Zie de maan schijnt door de bomen

In het voorjaar komen de bladeren aan de bomen en alles wordt groen.  Dat is een verheugend moment, want al dat blad oogt jong en fris, en de hele zomer kunnen we ons koesteren in de schaduw van de bomen. Pas nu, aan het eind van de herfst, realiseer ik me hoe dominant dat blad eigenlijk is. Het is net als met onze mensenkleren. Kleren maken de man, zeggen ze, maar in feite is het natuurlijk veel leuker om te weten wat er onder die kleren schuilgaat. De laatste dagen betrapte ik me een paar keer op de gedachte: Hee, ha, de bomen komen weer tevoorschijn.

IMG_3284

Berk, Broekhem, 24 november 2017

Dat zit zo. Het bovengrondse deel van een boom bestaat uit een opgaande stam en een takkengestel, en bij loofbomen gaan die een half jaar lang grotendeels schuil achter een woud van bladeren. We kennen allemaal het gezegde door de bomen het bos niet zien, maar de variant door de bladeren de boom niet zien is wat mij betreft even legitiem. In de afgelopen weken, met de kou, de wind en de regen, is het meeste loof echter verdwenen, met als gevolg dat de bomen van top tot teen aan ons verschijnen. Gezien het feit dat de loofboom in het Nederlandse landschap ten opzichte van de naaldboom dominant is, kunnen we stellen dat ons landschap momenteel drastisch van aanzicht verandert. En dan bedoel ik dat niet in negatieve zin. Zie het als uitkleden: de meerderheid der bomen trekt zijn zomerse pak uit en staat ineens in al zijn naaktheid voor onze neus. Dit uitkleden is eind november voltooid en dat is maar goed ook, want hoe anders zouden we in de tijd van Sinterklaas kunnen zingen dat we de maan door de bomen zien schijnen?

IMG_3276

Zomereik, Broekhem, 24 november 2017

Feit is dat er vanaf nu, tot in het voorjaar, veel – heel veel – aan bomen te ontdekken valt. De stammen, met al hun verschillende basten; de twijgen, die zo veel informatie geven over de knoppen, over de groeivorm en over het groeitempo van de boom als geheel; de lompe, stompe takken van samengesteldbladigen versus de allerfijnste twijgen van de beuk en de berk; de habitus van de boom, dat wil zeggen zijn verschijningsvorm, die ons vertelt over hoe de boom geleefd heeft, of hij altijd alleenstaand was, of juist niet; alle gasten die er zich thuis voelen: de maretakken, de heksenbezems, de zwammen en de klimop. En in het bijzonder zijn er de littekens, waar elke boom vol mee zit: ze verhalen over stormen, over blikseminslagen en over het gebruik door de mens. Bij littekens moet ik altijd denken aan de helden uit de Trojaanse oorlog. Dat waren vaak  echte vechtjassen, met lijven vol vechtsporen. Hun littekens werden niet beschouwd als misvormingen, maar als trotse eretekenen van een vol geleefd leven.

Er is nog een tweede voordeel van het verdwijnen van al dat loof. Ineens verschijnen namelijk de naaldbomen op de voorgrond. En dan heb ik het niet alleen over de kerstboom. Wat dacht u van de grove den met zijn oranjeroze bast en zijn eigenwijze groeivorm. Ga bijvoorbeeld maar eens kijken op de Brunsummerheide. Of de jeneverbes. Bij Venray, in het natuurgebied van de Boshuizerbergen, staan prachtige exemplaren die samen een bijzondere populatie vormen. Neem vooral een flaconnetje jenever me en breng ter plaatse een toost uit op de jeneverbes.

IMG_3240

Oostenrijkse den, Vaalsbroek, 22 november 2017

De meest indrukwekkende naaldbomen echter vind je in de oude parkbossen. Gisteren zag ik de verbluffende  mammoetboom in het park van het voormalige Jezuïetencollege in Broekhem, bij Valkenburg.  Stamomtrek 7 meter en 30 centimeter. En eerder deze week was ik in het park van kasteel Vaalsbroek. Daar stond een 19de eeuwse Oostenrijkse den, Pinus nigra subsp. nigra. Wat een stam, wat een reikwijdte. Ronduit reusachtig. Hij krijgt van mij drie Michelinsterren: een uitzonderlijk boom die een reis waard is.

Voor de liefhebber is de winter een toptijd, of het nou loofbomen of naaldbomen betreft. Er bestaan leuke boekjes over winterkenmerken; die kunnen u helpen. Maar, als u buiten bent, moet u vooral niet te veel in een boekje kijken. Ga maar eens zo dicht mogelijk bij een boom staan, aan de voet van de stam en kijk naar boven. Veel plezier!

 

Geplaatst in Uncategorized | Plaats een reactie

Over erwten en macht

Vandaag wil ik u meenemen naar de Verenigde Staten, dat wil zeggen: naar de passies van een zekere Amerikaanse president. Iedere president doet het zo op zijn eigen wijze en dat geldt ook voor de huidige. Zo hebben wij afgelopen jaar kennis gemaakt met zijn passie voor het sluiten van twijfelachtige deals. En ook is daar zijn – eveneens twijfelachtige – passie voor vrouwen. Ik kan me werkelijk niet voorstellen dat deze president geïnteresseerd zou zijn in tuin, of plant, of natuur. Behalve als het hem in een vergulde versie wordt aangereikt, natuurlijk.

Hoe anders kan het zijn. Machtige mannen kunnen dol zijn op klatergoud, maar er zijn er ook met heel  andere passies. Passies die meer aansluiten bij die van u en van mij.

IMG_3188

Tuinerwten, 938 stuks = 450 gram = 0,65 liter.  Vijlen, 28 oktober 2017.

Ik heb het over Thomas Jefferson, de grootste tuin- en natuurliefhebber onder de Amerikaanse presidenten. Jefferson was de derde in de rij en zijn presidentschap duurde twee termijnen lang, van 1801 tot 1809. Hij is vandaag de dag nog steeds zeer geliefd en u kent zijn beeltenis misschien van het tweedollarbiljet.

Jefferson had een groot scala aan passies. Al op heel jonge leeftijd trok hij maandenlang te paard de wildernis in om land in te meten en te beschrijven. Het waren tochten vol gevaar, vol ziektes en gebrek, maar hij was voor de duvel niet bang. Alles wat hij tijdens deze tochten tegenkwam, de geografie en de geologie van het land, de weersgesteldheid, en natuurlijk niet te vergeten de planten en de dieren, al die onderwerpen werden levenslange passies. Als staatsman was hij genoodzaakt zich met andere zaken bezig te houden, maar tijdens zijn presidentschap verlangde hij telkens weer terug naar zijn geliefde studieobjecten. Hij bezat de grootste collectie boeken over de geografie en natuurlijke historie van het Amerikaanse continent. In zijn studeerkamer correspondeerde hij met vooraanstaande deskundigen, wetenschapper of niet, over alles wat los en vast zat.

IMG_3191

Droge groene erwten, 2593 stuks = 500 gram = 0,6 liter . Vijlen, 28 oktober 2017.

Die studeerkamer bevond zich in Monticello, zijn plantage ten zuiden van de huidige hoofdstad. Daar, op een heuvel, begon hij op vijfentwintigjarige leeftijd met de bouw van een eigen huis en de opzet van de plantage. Jefferson hield erg van groenten en de groentetuin had zijn speciale belangstelling. Hij hield er bijna 60 jaar lang een dagboek over bij. Dit dagboek, aangevuld met uitgebreide briefwisselingen en tekeningen van zijn hand, is vandaag de dag nog steeds te lezen. Het heet Thomas Jeffersons Garden Book en het biedt meer dan 700 fascinerende pagina’s over de opzet en het beheer van zijn tuin.

Vrijwel jaarlijks beschreef hij niet alleen welke groenten in welke vakken gezaaid of geplant moesten worden, maar ook wanneer de planten opkwamen, wanneer ze hun eerste bloemen kregen, wanneer de eerste oogst op zijn bord lag en hoe groot de uiteindelijke opbrengst was. Hij was dol op erwten en in zijn plantlijsten worden de meest uiteenlopende variëteiten genoemd. Hij ging ver in het beschrijven van details. Bijvoorbeeld: in 1767 zaaide hij een bed met vroege en middelvroege erwten. Voordat hij ze zaaide noteerde hij het gewicht van de erwten en telde hoeveel er in een pint pasten. Dat waren er twee en een half duizend. Hoe kan het zijn dat een jonge man, aan het begin van een enorme carrière, verantwoordelijk voor de zorg voor een moeder, broers en zussen, bezig met de opbouw van een nieuwe plantage, de tijd nam om erwten te wegen en te tellen? Het is mijn inschatting dat hij het niet kon laten om nieuwsgierig te zijn, en dat hij alles wilde leren kennen wat er maar te kennen was. Over ambitie gesproken.

Het werk in de groentetuin – dat overigens voor het grootste deel door slaven gebeurde – bestond uit een veelheid aan klussen die ons nu nog zeer bekend voorkomt. Zo stonden oktober en november op Monticello in het teken van de afsluiting van een oud, en de voorbereidingen van een nieuw groeiseizoen. Het ging over het oogsten en opslaan van allerlei wortelgewassen en koolsoorten, het afdekken van kwetsbare planten – zoals asperges -, het onkruid vrijhouden van bedden met wintergewassen, het harken van gazons of het planten van nieuwe bomen. Precies zoals we dat in deze maanden nu ook zelf doen.

Jefferson zou Jefferson niet zijn geweest als hij alleen had getuinierd voor eigen gewin. Zo zat hij niet in elkaar. Alles deed hij met het oog op de toekomst van zijn land. Zijn groentetuin was politiek relevant. Kennis was er om te delen, en kennis over voedselgewassen achtte hij wezenlijk voor het welbevinden van iedere Amerikaanse staatsburger. Power to the people, dat was Thomas Jefferson. Ik wil maar zeggen: kweek eens uw eigen erwt.

Geplaatst in Uncategorized | Plaats een reactie

Columbian Exchange

Het is zo vanzelfsprekend. De voedermais die – jaar in, jaar uit – in september zo overvloedig op onze velden staat te rijpen. En de aardappels die, afhankelijk van het ras, van juli tot september massaal worden geoogst. Wat de aardappel is voor de Nederlandse mens, dat is de voedermais voor de Nederlandse koe. Hij lijkt onmisbaar. En hoewel de aardappel als hoofdvoedsel de laatste tijd aan populariteit lijkt in te boeten, is het toch altijd weer een geruststellende gedachte dat met de komst van het najaar de tijd van de Hollandse stamppotten aanbreekt.

IMG_3153 (2)

Stilleven met aardappelen, Vijlen, 23 september 2017

Zoals u ongetwijfeld weet, is de aardappel van oorsprong absoluut niet Hollands. Net als de mais. Ze komen allebei uit de Nieuwe Wereld. Daarmee bedoelen we de wereld die aan de andere kant van de Atlantische Oceaan ligt en die vanaf 1492 door de Spanjaarden, en later door andere Europeanen, werd gekoloniseerd. Noord-Amerika, Zuid-Amerika en Oceanië: dat is de Nieuwe Wereld. En Europa, Afrika en Azië is de Oude Wereld.

Beide termen lijken een beetje verouderd, maar in de biologie worden ze nog wel degelijk veel gebruikt. Dat heeft met de evolutie te maken. Ooit was er namelijk sprake van één groot continent op aarde, met een keur aan levensvormen. Dat continent brak in stukken en dreef uiteen tot de werelddelen zoals we ze nu kennen. Natuurlijk zijn er veel plantenfamilies die overal op aarde voorkomen, maar doordat de Oude Wereld en de Nieuwe Wereld al zo lang zo ver uit elkaar liggen, hebben planten en dieren tientallen miljoenen jaren onafhankelijk van elkaar kunnen evolueren. Dat heeft onder andere geleid tot heel verschillende flora’s. De Oude Wereld kende bijvoorbeeld geen cactussen, geen cacao, geen tomaten, geen tabak. En geen aardappelen. De Nieuwe Wereld op zijn beurt kende geen koffie, geen rijst en ook geen paarden. Tot 1492, dus.

In dat jaar zette Christoffel Columbus zijn eerste schreden op de eilanden van de Bahama’s en dat was het begin van een drastische ingreep in de wereldflora. En niet alleen in de flora. Planten, dieren, ziektekiemen, culturen, technieken enzovoort; vanaf dat moment kwam er op vele fronten een grootschalige uitwisseling op gang tussen werelden die tot dan toe gescheiden waren geweest. Deze uitwisseling – die ook wel de Columbian Exchange wordt genoemd – had enorme consequenties voor de ontwikkeling van beide werelddelen en voor de mensen die daar leefden.

Allereerst gingen er veel mensen dood. Vooral in Zuid-Amerika. De Europeanen brachten een heel scala aan dodelijke ziekten mee en de inwoners van Zuid-Amerika hadden daar geen enkele weerstand tegen. Denk aan de pest, aan cholera, tyfus en dergelijke. Vervolgens ontstond er een ware carrousel van planten die van het ene eind van de wereld naar het andere eind van de wereld werden gebracht om daar, op plekken waar ze in ecologisch opzicht in feite niets te zoeken hadden, economische grootmachten te worden.

Men bracht planten van de Oude Wereld naar de Nieuwe Wereld en ging ze op grote schaal verbouwen. Denk bijvoorbeeld aan het van oorsprong Aziatische suikerriet op de plantages van Cuba en Martinique. Denk aan de koffieplant, oorspronkelijk uit tropische delen van Afrika en Azië, maar groot geworden in Brazilië.

Tegelijkertijd werden er planten uit de Nieuwe Wereld naar de Oude Wereld gebracht om daar aan hun opmars te beginnen. Als eerste de mais, die Columbus eigenhandig in Madrid afleverde. De zaden werden gezaaid en de planten gaven meteen goede vruchten. Bingo! Maar ook de voedzame aardappel, waarvan wordt beweerd dat hij tussen 1700 en 1900 verantwoordelijk was voor maar liefst een kwart van de bevolkingsgroei in de oude wereld. Of de rubberboom, die momenteel grotendeel in Zuidoost-Azië wordt gekweekt, maar die afkomstig is uit Brazilië. Het lijkt wel alsof al deze planten uit hun eigen vertrouwde omgeving moesten worden gerukt om elders groot te worden.

In Nederland worden jaarlijks tegenwoordig ongeveer 8 miljoen ton aardappels geproduceerd en de gemiddelde Nederlander werkt op jaarbasis 85 kilo weg. Dat zijn 34 zakken van ieder twee-en-een-halve kilo. Persoonlijk moet ik er niet aan denken. U kent het gezegde: “een stamppotje op zijn tijd, brengt vreugde en gezelligheid”, maar dus vooral niet elke dag.

Echter, mocht ú vanavond een aardappeltje op uw bord hebben, dan wens ik u heel smakelijk eten.

 

Geplaatst in Uncategorized | Plaats een reactie

Aanklooien

25 augustus 2017

Het is bijna gedaan met de zomervakantie. Maandag is het zover. Dan begint het werken weer. Maar nu nog niet. Het is augustus, het is zomer, de zon schijnt en we hebben nog twee hele dagen.

Als je op vakantie gaat, dan zijn bezoekjes aan tuinen vaak een vast onderdeel van het programma. Dat geldt ongetwijfeld voor veel luisteraars van Limburgs Land. Ik doe dat ook altijd; in elke vreemd stad of elk nieuw dorp ga ik op zoek naar de kleur groen. Decennia lang zag ik zo hele reeksen tuinen aan mij voorbijtrekken. De interessantste? De community gardens in Manhattan. De mooiste? De tuinen van Kasteel de Wiersse in Vorden.  De indrukwekkendste? Ik kan niet kiezen tussen Vaux-le-Vicomte bij Parijs en Dumbarton Oaks in Washington DC. De eenvoudigste? Ongetwijfeld de moestuinen in Oostenrijk en Frankrijk. De ontroerendste? Het bloementuintje in Simonskal in de Rureifel. De lekkerste? Nou, dat weet ik niet meer.

IMG_0313

Stilleven met tomatentouw en bloemenschaartje, augustus 2017

Maar de afgelopen twee maanden ben ik niet op pad gegaan. Ik ben thuis gebleven. En het gaf me verrassend genoeg het ultieme zomergevoel. Ik zal het proberen uit te leggen.

Ik pluk graag bloemen en mijn bloemenpluktuin ligt achter in de tuin, bij de schuur. Het stelt allemaal niet heel veel voor, het zijn niet meer dan vijf langgerekte plantbedden met paadjes van betontegels ertussen. Deze zomer loop ik elke ochtend de 35 passen van het terras bij het huis naar de pluktuin, met een kop koffie in de hand. Daar aangekomen ga ik zitten op het bankje onder het afdak van de schuur. Ik doe niets meer dan wakker worden, een beetje naar de bloemen kijken, slokje koffie nemen, helemaal niet van plan om verder ook maar iets te ondernemen. Maar vreemd genoeg, binnen vijf minuten begint het. Iedere ochtend weer. Ik kan het blijkbaar gewoon niet laten, het gaat helemaal vanzelf. Beetje bloemen plukken voor in de vaas, de dahlia’s dieven, een paar rijpe tomaatjes scoren. Verlepte bloemen wegknippen en op de composthoop gooien. Hier wat opbinden, daar wat uitdunnen. Kijken of het zaad al rijp is om te oogsten. De strobloemen opbinden en te drogen hangen onder het afdak van de schuur. Bosjes rozenbottels ophangen en hopen dat ze goed blijven tot de kerst. Dat alles in een uiterst relaxed tempo. En vooral regelmatig even gaan zitten om de wereld te overdenken. Na een uurtje of wat loop ik weer richting huis. Om nog een kopje koffie te halen.

IMG_0247

Strobloemen (Helichrysum bracteatum) liggen klaar om opgehangen te worden, augustus 2017

Het is een beetje van dit en een beetje van dat, maar als ik al die kleine beetjes onder één noemer zou willen samenvatten, dan is dat de noemer “aanklooien”.

Aanklooien is fijn. Niks moet, alles mag. Geen zwaar of serieus werk; daar waren de winter en de lente voor. Toen werd er gemest, gespit, gesnoeid, gezaaid en er werden staken neergezet. Toen was er zwaar gereedschap nodig, zoals de spitvork, de sleg en de takkenschaar. Nee, in de zomer is mijn gereedschap licht en luchtig. Een klos tomatentouw, een mesje en natuurlijk mijn loeischerpe Japanse bloemenschaartje. Dat is in feite alles. Mijn favoriete bloem van deze zomer is een vrolijke, enkelbloemige afrikaan, met de naam Jolly Jester. Nou, dan weet je het wel. Hij is opvallend, parmantig, hoog, en de bloemen zijn net propellertjes met roodbruine/gele blaadjes. Van de winter had ik het zaad besteld en in de lente zijn ze gezaaid, verspeend en uitgeplant. Toen was het best veel werk, maar nu niet meer. In de afgelopen twee maanden deed ik er niet meer aan dat één keer een extra touwtje spannen. Dat was alles. Als dat niet relaxed is.

IMG_2947

Tagetes patula ‘Jolly Jester’ tussen de goudsbloemen, dahlia’s en ijzerhard, augustus 2017

Mijn ochtendlijke aanklooisessie is niet de enige. In de loop van de dag volgen er nog een paar. De laatste steevast als het al donker is, als ik bijna niet meer kan zien waar ik loop. Dan staat er naast de bloemenperken een luie stoel klaar om in te gaan liggen en naar de sterren te kijken. En daar hoort deze zomer natuurlijk wel een G & T bij.

Ja, ja, volgende week worden we weer serieus. Maar nu nog even niet.

Geplaatst in Uncategorized | Plaats een reactie

Mensenwerk

Vorige week had ik een bijzondere ontmoeting.

Voor mijn werk ben ik momenteel bezig met de opstelling van een toekomstvisie voor een tuin en als je bezig bent met de toekomst dan is het ook altijd verstandig om te kijken naar het verleden. Om te begrijpen waarom de dingen zijn zoals ze zijn.

IMG_0139

Elsloo, 16 juni 2017. De poort tussen het park en de tuin staat even open.

De tuin waar het over gaat is de Botanische Tuin Elsloo, gelegen in het hart van de historische buitenplaats kasteel Elsloo. Het is een plek met een lange geschiedenis, maar het is de relatief recente geschiedenis die voor de huidige tuin het meest relevant is. Eind jaren ‘60 was er in Elsloo namelijk een pionier die de tuin ter hand nam en er in vijftien jaar tijd een botanische tuin van betekenis van wist te maken. Die pionier heette Piet Habets. Hij werkte als chemicus op het Centraal Laboratorium van DSM en hij was destijds van middelbare leeftijd.

Toen ik in het kader van de toekomstvisie afgelopen winter vroeg of mijnheer Habets nog leefde – volgens mijn berekeningen zou hij nu rond de honderd jaar moeten zijn – wist men mij dat niet met zekerheid te vertellen. Maar pas geleden werd duidelijk dat hij nog wel degelijk onder ons verkeert, en ook dat hij heel graag over de tuin wilde praten.

Om kort te gaan: via een van zijn dochters werd een afspraak geregeld en vorige week vrijdag stond ik bij hem op de stoep. Ik drukte op de bel en binnen twee seconden opende de 98-jarige Piet Habets de deur. De fotoboeken lagen al klaar en hij heeft anderhalf uur zitten vertellen. Ik heb veel geleerd in die anderhalf uur.

Hoe was het zo gekomen, die botanische tuin? Nou, dat was gewoon begonnen met een praatje. Piet Habets woonde met vrouw en kinderen vlak bij het kasteel en in het kasteelpark, tegen het kasteel aan, lag een in onbruik geraakte tuin. Er waren voorheen planten voor de gemeentelijke plantsoenen opgekweekt. Er stonden nog wat restanten, maar die werden voor en na meegenomen door buurtbewoners. Op een goede dag zag Piet Habets weer eens iemand met een flinke buxus onder de arm uit de tuin komen en toen even later de burgemeester van Elsloo bij hem voor het huis langsliep sprak hij hem aan. Moest er niet eens wat met die tuin gebeuren? Twee mannen die terloops wat zaken bespreken. Waarom ook niet?

Maar van het een kwam het ander. In eerste instantie liep het nog niet zo’n vaart, maar toen Piet samen met de INV-Elsloo en de burgemeester er echt hun schouders onder zetten begon het te lopen. Piet maakte een inrichtingsplan voor een kruidenheemtuin en de burgemeester zorgde ervoor dat het plan door het Werkvoorzieningsschap Westelijke Mijnstreek werd aangelegd. De burgemeester vroeg aan Piet om het werk te begeleiden zodat het precies zou worden zoals Piet dat wilde. De opbouw duurde een paar jaar en in 1977 werd een prachtige tuin geopend.

Maar prachtig was niet goed genoeg. Hij wilde ook een bijzondere tuin, met een grote plantencollectie. Directeur Verbeek van de botanische tuin Terwinselen kwam langs en zei: je hebt hier zoveel bijzonders staan, je kunt het gerust een botanische tuin noemen. Zo gezegd, zo gedaan. In de bibliotheek bij DSM ontdekte Piet dat Kew Gardens aan zadenuitwisseling deed. Hij nam contact op met Kew en vertelde waar hij mee bezig was. Vanaf dat moment deed Elsloo mee met de internationale zadenuitwisseling. Zaden uit alle windstreken belandden in zijn brievenbus. Het was spannende post, en elke envelop was voorzien van exotische postzegels. Zijn kinderen waren er dol op.

Hij legde veel contacten met botanische tuinen in Nederland en België en hij bezocht internationale botanische congressen. Als amateur was hij volstrekt professioneel en in 1984 stonden er ruim 2000 verschillende soorten planten in de tuin. Samen met andere IVN-ners en drie prima medewerkers van de werkvoorziening beheerde hij de collectie op een manier waar gerenommeerde botanische tuinen een puntje aan kunnen zuigen.

In 2003 hield hij ermee op. Sindsdien probeert IVN-Elsloo zijn werk voort te zetten, maar na ons gesprek begrijp ik wat voor een reus Piet Habets was en het is altijd moeilijk om in de voetsporen van reuzen te treden.

Aan het eind van ons gesprek nam ik afscheid, maar ik blijf aan hem denken. Een tuin is gewoon mensenwerk, maar het blijft verbazingwekkend om te zien wat een mens vermag als hij zijn volle passie en verstand inzet.

 

Geplaatst in Uncategorized | Plaats een reactie

Natuur verdicht

Ik weet niet hoe het met u is, maar ik denk dat ik niet de enige ben die ooit een paar boeken helemaal heeft stukgelezen. Van die boeken die je volledig in beslag nemen. Die je mee naar bed neemt en waarmee je ’s ochtend opstaat. Mijn eerste moestuinboek was zoiets. Het was gewoon een dik boek over heel gangbare moestuingewassen, maar voor mij was het tevens één grote ontdekkingsreis. Het stond niet alleen vol met eetbare gewassen, maar ook met informatie over standplaats, over zaaien en over bodembewerking. Het boek staat nog steeds in Vijlen in de boekenkast, maar ik kijk er nooit meer in. Ik bewaar het niet omdat het zo’n fantastisch boek was, maar vanwege zijn sentimental value. Het was immers mijn allereerste plantenboek en dat is net zoiets als je eerste liefde.

IMG_2588

Goose Lake Prairie, Indiana, VS, zomer 2007

Een paar jaar later – ik was al iets meer gevorderd in het plantenvak – kwam er een bijzonder boek op de markt. Het was het boek “Droomplanten”, van Piet Oudolf en Henk Gerritsen. Het verscheen voor het eerst in 1990 en het was een eye opener. Het was niet alleen adembenemend mooi, maar het gaf ook een compleet nieuwe kijk op vaste planten en vasteplantenborders. Ik kroop in het boek en het heeft wel een half jaar geduurd voordat ik er weer uitkroop.

Samen met Rob Leopold en Ton ter Linden vormden Piet Oudolf en Henk Gerritsen in de jaren ’80 een club van vier die een nieuwe standaard zetten voor tuinen en tuinplanten. Met vaste planten en grassen in de hoofdrol. Ze hadden veel inspiratiebronnen, maar ongetwijfeld was – en is – de natuur de grootste.

In zijn tuin in Hummelo, in Gelderland, experimenteerde Oudolf, samen met zijn vrouw Anja, vanaf de jaren ’80  met planten en dit leidde tot de fantastische borders en het verbluffende scala aan nieuwe tuinplanten uit het boek. Hij kweekte zijn eigen assortiment en zijn kwekerij was bekend bij iedere liefhebber. Daar kon je je verlustigen aan al dat moois, en, nog beter,  je kon er de planten kopen.

Oudolf is van huis uit geen hovenier, geen botanicus, zelfs geen kweker, maar een kunstenaar. Hij is een kunstenaar die hardnekkig dingen is gaan doen met vaste planten, en het is duidelijk dat hij zijn kunstenaarsoog nooit is kwijtgeraakt. Hij keek en kijkt uitermate nauwkeurig. Planten zijn niet alleen interessant vanwege hun bloem, maar juist ook vanwege hun blad,  hun structuur, hun zaaddozen, hun verval en hun dode winterbeeld. De hele cyclus van de seizoenen fascineert. En de esthetiek speelt een hoofdrol.

IMG_2596

Goose Lake Prairie, Indiana, VS, zomer 2007

In Nederland is Oudolf een bekendheid, maar in het buitenland ligt dat anders. Daar is hij een beroemdheid. In de tijd dat hij de wereld veroverde had ik de mazzel  om een aantal van zijn  tuinen – in verschillende stadia van aanleg – mee te maken.

IMG_2595

Goose Lake Prairie, Indiana, VS, zomer 2007

De Lurie Garden in Chicago was zijn eerste grote Amerikaanse project. Hij vertaalde de geschiedenis van de stad en zijn natuurlijke omgeving, met zijn typische prairielandschappen, in een tuin. In het natuurgebied van Goose Lake Prairie, Illinois, zag ik het landschap waar Oudolf zijn inspiratie vandaan haalde, met een overdaad aan grassen en asteraceae.  Terug in de Lurie Garden vertelde de tuinbaas ons van de 220 – deels natuurlijke – soorten die er, als ware het een verdicht landschap, aangeplant waren. Grappig genoeg omschreef ze haar werk in de tuin als “doing the landscape”. Een dubbele betekenis. Het beeld van het samenstel van deze natuurlijk ogende plantengroepen, met op de achtergrond de wolkenkrabbers van Chicago, heeft iconisch proporties gekregen.

Een van de grootste attracties  van New York is momenteel de High Line, een hooggelegen, ooit verwaarloosd spoorlijntracee, dat vanaf 2009 als een langgerekt park door een oostelijke deel van Manhattan voert. We liepen er toen de High Line nog niet openbaar toegankelijk was. Het was er een zooi. Een braakliggend terrein, maar machtig

IMG_1935

Braakliggende High Line, New York, zomer 2007

interessant. Op datzelfde moment was net bekend geworden dat Oudolf de vasteplantenborders van de nieuwe High Line voor zijn rekening zou nemen. De natuurlijke planten die ik zag – ook weer veel grassen en asteraceae – waren voor hem een belangrijke inspiratiebron voor zijn uiteindelijke beplantingsschema’s.

Als ik momenteel langs de Nederlandse wegen rijd, zie ik de bermen, in al hun ongemaaide glorie. Dan denk ik aan Oudolf. Neem de smalle weegbree, de rode zuring, de gele boterbloem, de rode klaver, Neem de grassen en het fluitenkruid en verdicht het. De schoonheid van de natuur is onevenaarbaar, maar Piet Oudolf komt een behoorlijk eind in de richting.

Hun kwekerij is niet meer open, maar de tuin van Oudolf is in een deel van de zomer nog steeds te bezoeken. Drie woorden resteren mij. Alsjeblief. Ga. Kijken.

Geplaatst in Uncategorized | Plaats een reactie

Lentesneeuw

Ik weet het nog. Het was toen we in de Amsterdamse Hortus het nieuwe kweekhuis nog niet gebouwd hadden en er nog van die kleine, rottige kweekkasjes stonden. Een van die kasjes herbergde een collectie droogteplanten, hele bijzondere, van Zuid-Afrika, Madagaskar en de Canarische eilanden, in totaal zo’n tweehonderd mini-mini plantjes. Ieder jaar werd er vanaf eind april in dat kasje een kleine oorlog gevoerd. In april namelijk heeft de zon al veel kracht en als het in het kasje te heet werd, dan moest er gekoeld worden. Dat kon alleen door het openen van een stel dakramen. Als die met een hoop kabaal, piepend en krakend, waren opengedraaid kwam er – naast frisse lucht – ook een enorme hoop narigheid binnenwaaien.

IMG_2121

iepenzaadjes Raamgracht, Amsterdam, 12 april 2017

Wat was er aan de hand? De iepen in de straat hadden gebloeid. Ze hadden zaad gemaakt en dat zaad, zo licht als een veertje, woei met elke zuchtje wind onze kas in, boven op de plantjes. Dat begon eind april en duurde beslist wel een hele maand. Ik heb een tijd voor die collectie gezorgd en ik weet nog dat ik om de paar dagen 1 á 2 uur moest vrijmaken om met een pincet de potjes en de plantjes te ontdoen van de zaadjes, die werkelijk overal, tussen alle blaadjes, stekels en doorntjes vast bleven zitten. Gepeuter eerste klas. Emmers vol iepenzaad haalden we er weg.

Amsterdam is een iepenstad. De hele Westerse wereld kent de Amsterdamse grachtengordel en toen die in de 17de eeuw werd aangelegd, waren de bomen langs de grachten een belangrijk onderdeel van het ontwerp. De huizen, de bomen en de grachten zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Naar alle waarschijnlijkheid werden er in eerste instantie lindes aangeplant, vanwege de zoete geur van de lindebloesem. Maar op enig moment is men planmatig  overgegaan op de iep en momenteel zijn er langs de grachten, op een enkele uitzondering na, alleen maar iepen te vinden. De stad als geheel telt er vandaag de dag zo’n 75.000.

Die maken elk jaar een heleboel zaad, hoewel, het ene jaar meer dan het andere. 2017 wordt een topjaar. Zelden zoveel zaad aan de bomen zien hangen en sinds een paar dagen begint het weer te dwarrelen. Het is van dat zaad dat, net als berkenzaad, overal in gaat zitten. De wind wervelt het alle kanten op, bij elke verandering van windrichting, hop, daar gaat het weer. In hoeken van straten ontstaan stuifduintjes met verdroogde zaadjes. Ze hebben geen ontzag voor de voordeur, ze waaien door de brievenbus en langs kieren en gaten zo naar binnen, het huis in. Veeg de boel naar buiten, dan waait het bij een volgend zuchtje wind weer terug. Niet tegen te houden, dat spul. Echt ellendig vond ik dat. Maar dat is verleden tijd.

Het was een Amsterdams kunstenaarsduo dat me van mening deed veranderen. Eind 2011 kwamen Saskia Hoogendoorn en Lieuwe Wijnands langs in de Hortus en vroegen of we met iets nieuws mee wilden doen. Stralend vertelden ze ons wat ze van plan waren en ik was meteen helemaal verkocht. Ze waren namelijk gefascineerd door al die iepenzaadjes die in de lente door de stad zweefden, ze vonden ze niet vervelend maar juist heel bijzonder en dat wilden ze vieren. Met een festival. Ze noemden het Catch the Springsnow: ‘vang de lentesneeuw’.

Met hun festival gaven ze me een nieuw perspectief. Wat ik altijd als overlast had ervaren, werd ineens speels, poëtisch en lenteachtig. Lentesneeuw, een cadeautje van de natuur, om een feestje mee te bouwen: het feest van de wervelende iepenzaadjes.

Dit jaar zijn we toe aan alweer de zesde editie van het Springsnow Festival. Het is alive and kicking. Onder andere is er een acht kilometer lange route langs alle iepenhoogtepunten van de stad, met daaronder natuurlijk de oudste, de hoogste, de dikste, de scheefste en de kleinste. De route loopt van het iepenarboretum in Noord tot aan de Hortus in de Plantage.  En ofschoon er nog andere activiteiten worden georganiseerd, is het zeker ook de bedoeling om zelf een handje zaad op te pakken en gewoon maar eens de lucht in te gooien. Ik wacht nog altijd op de eerste heuse iependouche. Daarbij stel ik mij een soort fontein voor die een maand lang iepenzaadjes de lucht in spuit en waar je dan onder mag gaan staan. Liefst op het Museumplein. Dat lijkt me fantastisch.

Geplaatst in Uncategorized | Plaats een reactie

Verknipt

Tulipa_sylvestris_flower_130405

bostulp (Tulipa sylvestris)

Kent u de bostulp? Die sierlijkste aller sierlijkheden? Met haar ranke gestalte, haar langgerekte, licht gebogen stengel en die elegante goudgele bloemen? Zacht wiegend in de voorjaarswind? Ik vind de bostulp van een grote en tegelijkertijd innemende schoonheid. Alsof je de mooiste vrouw op aarde ineens langs je heen ziet lopen. Wow.

De  bostulp is de enige tulpensoort die we tot de Nederlandse flora mogen rekenen. Lang geleden is de soort vanuit Zuid-Europa hier mee naartoe genomen en vervolgens is hij op enkele plaatsen verwilderd. De meeste Nederlandse bostulpen staan momenteel in Friesland, op en rond kastelen en buitenplaatsen. In Limburg schijnt rond het kasteel van Well een aardige populatie te groeien.

IMG_1963

tulpen in bloemenstalletje Aken, 23 maart 2017

Maar nu wat anders. Eergisteren kwam ik in Aken langs een bloemenkraam. Die had de nodige bossen tulpen staan.  Tenminste, het duurde even voordat ik doorhad dat het inderdaad tulpen waren, want ze waren volstrekt misvormd. Frutsels, franjes, vlekken en rare kleuren; het leek wel alsof een bloemachtig iets aangevallen was door een schaar, waarbij de nodige druppels bloed waren gevloeid. Dat was schrikken. Waren ze echt? Jazeker. Gefascineerd door hun intense lelijkheid kon ik niet anders dan er een foto van maken. Later, thuis, bekeek ik de foto nog eens goed en dacht: van bostulp tot dit geval: wat hebben we in ‘s hemelsnaam toch met de tulp uitgevoerd?

Nederlanders zijn uitermate goed in het kweken van de meest uiteenlopende tulpenrassen en ze verdienen er een vermogen mee. Koop een bosje van tien dezelfde tulpen en je zult zien dat ze zeer gelijkmatig zijn, niet alleen qua kleur, maar ook qua lengte, vorm van de bloemknop, stand van het blad enzovoort. Dat is niet toevallig, want zo worden ze gekweekt. Het is handel. Het tulpenaanbod sluit aan bij de vraag en de vraag volgt een bepaald schoonheidsideaal.

Een schoonheidsideaal is afhankelijk van tijd en plaats. Zo hadden de Ottomanen hun favoriete naaldtulp en beschouwden de zeventiende-eeuwse Hollanders de gevlamde tulp als het toppunt van fraaiheid. Deze tulp kreeg, en krijgt, zijn gevlamde tekening door het deels ontbreken van rode of purperen pigmenten in de opperhuid, waardoor de kleur van de onderhuid zichtbaar wordt. Het gaat hier dus in feite om een gebrek. Tijdens de groei van de bloem worden deze vlekken in de lengterichting uitgerekt en voilà, daar is het typisch gestreepte of gevlamde effect. Je zou kunnen stellen dat de gevlamde tulp in wezen een gebrekkige tulp was, totdat iemand uitriep:   ‘Jee, dat is mooi!’ En vervolgens werden er hele fortuinen voor betaald.

Het was de Nederlandse bollenkweker Krelage, die in 1886 de grondslag legde voor de tulp zoals we die vandaag de dag graag zien. Hij maakte hiervoor gebruik van de zogenaamde breedertulp, een éénkleurige tulp,  die eeuwenlang als ondergrond voor de gevlamde variëteiten had gediend. Krelage waardeerde de breedertulp op zijn eigen merites en hij bracht hem onder een nieuwe naam, de Darwintulp, in de handel. Het was een langstelige, laatbloeiende tulp, en ik citeer: ‘ditmaal niet in bont, gestreept en gevlamd gewaad, maar in felle, zuivere kleuren in groote verscheidenheid.’[i] Op de Parijse Wereldtentoonstelling in 1889 plantte hij ze aan in de grootschalige, uniforme plantschema’s die we nu nog steeds tegenkomen in de Keukenhof of in de middenberm van Park Avenue in New York. Het blijkt een schoonheidsideaal dat al meer dan honderd jaar beklijft.

Andere tulpen, zowel gekweekte vormen als wilde soorten, werden gekruist met de Darwintulpen, wat leidde tot het verbluffende scala aan gecultiveerde tulpen dat tegenwoordig wordt aangeboden. In het register van de Koninklijke Algemeene Vereeniging voor de Bloembollencultuur worden momenteel zo’n 5500 variëteiten vermeld.

Dat enorme aantal heeft te maken met een typische tulpeneigenschap, namelijk dat de tulp bij vermeerdering door zaad zeer variabel is. Komt echter uit het zaad een tulp tevoorschijn met deze of gene gewenste eigenschap – ook al vind ik hem in- en inlelijk – , dan kan die tulp via vegetatieve vermeerdering in principe eindeloos gekopieerd of gekloond worden. Het zijn deze klonen in hun uniforme jasje die vandaag de dag elk voorjaar de kleurrijke strepen in het landschap van de Bollenstreek trekken.

Over smaak valt niet te twisten, en zeker niet als er geld mee te verdienen valt. Maar ik hoop dat we niet evolueren in de richting van een ontploft bont, gevlekt, gevlamd én geknipt geval. Dat doet me namelijk een beetje verknipt aan.

[i] Bron: Ernst Heinrich Krelage, Bloemenspeculatie in Nederland. De Tulpomanie van 1636-’37 en de Hyacintenhandel 1720-’36. P.N. van Kampen & Zoon, Amsterdam 1942
Geplaatst in Uncategorized | Plaats een reactie

Hothouse Lily

Op de Nederlandse televisie is momenteel een Britse serie te zien over Queen Victoria. Ooit was ze de koningin van het Verenigd Koninkrijk. Ze werd geboren in 1819, ze werd op 18-jarige leeftijd gekroond tot koningin en ze stierf in 1901. Haar leven omvat een groot deel van de 19de eeuw en haar regeerperiode staat bekend als het Victoriaanse tijdperk.

afbeelding1

Zaailingen van de Victoria cruziana staan in een klein aquarium in de tropische kweekkas op de Overtuin van de Hortus Botanicus Amsterdam te wachten op uitplanten. De watertemperatuur in dit aquarium wordt op ca. 27 graden Celsius gehouden. (2015)

In 1837, het jaar van haar kroning, werd er een plant naar haar genoemd. Het was niet de minste plant. Het was een waterlelie met een ongekende groeikracht en hij was, net als het uitdijende Britse imperium, groot, groter, grootst.

De plant was zo’n dertig jaar eerder in Zuid-Amerika voor het eerst door westerlingen opgemerkt. Hij groeit daar in ondiepe, kalme wateren in het Amazonegebied. Denk aan hitte, felle zon, vruchtbare rivierklei en veel tropische neerslag. Daar, in zijn natuurlijke habitat, kan hij uitgroeien tot een diameter van zo’n 16 meter. De ronde drijfbladeren groeien aan meterslange stengels en een bladdoorsnee van 2,5 meter is geen uitzondering. U begrijpt het: de meters vliegen je om de oren. De bloemen tot slot kunnen tot 40 cm groot worden.

Zoals gebruikelijk bij de ontdekking van nieuwe planten gebeurden er ook met deze plant twee dingen: 1) de plant moest beschreven en op naam gebracht worden en 2) gerenommeerde Europese tuinen haastten zich om de plant uit zaad op te kweken.

Het op naam brengen gebeurde door de Engelse plantkundige John Lindley, in 1837 dus, en hij noemde de plant Victoria regia*, naar de net gekroonde, jonge vorstin. De opkweek vanuit zaad duurde wat langer. Af en toe lukte het ontkiemen van de zaden, sommige planten groeiden zelf uit en kregen grote bladeren. Maar, potverdriedubbeltjes, bloeien wilden ze niet. Zelfs niet in Kew Gardens. Het had uiteindelijk heel wat voeten in de aarde voordat Joseph Paxton in 1849 een Victoria regia in bloei kreeg.

Paxton was de ambitieuze tuinbaas van Chatsworth, een van de grootste huizen van Engeland. Hij observeerde de groei van zijn planten, keek naar zijn kasjes en dacht: “Dat kan beter”. Al vanaf 1828 experimenteerde hij met dunne kozijnen en glasroeden. Hij bedacht nieuwe dakconstructies en volgde ontwikkelingen op het gebied van glasproductie op de voet. Hij onderzocht de toepasbaarheid van gietijzer en bedacht slimme manieren voor de afvoer van hemelwater. Hij maakte volop gebruik van de technologische vernieuwingen van de Industriële Revolutie om lichte, warme en ruime kassen te bouwen. Altijd met als doel om planten in de kunstmatige omgeving van de kas optimaal te laten groeien. Na twintig jaar van experimenteren met warme kassen in alle soorten en maten was Chatsworth dus als geen andere tuin toegerust om de Victoria regia, ook wel de hothouse lily genoemd, in bloei te krijgen.

Op 3 augustus 1849 bracht Paxton een zaailing mee uit Kew en plantte het in een grote, verwarmde tank in een warme kas. De groeikracht van het plantje en de optimale groeiomstandigheden waarin het terecht kwam deden hun werk. Binnen twee maanden produceerde de lelie bladeren van 1,20 meter doorsnee en nog weer een maand later was een eerste bloemknop zichtbaar. De brieven waarin Paxton minutieus verslag doet van het hele groei- en bloeiproces lezen als een spannend jongensboek. Op 8 november ging de eerste bloem open en felicitaties uit het hele land stroomden binnen. Zes dagen later, op 14 november, reisde Paxton naar Windsor om een bloem en een blad aan te bieden aan – wie anders dan – koningin Victoria.

Over Paxton zijn veel verhalen te vertellen, maar vandaag beperk ik me tot het feit dat hij met zijn horticulturele en technologische experimenten aan de wieg stond van een typisch Victoriaans fenomeen: de conservatory. Deze warme serre van gietijzer en glas, aangebouwd aan het huis, werd in de loop van het Victoriaanse tijdperk razend populair bij de gegoede burgerij. Het was er licht, het was er warm, het was er broeierig en het was privé. Tropische en subtropische planten werden verzorgd en bloemen werden geplukt. Een perfecte plek voor de vrouw des huizes. En de hothouse lily werd een voor de hand liggende metafoor voor deze Victoriaanse vrouw in haar exotische en tegelijkertijd volledig gecontroleerde speelkamer.

*De naam Victoria regia is later gewijzigd. Vandaag de dag worden in het genus Victoria twee soorten onderscheiden, te weten Victoria amazonica (de eerder Victoria regia) en Victoria cruziana.

Geplaatst in Uncategorized | Plaats een reactie

Soortenrijkdom en plantencollecties

Het dierenrijk telt wereldwijd bijna 1,4 miljoen soorten. De vogels, die u dit weekend massaal in uw tuinen telt, nemen daarvan ongeveer 10.500 voor hun rekening. Dat is 0,75 procent van het totaal aantal diersoorten op aarde.

In vergelijking met het dierenrijk is de variatie binnen het plantenrijk wat bescheidener. Over de hele wereld komen ruim 300.000 verschillende plantensoorten voor. Die zijn niet gelijkmatig over de aardbol verdeeld en daar kunnen we ons wat bij voorstellen. Het heeft niet alleen te maken met het klimaat of met de bodem, maar ook met de verschuiving van continenten, lang geleden. De belangrijkste klimaatzones – de polaire gebieden, de gematigde zone, de subtropen, en de tropen – hebben ieder hun eigen, karakteristieke flora. Maar ook is er een duidelijke scheidslijn tussen de plantensoorten van, zoals we dat noemen, de oude wereld (Afrika, Europa en Azië) en soorten van de nieuwe wereld (het Amerikaanse continent). Ook geïsoleerde eilanden, waar invloeden van buitenaf zich tot een minimum beperken, hebben vaak hun eigen, eilandspecifieke soorten.

img_5981

Eén van de vele tulpenrassen in de Hortus Bulborum, Limmen, 14 mei 2010

De Nederlandse flora komt er met zijn 1400 soorten een beetje bekaaid van af. Dit geldt trouwens voor heel Noordwest-Europa; voor de grootste soortenrijkdom in onze contreien moet je naar de landen rond de Middellandse Zee.

Neem de familie van de vlinderbloemigen, een uitermate belangrijke plantengroep voor de wereldwijde voedselproductie. In totaal telt ze zo’n 19.000 soorten, en Naturalis geeft voor Nederland een aantal van 62. Een beetje armzalig is dat wel. We zouden willen dat we meer hadden en we kijken met enige afgunst naar de grote variatie in landen als Zuid-Afrika of Australië. Je kunt op het vliegtuig stappen om alles te zien, maar dat is helemaal niet nodig. In de wondere wereld van de planten duiken, dat kun je ook in Nederland. Er is zó veel te zien. Gewoon af en toe een dagje een Nederlandse botanische tuin inlopen en de planten van de tropen, de subtropen, de woestijnen en gematigde streken, de nieuwe wereld en de oude verschijnen allemaal voor je neus.

2017 is in Nederland uitgeroepen tot het Jaar van de Botanische Tuinen. Dat betekent feest, dit jaar, voor alle tuinen die onder de koepel van de NVBT, de Nederlandse Vereniging van Botanische Tuinen, vallen. Momenteel zijn dat er vijfentwintig en hun aantal is groeiende. De tuinen beheren op verantwoorde wijze tal van levende plantencollecties uit alle delen van de wereld en ze tonen ze maar wat graag aan het publiek. De NVBT geeft aan dat er, verspreid over de aangesloten tuinen, zo’n 20.000 verschillende soorten te zien zijn. Dat is toch maar mooi 7% van alle soorten ter wereld. Niet gek. Elke tuin heeft zo zijn eigen specialisaties: sommige heel bekend, zoals de onvolprezen rotsplantencollectie van de Botanische Tuinen in Utrecht en andere minder bekend, zoals de 400 soorten tellende passifloracollectie van de Passiflorahoeve in Harskamp.

De NVBT-tuinen zijn bepaald niet gelijkmatig verspreid over het land. Op de site staat een kaartje van Nederland en op de botanische tuin in Kerkrade/Terwinselen na is de complete zuidoosthoek van Nederland leeg. Dat betekent gelukkig niet dat er verder geen enkele plantencollectie in Limburg te vinden zouden zijn. Denk maar aan de collecties van de Jochumhof in Steyl of die van de botanische tuin in Elsloo.

Wat ik maar wil zeggen: 2017 is een mooi jaar om erop uit te trekken. Geniet van de orchideeën, de bekerplanten en alle andere kroonjuwelen van de Leidse Hortus, de oudste Hortus van ons land. Verbaas je over de bomen- en hostacollecties  van Arboretum Trompenburg in Rotterdam. Herken de oude landbouwgewassen in de Kruidhof in Friesland. Snuif de geur op van de kostbare, bloeiende citrussen van kasteel Twickel en van Paleis ’t Loo. Laat je overweldigen door de kleurenpracht van de bloeiende azalea’s en rhododendrons van Arboretum Belmonte in Wageningen, of van de oude tulpenrassen in de Hortus Bulborum in Limmen. Voel de droogte, al zittend tussen de droogteplanten in de woestijnkas van de Amsterdamse Hortus Botanicus. En ga in Kerkrade eens naar de coniferen kijken.

Via de site van de NVBT (www.botanischetuinen.nl) is het allemaal te vinden. Check it out!

Geplaatst in Uncategorized | Plaats een reactie