMG_3859

Hup, daar gaat ze weer…

En wat doet Kiek? Vanaf het paadje duikt ze heel voorzichtig het dichte woud van soepele Coreopsis-stengels in en gaat daar dan doodstil staan. Kiek is een zwarte teckel, ze staat laag op de poten en dus verdwijnt ze vrijwel helemaal. Vervolgens doet ze niets anders dan staan en kijken. Kijken naar een spinnetje. Een luisje. Een bijtje. Een kevertje. De wereld valt stil en de tijd tikt weg. Na een minuut of tien zie ik even iets bewegen. En na nog weer vijf minuten komt ze aan de andere kant langzaam uit de bos tevoorschijn. Ze loopt een rondje en dan begint ze van voor af aan. Het is een heus ritueel. Hup, daar gaat ze weer, ze duikt in de bos meisjesogen en geeft haar eigen meisjesogen de kost. Eén en al fascinatie voor het allerkleinste dat de tuin te bieden heeft. Uren en uren heeft ze de afgelopen tijd zo doorgebracht.

En ik, op mijn beurt, ik kijk naar Kiek. Vanaf de tuinbank observeer ik in alle stilte degene die observeert. In de vakantie kan ik dat heel lang volhouden. En ergens boven onze hoofden zweeft vast wel de een of andere satelliet die naar mij kijkt. Ziedaar het droste-effect.

De Coreopsis is nu bijna uitgebloeid, de bijen zullen op zoek gaan naar andere bloemen en ik ben benieuwd wat Kiek dan gaat doen. Hopelijk gaat ze nog even door met haar zomerse observaties.

Geplaatst in Uncategorized | Plaats een reactie

De grote vragensteller

Vorige maand, op 26 mei, overleed Ger Houben, de onvolprezen en onvervangbare presentator van Limburgs Land, het natuur- en tuinprogramma van L1, de Limburgse regionale zender. Met zijn overlijden eindigt een tijdperk, en hoe het nu verder gaat met zijn programma, dat weet niemand. We zijn gewoon even de draad kwijt.

Bij de herdenkingsbijeenkomst op 2 juni sprak ik de laatste column voor Limburgs Land uit. Hieronder staat deze laatste tekst. Natuurlijk gaat hij over Ger. En over dankbaarheid.

2 juni 2018

Limburgs Land  is het programma van L1 over natuur, milieu en tuinen in onze provincie. Hoewel natuur en tuinen verwant zijn, zijn ze ook heel verschillend. Het is in feite zo dat waar de een begint, de ander ophoudt. De tuin is privédomein, de natuur wordt geacht van ons allen te zijn. De tuin is mensenwerk, de natuur juist liever niet. Het is juni, rozentijd, dus ik heb twee rozen meegebracht, de een komt uit de tuin, de ander uit de natuur.

IMG_3842 (2)

Rosa ‘Variegata di Bologna’

De tuinroos heet: Rosa ‘Variegata di Bologna’. Hij werd in 1909 in Italië opgekweekt en het is een zogenaamde Bourbonroos. Hij wordt zo’n 2 meter hoog, de bloemen ruiken lekker en vanwege de merkwaardige tekening van de bloemblaadjes staat hij bekend als een curiositeit. Het is een gekweekte roos, een product van mensenhanden. Dergelijke rozen vertellen ons over Limburgse tuinen, over de rozenkwekers in Lomm, over oude paardenmest, over luizen en over snoei. Maar net zo makkelijk vertellen ze over de 17de -eeuwse bloemstillevens van Hollandse meesters of over de immense rozencollectie van Joséphine de Beauharnais. En natuurlijk vertellen ze over al die Engelse tuinen waar Ger ons mee naar toenam.

Zo heb je een roos en zo heb je een wereld vol tuinverhalen.

En dit is de Rosa canina, beter bekend als de hondsroos. De hondsroos is een van de wilde rozensoorten die ons land rijk is. Volgens de rekkelijken onder de botanici tellen we er in Nederland twintig, de preciezen komen op een wat hoger aantal uit. Ik plukte deze roos vanochtend in een haag aan de rand van het Vijlenerbos. Hij vertelt over de natuur, over natuurbeheer, over soortenrijkdom en over ecologie. Maar ook over de hagen en de graften in het Limburgse landschap, over de vogels die zich voeden met de rozenbottels en beschutting vinden tussen de stekelige doorns.

Zo heb je een roos en zo ligt de natuurlijke wereld aan je voeten.

Ger opende ze voor ons, deze werelden. Ik zit nu zo’n 30 jaar in het planten- en tuinenvak, maar ik heb eigenlijk nooit iemand ontmoet die flora en fauna zo dicht bij de mensen wist te brengen als hij. Helder, lichtvoetig, nieuwsgierig, maar, vergis je niet, zonder de complexiteit van het onderwerp uit het oog te verliezen.

Helder, lichtvoetig en nieuwsgierig. Een beeld dat bij mij opkomt is een beeld uit het Boek tegen de Barbarij, dat Erasmus rond het jaar 1495 schreef. Plaats van handeling in dit boek is een tuin in de buurt van Bergen op Zoom en de ik-persoon heeft een stel vrienden om zich heen verzameld. Er worden vragen gesteld en er wordt gediscussieerd; de geestdrift en de nieuwsgierigheid spatten van de pagina’s af. Ideeën en meningen vliegen in het rond, er worden grappen gemaakt en bij tijd en wijle is het een bijzonder vrolijke boel, daar in die tuin. Het lijkt eenvoudig gekeuvel, maar, vergis je niet, tussen neus en lippen door passeert menig grote kwestie uit de vroege renaissance de revue.

Met zijn grote vakkennis, zijn kunstenaarsoog, zijn geestdrift, zijn nieuwsgierigheid en een lekkere dosis eigenwijsheid bood Ger in Limburgs Land precies zo’n platvorm aan liefhebbers en deskundigen. Daarmee kwam hij uiterst dicht bij de luisteraar. Subliem vond ik zijn gave om vragen te stellen. De eerste keer dat hij me interviewde was hij samen met Ineke bij mij op bezoek in de Amsterdamse Hortus. Nadat was vastgesteld dat ik toch echt wel een geboren en getogen Limburgse was, kwamen de andere vragen, en ik dacht: hee, wat een leuke vragen! Het was een feest om ze te beantwoorden. Dat is Ger voor mij: de grote vragensteller. Vragen die enthousiasmeren. Vragen die ruimte scheppen. Vragen die verdiepen. Vragen die de horizon verbreden. Vragen die je doen lachen. Kom daar maar eens om, in deze tijd van de bikkelharde oneliners.

In de studio van L1, op zijn draaikruk, met de koptelefoon op, altijd pen en papier voor zijn neus om aantekeningen te maken, kwam veel groot en klein leed voorbij. Essentaksterfte, de stand der bijen, de zorgelijke achteruitgang van de merelpopulatie, de tragische bomenkap in die-Zuid-Limburgse-gemeente-waarvan-wij-de-naam-niet-zullen-noemen. Maar ook slakkenvraat en alle andere rampen die de huis-, tuin- en keukentuinier kunnen treffen. Leed genoeg dus, maar het overheerste nooit. Het waren de liefde en de verwondering die de baas waren.

In de afgelopen jaren was ik een van de columnisten van Limburgs Land. Het was een voorrecht, en het mag geen verrassing zijn dat Ger na afloop van mijn teksten altijd een pientere vraag voor me in petto had. Vandaag komt die vraag er niet.

Het is intens verdrietig dat hij niet meer bij ons zal zijn. Wat bij ons blijft is het besef hoe fantastisch het is dat hij er was.

Ik denk dat ik ook namens alle luisteraars, namens Paul Geerts en de andere tuinmannen-van-dienst en gasten spreek, als ik zeg dat ik hem daar vanuit het diepst van mijn hart dankbaar voor ben.

 

 

Geplaatst in Uncategorized | Plaats een reactie

Paardenbloem

U kent dat wel. Van die beelden die in je geheugen gegrift staan. Dingen die je ooit – lang geleden – gezien hebt en die je binnen één tel voor je netvlies kunt halen. Alsof het gisteren is. Zo zit ergens in mijn hersens het beeld van een kleine boomgaard die ik ooit zag in Weggis, een stadje aan het Zwitserse Vierwoudstrekenmeer. Het was mei. In de boomgaard stonden jonge fruitbomen in bloei, maar het was niet de witte bloesem die mijn aandacht trok. Het was de zee van geel eronder. Nooit had ik zo veel paardenbloemen bij elkaar gezien. In de dagen erna ben ik nog een paar keer naar de boomgaard gelopen om het geheel op me in te laten werken. Het was voor het eerst dat ik zag hoe overdonderd mooi de paardenbloem kan zijn.

IMG_3190 (2)

Paardenbloemen, Vijlen, 2018

In de borders en gazons van onze tuinen is de paardenbloem niet echt welkom. En speciaal in de moderne tuin, met al zijn tegels, gaat, ik citeer: ‘die rotplant tussen de stenen zitten en je krijgt hem nooit meer weg’. Onze wanhopende medemens zoekt zijn toevlucht tot bestrijdingsmiddelen of handige tips, maar het is vechten tegen de bierkaai, want al die vrolijke pluisjes met hun zaadjes komen werkelijk overal. Ik ben ondertussen zo’n fan van de paardenbloem dat ik twee jaar geleden eens experimenteerde met een speciale paardenbloemborder in de tuin, onder het motto if you can’t beat them, join them. Het leek me spectaculair en dat was het ook. Twee weken lang. Maar daarna was het afgelopen. De pluizenbollen vielen uit elkaar, blad en stengels zakten in en de paardenbloemborder verviel tot een trieste warboel. Toch maar uitgespit en opgeruimd, die handel.

De afgelopen maand stond de paardenbloem kortstondig weer volop te pronken in de graslanden, maar ik merk dat we hem in het gunstigste geval voor lief nemen. Dat is vreemd, want de paardenbloem is, als vrijwel geen andere plant, diep geworteld in onze cultuur en natuur.

Het Amsterdamse Meertensinstituut, onderdeel van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen,  heeft een database met alle volksnamen van planten in het Nederlandse taalgebied. Voor de paardenbloem zijn dat er, schrik niet, meer dan vijfduizend. Bedpisser, bedzeiker, ganstong, hengstenbloem, zuurmelk, blaasbloem, kettingbloem, konijnenvreten, molsla, suikerij, varkensbloem, om er maar een paar te noemen. Je wordt compleet duizelig als je de pagina’s met alle lokale varianten doorkijkt. Limburg draagt zijn eigen steentje bij. Volgens het Woordenboek van de Limburgse Dialecten hebben ze het in Gulpen en Valkenburg over de zeikbloom. In Posterholt houden ze het netjes en zeggen ze suikerkruid. Zoermennich in Oostelijk Zuid-Limburg; kettingbloom rond Sittard en Geleen; gauwstombloom in Beegden; aardgal in Meijel; knijnsblaar in Echt, en ga zo maar door. In Vijlen, het dorp waar ik woon, heet de paardenbloem pedsbloom. Mijn conclusie: een plant waar zo veel namen voor bestaan, die moet wel dicht bij ons liggen.

Even duizelig word je wanneer je een blik werpt op de plantensystematiek. We hebben het hier over het genus Taraxacum en de Flora van België en aangrenzende gebieden begint de beschrijving meteen maar met een waarschuwing: ‘Taraxacum omvat talrijke soorten die moeilijk van elkaar te onderscheiden zijn’. Blijkbaar is het genus paardenbloem uiterst variabel. Plantensystematici of taxonomen noemen een dergelijk genus wel een horrorgenus. Je kunt er, ook als wetenschapper, volledig de weg in kwijtraken. Stel u voor: een taxonoom die met een paardenbloem voor zijn neus radeloos naar zijn hoofd grijpt. Daar word ik toch wel enigszins vrolijk van.

20180502_103530

Net uitgebloeide paardenbloem op hoogte. Domtoren, Utrecht, mei 2018

Als uitsmijter het volgende. Momenteel wordt in Utrecht gewerkt aan de voorbereiding van de restauratie van de Domtoren, de hoogste kerktoren van Nederland. Mijn man is bij die restauratie betrokken en een paar weken geleden stond hij met enkele collega’s op een steiger, helemaal bovenaan. En wat zag hij daar? Ja zeker, een paardenbloem. Die had wortel geschoten in een holte tussen de natuurstenen, gotische ornamenten. Speciaal voor u maakte hij een foto. De plant op de foto zal de restauratie zeker niet overleven, maar U begrijpt dat wat mij betreft de populariteit van de paardenbloem in de komende jaren tot grote hoogten mag stijgen.

Geplaatst in Uncategorized | Plaats een reactie

April

In het plantsoen was eergisteren een ploegje gemeentemannen bezig om de vlinderstruiken kort te knippen. Vlinderstruiken? Kort knippen? Binnen een tel weet de tuinier dat het dan begin april wezen moet. We associëren bepaalde maanden met bepaalde klussen en vice versa. Als een innerlijk kompas, maar dan in de vorm van een kalender.

GLS219806

Lady with a Red Hat, portret van Vita Sackville-West door William Strang

De aarde draait rond de zon. Het tijdsbestek van zo’n rondje noemen we een jaar en gedurende zo’n jaar zorgt de hellingshoek van de aardas voor wisselende daglengtes en variaties in zonnekracht op onze planeet. Zie daar het ritme van de seizoenen: het voorjaar, de zomer, de herfst en de winter. Planten en bomen volgen dit ritme en dat maakt dat tuinwerk zich perfect laat beschrijven aan de hand van de jaarkalender.

Allemaal kennen we de onvolprezen Tuinscheurkalender van Romke van de Kaa en onze eigen Paul. Deze twee heren voeren ons langs de tuinklussen van januari, februari, maart, enzovoort. Elke dag scheur je een velletje af en eind december is het tuinjaar niet alleen succesvol afgerond, maar tevens in de prullenbak verdwenen. Opgeruimd staat netjes en zo bewijst de Tuinscheurkalender zich volgens mij als een moderne wegwerpvariant van het oeroude fenomeen dat tuinkalender heet.

In de zeventiende eeuw stond het vakmanschap van Hollandse hoveniers in Europa op eenzame hoogte en veel van hun kennis en kunde werd beschreven in het boek met de titel  Vermakelijck Landt-Leven. Het verscheen voor het eerst in 1669 en het werd vele malen herdrukt. Het boek bestaat uit meerdere delen, en het eerste deel is wereldberoemd geworden. We kennen het als  Den Nederlandtsen Hovenier, geschreven door de prinselijke tuinbaas Jan van der Groen. Het tweede deel, met de titel De Verstandigen Hovenier,  is minder bekend. Het is een kalender met alle klussen die de 17de eeuwse tuinier maand na maand te doen staat. Bijvoorbeeld: “In de Maendt april is de Verstandige Hovenier even bezigh om sijn Hof in goede order te brengen met spitten, graven, zaeyen en planten”. Allerlei instructies volgen, en ik citeer er één: “De Indiaense Kers wordt in April op een warme plaetse bij staeckjens of andere steunselen gezaeyt/ om daer tegen te rusten en haer selven daer aen vast te maken.” Die Indiaanse kers, dat is natuurlijk onze Oost-Indische kers.

Ruim honderd jaar later verschijnt in Engeland een ander hoogtepunt uit het genre. Het is het boek Every man his own Gardener van John Abercrombie. Het behandelt – ook weer per maand – het werk dat gedaan moet worden in de moestuin, de fruittuin, de bloementuin, het struikgewas, de kwekerij en de kassen; dit alles – volgens de tekst op het voorblad – naar de nieuwste inzichten van de allerbeste tuinmannen. Kijken we weer naar de maand april, dan worden alle denkbare klussen gedetailleerd beschreven,  van het zaaien van tientallen moestuingewassen, het verzorgen en uitstallen van bloeiende primula’s, de verzorging van grind- en graspaden, tot het openen van de ramen van de koude kas, opdat na de winter de frisse lentelucht weer binnen kan stromen.

In onze tegenwoordige tijd staan we begin april klaar om heesters te snoeien, en wel die heesters die in de loop van de zomer op het nieuwe hout bloeien.  Zoals inderdaad de vlinderstruik, of de hortensia, of de roos. Heel verfrissend vind ik in dit opzicht de tuinkalender van Vita Sackville-West. Zij neemt namelijk de vrijheid om van de standaard af te wijken. Over de maand april schrijft ze:  “Overvloed is een onmisbaar element van mijn tuinfilosofie. Ik houd van gulheid, of het nu in tuinen is of elders. Ik heb een hekel aan zuinigheid en miezerigheid. Ook de kleinste tuin kan – binnen zijn eigen grenzen – overdadig zijn en ik zou voor nu willen voorstellen dat u probeert om uw rozen eens niet tot bijna bij de grond af te slachten, ze op z’n minst voor een jaar met rust te laten en te zien wat er gebeurt.

Ik moet bekennen dat ik thuis in Vijlen een paar jaar achtereen de rozenstruiken in de voortuin niet heb gesnoeid. Ingegeven door luiheid, maar met een verbluffend resultaat. De bloemen waren ontelbaar. Mevrouw Sackville-West had helemaal gelijk.

 

Geplaatst in Uncategorized | 1 reactie

Anton L. Koster

Deze week was ik in Lisse. Dat kwam omdat ik in de krant een recensie over een tentoonstelling had gelezen. Daarin stond:  “Soms kun je in een klein museum een grote ontdekking doen”. Dat maakte me  nieuwsgierig en afgelopen dinsdag – het was een zonovergoten dag – ging ik op weg. De schrijver van de recensie had niets teveel gezegd: het museum was inderdaad klein en het genot van de tentoonstelling – tsjonge, jonge – was groot.

Koster_Bloembollenvelden_tussen_de_bomen

Anton Koster, een door elzen omsloten bollenveldje

Lisse is niet alleen de standplaats van de Keukenhof, maar ook van Museum De Zwarte Tulp. Daar is momenteel een overzichtstentoonstelling van de  kunstschilder Anton Koster te zien. Koster, die leefde van 1859 tot 1937,  is bekend als dé bollenveldenschilder van Nederland en de ruim 50 schilderijen en tekeningen in de tentoonstelling hebben inderdaad allemaal de bloembollencultuur als onderwerp.

Door Antonie Lodewijk Koster -

Anton Koster, Hyacinten- en tulpenveld in Overveen

Antonie Lodewijk Koster werd geboren in Zeeland en op 19-jarige leeftijd ging hij studeren aan de Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag. Hij belandde er midden in wat tegenwoordig de tweede generatie Haagse School schilders wordt genoemd. Openluchtschilders van typisch Hollandse landschappen en taferelen. Realistisch, maar gemoedvol en met een hoofdrol voor atmosfeer en lichtval. Na afronding van zijn studie reisde hij twee jaar door Frankrijk en de Pyreneeën en daar maakte hij nader kennis met de Franse impressionisten. Terug in Nederland verhuisde hij in 1890 naar Haarlem en ontdekte de bloembollenvelden in de omgeving. Hij zou ze zijn leven lang blijven schilderen.

De bollenteelt rond Haarlem stamt uit het begin van de 17de eeuw, maar na de ineenstorting van de tulpenwindhandel, in 1637, raakte die bloembollenproductie min of meer in het slop. Tot in de tweede helft van de 19de eeuw. Want toen begon de bloembol, als gevolg van allerlei factoren aan een sterke opmars. Nieuwe teelttechnieken, meer aandacht voor drainage en nieuwe tulpvariëteiten zorgen voor een verdubbeling, nee, voor een verviervoudiging van het bloembollenareaal. Met als gevolg het intens gekleurde vlakke voorjaarsland achter de duinen van Noord- en Zuid-Holland, dat destijds werd vastgelegd door kunstschilders en dat momenteel  honderdduizenden buitenlandse toeristen trekken.

Koster_Huis_van_Benedictus

Anton Koster, Tulpenkwekerij bij het Spinozahuis in Rijnsburg

Koster was niet de eerste in het genre. Gek genoeg kwamen meeste vroege schilders van de bloembollenvelden niet uit Nederland, maar uit het buitenland. George Hitchcock uit Amerika, Hans von Albers uit Duitsland, Franz Courtens uit België: in de jaren ’80 van de 19de eeuw kwamen ze naar Nederland om de bollenvelden te schilderen. Bekend zijn de zes schilderijen die Claude Monet in 1886 van de bollenvelden bij Rijnsburg en Sassenheim maakte. In de prachtige catalogus die ter gelegenheid van de tentoonstelling is uitgegeven, wordt gesuggereerd dat de kleuren van de bloeiende velden in eerste instantie misschien te fel waren voor de meeste Hollandse schilders, omdat ze gewend waren om in sobere, gedekte tinten te werken.

Op de tentoonstelling is te zien dat Koster niet bang was voor kleur. Die spat van het doek af. De velden met hyacinten zijn pastel: blauw, roze, zachtgeel en wit. Bijna mierzoet. In de tulpenvelden overheersen het felle rood, roze en geel van de toen o zo populaire Darwintulpen. Voor iedereen die van planten houdt zijn de details op de schilderijen en tekeningen een feest van herkenning. Bloembollenvelden bloeien van maart tot in mei. Dat betekent vroege tulpen en late tulpen, net ontluikende hyacinten en hyacinten die vol in bloei staan. De overgang van een winters beeld, met silhouetten van kale bomen, via vroeg uitlopende bomen, naar volop lentegroen. Windsingels van beukenhaag, soms nog in hun oranjebruine winterjas, soms meigroen. De kleur van het tulpenblad versus de kleur van het hyacintenblad. De arbeiders die voorover gebogen hyacinten ritsen. Manden vol met tulpenkoppen, klaar om met een vlet over het water af te voeren.  Alles oer- en oer-Nederlands.

Wat me nog het meest verraste was dat het werk van Anton Koster zo lang buiten de schijnwerpers heeft gestaan. Er was een overzichtstentoonstelling in 1959, maar daarna nooit meer. Tot nu. Waarom dat zo lang heeft moeten duren is voor mij een groot vraagteken.

Toen ik de allervriendelijkste museummedewerkster vertelde dat ik de Limburgse luisteraars over de tentoonstelling zou vertellen, riep ze uit: “Maar Lisse zélf is ook hartstikke leuk!” Tja, daar kan ik geen zinnig woord over zeggen, want het dorp zijn we verder niet meer in geweest. De tentoonstelling was genoeg. Hoe zeg je dat in Michelin-terminologie? Drie sterren: een reis waard. Ik hoop alleen dat de schilderijen, die voor deze tentoonstelling uit allerlei depots werden gevist, niet mee zo lang verdwijnen. Ze zijn te mooi om te missen.

Geplaatst in Uncategorized | Plaats een reactie

De walnoot wint

Limburg is zo gek nog niet. Ik houd van het feit dat het buitenland hier vlak om de hoek is. Frische Brötchen uit Aken, of chocolade eclairs uit Visé. De Franse taal en de Duitse taal lekker dichtbij. Het inspireert en het relativeert. Kom daar maar eens om als je, zeg, in Krimpen-aan-de-IJssel woont.

img314

Ik ben liefst vaak aan de andere kant van de grens. Zo rijd ik regelmatig op de Autobahn van Aken naar Keulen en op dit traject werd drie jaar geleden een nieuw stuk snelweg in gebruik genomen. Bij de aanleg is toen de zogenaamde Allee Baum des Jahres aangeplant. Sinds 1989 wordt in Duitsland jaarlijks een verkiezing van de Boom van het Jaar gehouden en over een lengte van een aantal kilometer staan op dit stuk weg de successievelijke winnaars, ieder voorzien van een groot bord met daarop de naam en het jaar van verkiezing.

Bomen langs snelwegen zijn doorgaans anoniem, maar dat is hier niet het geval. Hier staan ze helemaal zichzelf te wezen. Zo van, kijk, dit ben ik. En de volgende zeg: en dit ben ik. Enzovoorts. Het is jammer dat je niet kunt stoppen om ze wat nauwkeuriger te bekijken, maar wel leer ik allerlei mooie Duitse bomennamen, zoals Eibe,  Hainbuche, Schwarzpappel of Speyerling. Ik begrijp dat de bomen op deze plek door sommigen worden opgevat als hypocriet schaamgroen voor al het CO₂ dat de Autobahn produceert,  maar daar gaat het me niet om. Het gaat hier om het educatieve aspect. Om het Aha-Erlebnis. En dat is hier uitstekend gelukt.

De meeste Europese landen kennen een Boom van het Jaar. Soms wordt er gekozen door een vakjury, maar in de meeste landen zijn het de gewone burgers die hun stem uitbrengen. Soms, zoals in Duitsland en Nederland,  gaat het om de verkiezing van een boomsoort, maar in andere landen, onder andere in Engeland en België, gaat het om één enkel opmerkelijk exemplaar. Zo werd de verkiezing in Engeland vorig jaar gewonnen door een eik in Essex. Er wordt beweerd dat de 18de -eeuwse struikrover Dick Turpin vanonder de betreffende eik zijn overvallen op postkoetsen inzette. Als dat geen mooi verhaal is.

Bij dergelijke verkiezingen ben ik altijd benieuwd naar wie er achter zit. We organiseert nou zoiets? Is het de overheid? Is het een natuurorganisatie? Of is het misschien een commerciële instelling? Een rondje langs onze buren leert dat de Duitse verkiezing wordt geïnitieerd door een stichting die zich profileert als natuur- en milieubeschermer, met wortels in de bosbouw. De uiteindelijke keuze wordt gedaan door een vakjury. België zou België niet wezen als ze het niet wat ingewikkelder maakten. Het ene jaar is er een Waalse editie, het andere jaar een Vlaamse. De Waalse Arbre de l’Année wordt georganiseerd door de Fondation Wallonne pour la Conservation des Habitats, en de Vlaamse variant door de Stichting Behoud Natuur en Leefmilieu Vlaanderen. Beide organisaties, zowel de Waalse als de Vlaamse, zijn dus afkomstig uit de natuur- en milieuhoek.  En beide organisaties laten de burgers stemmen op hun favoriete boom. Fijn om te zien dat Wallonië en Vlaanderen dit gemeen hebben.

Hier in Nederland wijken we wat af van onze buren. De verkiezing wordt niet georganiseerd door een natuur- en milieuorganisatie, maar door LTO Nederland, een belangenbehartiger voor ondernemers in de land- en tuinbouw. Jaarlijks stellen zij een thema vast en voor 2018 was dat ‘bomen met voedsel voor mens en dier’. Een sympathiek thema, zeker op een dag als vandaag, met de Nationale Tuinvogeltelling gaande. Net als bij de Oscars in Hollywood werd er gekozen uit een handvol genomineerden. Dat waren de tamme kastanje, de gewone walnoot en de witte moerbei. Alle drie niet inheems, maar alle drie sinds lang in Nederland in cultuur. En tijdens de boomkwekersdag van de LTO, eind 2017, werd de definitieve winnaar gekozen: de walnoot.

img313 (2)

Walnoten vallen als manna uit de hemel

In 2018 kan de walnoot zich dus verheugen op extra aandacht, maar het is mijn ervaring dat die aandacht in Nederland nogal beperkt is. Bomen zijn belangrijk genoeg. Er is o zo veel over bomen te vertellen en er zijn o zo veel handvatten om mensen en overheden bij bomen te betrekken.  Misschien wordt het eens tijd dat LTO Nederland contact opneemt met de redactie van Limburgs Land. Het is maar een suggestie.

Geplaatst in Uncategorized | Plaats een reactie

De grens

Ik had ooit een discussie met een schoonzusje. Ze woonde midden in het bos en ze vond het heerlijk, die vrijheid, met al die bomen om haar heen. Toch wilde ze ook graag een tuintje. Ze legde een paar plantvakken aan en stak veel energie in het opkweken van allerlei kruiden en bloemen. Echter, wat wou het geval. Telkens als de plantjes in de vakken waren uitgeplant, dan kwamen dieren uit het bos en die vraten alles op. Keer op keer. Totdat ze gefrustreerd uitriep dat de dieren maar achter slot en grendel moesten, zodat haar planten tenminste konden groeien. Ik merkte op dat dat de omgekeerde wereld was. Dat er geen hek om de dieren moest, maar om haar tuin. Een heg, een haag, een hek, een muur of prikkeldraad, het maakt niet uit, als het maar om de tuin staat. Ze kon die gedachte maar moeilijk volgen, want ze zag een hek als een belemmering van haar vrijheid.IMG_3426

Ik durf te stellen dat het wezen van de tuin zijn omslotenheid is. Geen hek, geen tuin. En dat gegeven  is al bijna zo oud als de mensheid.

Vandaag de dag zien we de natuur als iets positiefs, maar dat was lang niet het geval. Tot het midden van de 18de eeuw was natuur in feite wildernis en daar was niets fijns aan. In de wildernis heerste de chaos, de angst, de levensbedreiging. Het was iets om buiten te sluiten, tenminste als je een veilig, ordelijk bestaan wilde opbouwen, met bijvoorbeeld een groentetuintje naast het huis. Dus werd er een fysieke grens tussen beide werelden aanbracht. Nergens zie je dat buitensluiten van de wildernis beter dan binnen de muren van de 17de -eeuwse Nederlandse tuinen. Die formele tuinen in hun superstrakke jasjes zien we nu vaak als een keurslijf, maar destijds stonden ze voor de ideale wereld. Alles was er onder controle; niets werd aan het toeval overgelaten.  De vergelijking met het aards paradijs ligt voor de hand. Daarbij wordt opgemerkt dat het woord paradijs uit het oud-Perzisch komt en in die taal de betekenis heeft van – hoe kan het anders – ‘omheining’.

Wildernis heeft vele gezichten. Het kan bijvoorbeeld ook een stadswildernis zijn. Toen de Plantage in Amsterdam eind 17de eeuw werd ingericht als volkstuincomplex, werden de huurders van de tuintjes door het stadsbestuur verplicht gesteld om hun terrein te omheinen met een schutting, zodat ongewenste gasten – dieven, geiten, varkens en ander ongein – buiten gehouden konden worden. Bekend zijn de heetgebakerde klaagschriften van burgers: “Het varken van mijn overbuurman heeft, duizend bommen en granaten,  al mijn boerenkool opgegeten!!” En dan antwoordde het stadsbestuur steevast: “Dan had je blijkbaar je omheining niet op orde.”

Pas rond het midden van de 18de eeuw veranderde de negatieve beeldvorming van de wildernis. Verlichtingsfilosoof Jean Jacques Rousseau beschreef de natuur als dé positieve leidraad in het menselijk bestaan en daarmee stond hij aan de wieg van de romantische natuur-idee. Ik kan me levendig voorstellen hoe de 18de eeuwse tuinbezitter, die uitgekeken was geraakt op zijn strakke plantbedjes, een ladder uit de schuur haalde, hem tegen zijn tuinmuur zette, de ladder besteeg en in ogenschouw nam hoe het er buiten de omheining uitzag. In plaats van beangstigend werd het bevrijdend. Dat moet een mooi moment zijn geweest.

Tegenwoordig moet je een beetje uitkijken als je op een ladder gaat staan om over een schutting heen te kijken. Zo’n daad kan worden beschouwd als een inbreuk op buurman ‘s privacy. Via rijdende rechters zijn we getuige van hooglopende ruzies omtrent schuttingen, coniferenhagen, overhangende bomen,  luizenpoep en meer van die zogeheten ellende. De taal die daarbij nogal eens gebruikt wordt noemen we niet voor niets schuttingtaal. Er lijkt niets veranderd sinds de 17de eeuwse klaagschriften. De menselijke natuur blijft, met al zijn emoties, een soort wildernis an sich.

Wat mij betreft zetten we bij dit soort schuttingruzies wat vaker onze emotie op nul en gebruiken we onze hersenen beter, op zoek naar creatieve oplossingen. Het is, zoals mijn neefje van vijf eens constateerde, alleen maar een kwestie van “ gewoon even je hersentjes open zetten”.

Ik wens u een creatief 2018.

Geplaatst in Uncategorized | Plaats een reactie

Zaad

In de Amsterdamse Hortus bevindt zich een zaadkamer. Die is niet toegankelijk voor het gewone publiek, maar ik heb er ooit onze eigenste presentator van Limburgs Land mogen ontvangen. In die kamer staat een kast, de zaadkast, en die zaadkast herbergt 1440 kleine laatjes. In elke laatje wordt zaad van een plantensoort bewaard, en ieder laatje is voorzien van een etiket, zodat je weet wat er in zit. Uit al die zaadjes kunnen misschien wel een miljoen planten worden opgekweekt. Gratis en voor niets.

IMG_9357

Laadjes in de zaadkast in de zaadkamer van de Hortus Botanicus Amsterdam

De meeste mensen denken dat zaaien iets is voor professionals of echte liefhebbers, maar dat hoeft helemaal niet. De beginnende zaaier strooit ergens in de lente of de zomer gewoon een handjevol goudsbloemzaad op een kaal plekje in de tuin en twee maanden later gaan de eerste bloemen open.

Kijk, het zit zo: dieren kunnen lopen, maar planten kunnen dat niet. En dat terwijl voor de overleving van de soort verspreiding van levensbelang is. Planten hebben eigen manieren ontwikkeld om zich te verplaatsen. Het ene zaad waait makkelijk met de wind mee, het andere drijft op de stroom van de rivier of wordt meegenomen in de maag van een vogel. Punt is dat zaad een perfect medium is om ver te reizen, en het maakt niet uit hoe dat gebeurt. De mens had dit al vroeg in de gaten.

Er was een tijd dat het vrijwel onmogelijk was om levende planten over lange afstanden mee te nemen. Hoe moest je dat doen, in het donkere ruim van een schip, met een beperkte hoeveelheid zoet water? Zaad daarentegen, in zijn compacte, droge jasje, stopte je gewoon in je achterzak. Een jaar later haalde je het er uit, je zaaide het, wat regen erop en voilà. En ook nu nog; stuur maar eens honderd planten per post. Dat is niet alleen een dure grap, maar ook vergt het allerlei ingrepen om de planten heelhuids op hun bestemming te krijgen. Maar stuur je duizend zaadjes? Die passen meestal in een gewone envelop en ze komen gegarandeerd heelhuids op de plek van bestemming aan.

Een recent fenomeen is het zaadbommetje. Iedereen kan het. Je maakt een mengsel van klei, potgrond en zaad, je draait er gehaktballen van en laat die drogen. De gedroogde ballen kun je vervolgens in je zak steken en, daar waar je vindt dat de boel wat opgefleurd moet worden met een bloemenmengsel, drop je je bommetje. Bekend zijn de bommen die je vanuit de auto in de berm naast de weg kunt gooien. Dat kan natuurlijk best leuk zijn en in stedelijke gebieden of op bedrijventerreinen kan het weinig kwaad. Maar bermvegetaties kunnen uit evenwicht raken door de  introductie van zaad dat er niets te zoeken heeft.

Waardevoller lijken me de methodes die sinds kort gebruikt worden om natuurontwikkeling te stimuleren. Verkruimelde plaggen, afkomstig uit bestaande natuurgebieden, vol met zaden, schimmels en bacteriën, worden op beoogde nieuwe natuurterreinen uitgestrooid, en nieuwe plantensoorten verschijnen er razendsnel. Let wel: het gaat hier om natuurlijke soorten, dus zaden van kweekvormen zijn bij dit soort bodemtransplantaties niet aan de orde.

foto 5

Zaden door de brievenbus.

Of je nou een professionele natuurbeheerder bent, of een tuinamateur, ik vind dat er meer met zaad gewerkt moet worden. Zaaien is leuk, zaaien is gemakkelijk, zaaien is supergoedkoop, en bovendien staat een reusachtig assortiment tot je beschikking, vele malen groter dan je via een kweker of een tuincentrum zou kunnen kopen. Ik weet dat mensen ongeduldig zijn, maar nu al, aan het begin van de winter, kun je achter je laptop gaan zitten en bij gespecialiseerde zaadbedrijven alles uitzoeken wat je hartje begeert. Binnen een paar dagen ligt het zaad dan in je brievenbus. Als je in februari nog steeds ongeduldig bent, kun je alvast wat potjes gaan schoonmaken en een zak zaai- en stekgrond kopen. Zodra maart aanbreekt kunnen de eerste zaden binnen voorgezaaid worden, en een maand later kun je buiten aan de gang. Zelf volg ik altijd precies de zaai-instructie op de pakjes. Succes verzekerd.

Kweek de planten op, plant ze uit en oogst in de loop van de zomer het zaad van die planten. Zo zorg je – geheel kosteloos en volstrekt duurzaam – voor je eigen plantmateriaal. Jaar, na jaar, na jaar, na jaar.

Geplaatst in Uncategorized | Plaats een reactie