Een boom voor kerstmis

24 december 2016

Ik wil het met u hebben over de kerstboom.

Lang geleden, tweeduizend en zestien jaar om precies te zijn, gebeurde er iets moois in een stal in Bethlehem. De hoofdpersonen waren: een pasgeboren jongetje, zijn ouders, een os en een ezel, koningen van ver en herders van dichtbij. In de frisse winternacht van het oude Palestina schalden de trompetten en klonk het gezang van engelen en elk jaar opnieuw gedenken wij deze gebeurtenis. Het gebruik wil dat we daarbij niet alleen een stalletje, maar ook een boom in ons huis zetten.

img_1634

Weg naar Hebron, december 2016

We noemen zo’n boom een dennenboom, maar dat klopt natuurlijk voor geen meter. Wat wij in december kopen is geen den, maar een spar. Hoewel de den en de spar verwant zijn – het zijn allebei coniferen cq. naaldbomen -, zijn er onderling veel verschillen. Zo hebben sparren een conische, taps toelopende vorm, en dennen hebben dat niet. De naalden zijn ook anders: bij de dennen zijn ze rond en bij de sparren zijn ze drie- of vierhoekig, of zelfs afgeplat. En hoewel er in Israël en Palestina een aantal dennensoorten voorkomt, is er geen spar te vinden. Hoe zit dat dus met die kerstboom en de geboorte van het kindje Jezus? Is er überhaupt een relatie?

Nu wil het geval dat ik begin deze week in de buurt van Bethlehem was, en ik kwam op het idee om voor de luisteraars van Limburgs Land enige duidelijkheid in deze materie te krijgen door ter plaatse op zoek te gaan naar de boom die de aartsvader van alle kerstbomen is.  Want als hij al ergens gevonden kan worden, dan moet het toch in Bethlehem zijn, nietwaar?

Bethlehem ligt ongeveer 10 kilometer ten zuiden van Jerusalem, aan de weg naar Hebron, op de westelijke Jordaanoever. Het gezag is er in handen van de Palestijnse Nationale Autoriteit en de stad is alleen bereikbaar via Israël. Je moet dus langs zo’n akelig checkpoint, vol soldaten, automatische geweren, kogelvrije vesten en gepantserde voertuigen.

Een goedlachse Palestijnse chauffeur – natuurlijk met snor – pikte me op bij de muren van de oude stad van Jerusalem en daar gingen we, rechtsaf de weg naar Hebron op. Aan de rand van de stad werden de eerste volstrekt kale toppen van de bergen van Judea zichtbaar en de chauffeur wees me zijn dorp aan, Bayt Sahour, een stuk verderop. Ik zag niet alleen het dorp, maar ik zag ook de powerplay van de gloednieuwe illegale joodse nederzetting ernaast. Een in-triest gezicht.

Het passeren van de grens ging gelukkig probleemloos en de chauffeur riep met Arabische tongval uit: “Zeh Beit Lechem!”. Vervolgens richtte ik mijn ogen op alles wat groen was. De bergen van Judea zijn van kalksteen en de stad Bethlehem is in dezelfde lichte steenkleur opgebouwd. Dat betekent dat elke boom, laat staan een donkergroene conifeer, onmiddellijk opvalt.

img_1705

Bethlehem, buiten de oude stad, december 2016

Mijn zoektocht, die ik met enthousiasme was begonnen, werd al gauw een treurige onderneming. De moed zakte me in de schoenen. Er zijn maar weinig bomen in Bethlehem en veel bomen leven, net als de bevolking, onder zware omstandigheden.  Ja, hier en daar staan plukjes gezonde bomen achter muren en hekken van oude villa’s of kloosters. Daar vind je dadelpalmen, dennen, cipressen, laurierbomen, zwarte moerbeien, loquats, olijven of citrussen. Geen spar te bekennen, natuurlijk. Maar verder? In de openbare ruimte? Of in het omliggende landschap? Nauwelijks, op een enkele aanplant van olijfbomen of wat struikgewas na.

img_1682

Bethlehem, Cupressus sempervirens langs het pleintje bij de geboortekerk, december 2016

Van de bomen die ik vond was de cipres de boom die grofweg het meest lijkt op onze kerstspar. Dan bedoel ik niet de superslanke, kaarsrechte cipres die wij associëren met mediterrane landschappen en waarvan de takken even verticaal omhoog groeien als de stam. Dergelijke cipressen werden vanaf de Romeinse tijd al geselecteerd en doorgekweekt. Nee, ik bedoel de wilde vorm, de gewone Cupressus sempervirens, die zijn takken tamelijk horizontaal uitspreidt en daardoor een min of meer conische vorm krijgt, net als onze spar. Een paar van deze bomen vond ik aan de rand van het pleintje naast de geboortekerk. Ook weer niet op het plein zelf, maar net binnen de muren van een naastgelegen kloostercomplex.  Dichter bij een conifeer die ooit bij een stalletje in Bethlehem gestaan kan hebben, kon ik niet komen. De enorme kunstkerstboom die ze enkele tientallen meters verderop ter voorbereiding van kerstmis aan het optuigen waren, werd in vergelijking met deze cipressen ineens een volstrekt misplaatst en wereldvreemd geval.

img_1674

Bethlehem, Jonge olijfboomgaard ten noorden van de stad, december 2016

Dit jaar voor ons geen kerstboom. We gooien alle coniferen overboord, zelfs de cipres, en we kiezen voor een takje van de olijfboom. Want olijftakjes brengen de vrede en dat hebben de bomen op de Westbank hard nodig.

Geplaatst in Uncategorized | Plaats een reactie

Geen getut

5 november 2016

Een paar weken terug was ik op bezoek bij een kennis, een kunsthistorica die al vroeg in haar loopbaan haar hart verpandde aan de tuinkunst. Ze heeft een paar mooie publicaties op haar naam staan, waaronder het boek over de beroemde Nederlandse kwekers- en ontwerpersfamilie Copijn. Zo’n beetje drie jaar geleden gooide ze echter het roer om. Ze schoof het schrijfwerk opzij en ging fysiek aan de slag op 1000 vierkante meter veengrond, onder de rook van Rotterdam. Ze legde er een bloemenakker aan en begon een bedrijf voor biologisch geteelde snijbloemen en tuinkruiden. Het was hard werken, het  is hard werken, maar het lukt. Tijdens het groeiseizoen levert ze nu bloemen aan bloemisten uit de buurt en staat ze elke twee weken op de boerenmarkt in Rotterdam. Toen ik bij haar bloemenveld kwam aanrijden zag ik haar in de verte lopen, met ferme pas, tussen de langgerekte bloembedden door, hoed op – want de zon scheen fel -, handschoenen, oude broek, werkschoenen, kniebeschermers. En de snoeischaar bij de hand.

20161105_103333-2

Stilleven met hoed, Vijlen, 5 november 2016

Ik mocht een tijdje meewerken en ik diefde zo’n 30 strekkende meter dahlia’s. Later, toen we in een hoekje van de kwekerij thee dronken, zei ze: “Eigenlijk is er niets veranderd; of ik nou schrijf over planten of dat ik ze teel: het gaat in beide gevallen om het resultaat van mijn fascinatie voor het uitgangsmateriaal. En dat uitgangsmateriaal, dat zijn de planten.”

Haar gedrevenheid, voortkomend uit die passie voor planten, is niet uniek. Integendeel. Het lijkt de gemene deler van alle Nederlandse vrouwen die hun sporen verdiend hebben c.q. verdienen op het gebied van planten en tuinen. Geen getut. Maar wel: kundig, met hart en ziel, vasthoudend én in de hoogste versnelling.

Ik herken al deze eigenschappen in de vrouwen van het zeventiende-eeuwse, Amsterdamse  botanische netwerk, met namen als Magdalena Poulle, Maria Sybilla Merian, Maria Monickxs, Maria en Alida Withoos en Agneta Block. Agneta bijvoorbeeld ontpopte zich op haar buitenhuis aan de Vecht als een uiterst begaafd kweekster van zeldzame en uitheemse planten en ze  was de eerste die in Nederland een ananasvrucht wist op te kweken. Haar successen worden toegeschreven aan haar manier van werken, die zowel wetenschappelijk als praktisch was.

Ik herken de passie bij de eerste Nederlandse vrouwen die een vakopleiding gingen doen, of het nou de elitaire Tuinbouwschool “Huis te Lande” was, of de technische Landbouwhogeschool in Wageningen of de praktische Tuinbouwschool in Boskoop.

Gedrevenheid was er bij de grote namen van de Wederopbouw, na de Tweede Wereldoorlog. Bij Grande Dame Mien Ruys, die in Nederland eenzelfde status bereikte als Gertrud Jekyll een paar decennia eerder in Engeland. Of bij Jacoba Mulder, die met haar ontwerp van het Amsterdamse Bos een erfenis van jewelste achterliet in de door mannen gedomineerde Amsterdamse stedenbouw.

De passie is ook overduidelijk aanwezig bij de dames van de particuliere tuinen die vanaf de jaren ’70 van de vorige eeuw hun deuren openden tijdens de Open Tuinendagen. De mooiste paradijsjes kwamen tevoorschijn. Een heel stel Zeeuwse dames, mevrouw Canneman uit Langbroek bij Utrecht, de Limburgse Amy van Ierssel en Ineke Greven: hun tuinen werden heuse iconen, mede doordat ze gefotografeerd werden door de al even gedreven fotografe Marijke Heuff. Niet voor niets werden haar tuinfoto’s in 2012 aangemerkt als nationaal erfgoed.

Vandaag de dag herken ik de passie nog het meest bij de jonge generatie stadstuiniers. Vaak zijn dat vrouwen. Op onmogelijke plekken gaan ze aan de slag, en binnen een jaar wordt er geoogst. De producten worden op de lokale markt verkocht of belanden op het bord in de restaurants in de buurt. Keihard werken is dat, en je houdt het alleen maar vol als je je ziel en zaligheid er in legt.

Ik voel me thuis bij al deze vrouwen, of ze nu nog leven of niet. Met hen kan ik een boom opzetten over alles wat plantaardig is. En vervolgens wil ik meelopen en meewerken. Hoed op, handschoenen aan, oude broek, werkschoenen. De snoeischaar bij de hand. Graag trek ik daarbij ook nog mijn oude bloemetjesschort aan. Dat lijkt getut, maar, beste luisteraar, vergis u niet: zo’n schort is gewoon superpraktisch.

Geplaatst in Uncategorized | Plaats een reactie

Natuurgetrouw

24 september 2016

Pas geleden zag ik de film met de onwaarschijnlijke titel ‘An Englishman who went up a hill, but came down a mountain’. Hij handelt over twee Engelse cartografen, ook wel surveyers genoemd, die aan het begin van de twintigste eeuw, ergens in een dorp in Wales, hun intrek nemen in de plaatselijke herberg om van daaruit met behulp van hun meetapparatuur het omliggende landschap in te meten. De twee Engelse gentlemen met hun afstandelijke, wetenschappelijke methode staan lijnrecht tegenover de plaatselijke Welse boeren, bij wie alles recht uit het hart lijkt te komen. De heren worden beschouwd als indringers vanuit het arrogante Engeland en ze worden, zacht gezegd, met scepsis en vileine humor ontvangen. De emoties lopen hoog op, maar uiteindelijk vinden de boeren en de landmeters elkaar en kan het happy end losbarsten.

Limburg kende iets vergelijkbaars, maar liefst honderd jaar eerder. Aan het begin van de 19de eeuw namelijk, trok een 30-tal Franse landmeters onze contreien binnen om het land op te meten en op kaarten in te tekenen. Ook toen stond de plaatselijke bevolking niet te juichen, en bood zelfs weerstand, want de afkeer voor de Franse rood-wit-blauwe driekleur was groot. Toch is het maar goed dat onze voorvaders die vreemde lui met hun rare instrumenten hun werk lieten doen, want het resultaat was iets heel bijzonders.

ontginningsvelden_melderslo-melders_locht

Ontginningsvelden Melderslo (bij Horst), op de Tranchotkaart, Detail/uitsnede van kaartbladen 25 en 26.

In 1794 was het latere Limburg onder Frans bestuur gekomen en omdat het Franse leger snel de beschikking wilde hebben over betrouwbare terreinkaarten gaf Napoleon de opdracht om alles in kaart te brengen. Een kolonel uit het Franse leger, Jean Joseph Tranchot, kreeg de opdracht om de veroverde landen tussen de Rijn en de Maas op te meten. In totaal ging het om vier departementen en samen met zijn medewerkers begon hij als eerste met het Departement de la Meuse Inférieure, of anders gezegd: van Eijsden tot de Mokerhei. Het resultaat was een reeks van 38 kaartbladen, schaal 1 op 20.000,  van een uitzonderlijke kwaliteit, en met een schat aan informatie over het Limburgse landschap. Bossen, woeste gronden, grondgebruik, nederzettingen met hun huizen, hagen, erven, moestuinen en boomgaarden, het reliëf, het wegen- en waternet, het staat er allemaal op.

Het doel van de Tranchotkaart – want zo werd hij genoemd –  was van militair-strategische aard, dus alles wat van belang was voor een oprukkend leger werd systematisch ingemeten en ingetekend. Voor goede kaartlezers, en dat zijn militairen, waren het uitermate functionele kaarten. Achter hun bureaus in hun hoofdkwartieren moesten de generaals met behulp van de legenda het landschap namelijk tot in detail kunnen verkennen en er virtueel –ja, toen ook al – doorheen kunnen trekken. “Op díe plek kunnen de manschappen of de paarden drinken, hier zakken we met onze kanonnen weg in drassige grond, daarachter is een nederzetting, met alle te confisqueren paarden, koeien, kleinvee en fruit van dien.” Alles werd geïnventariseerd en de landmeters gingen zo nauwkeurig te werk dat Napoleon vol ongeduld liet weten dat het allemaal veel te gedetailleerd was en dat het allemaal veel te veel tijd in beslag nam. Tranchot liet zich echter niet van de wijs brengen.

Dat wat de generaals destijds konden, dat kunnen we nu ook. Alleen slepen we nu geen regiment achter ons aan, nee, we wandelen in ons eentje. We pakken onze virtuele wandelstok en gaan op stap door het gevarieerde, vroeg 19de eeuwse, Limburgse land. De door de Vrije Universiteit digitaal beschikbaar gestelde Tranchotkaart is onze veldgids.

Realiseer je dat de eerste helft van de 19de eeuw wel wordt beschouwd als de periode waarin we de grootste variatie in plantengemeenschappen en plantensoorten kenden. Niet alleen was er nog genoeg over van de natuurlijke vegetatie – denk aan de woeste, onontgonnen gronden van de Peel- , maar ook was er een keur aan onder invloed van de mens ontstane biotopen. Dicht bij de nederzettingen de intensief gebruikte gronden, boomgaarden, moestuinen, akkerlanden, hooilanden en weilanden. Verder weg de schrale, extensief gebruikte gronden, heide, hakhoutbossen en opgaande bossen met sparren of dennen, of beuken of eiken. Kastelen met hun parkbossen. En langs de rivieren de overstoombare gronden en de grienden. Iedere biotoop met zijn eigen soortenrijkdom. En voordat de biodiversiteit als gevolg van de industriële revolutie definitief aan haar neerwaartse gang begon, hebben de mannen onder leiding van Tranchot dat allemaal geïnventariseerd en voor ons, leesbaar, op papier gezet. ‘Natuurgetrouw’, dat is hierbij een passend sleutelwoord.

Geplaatst in Uncategorized | Plaats een reactie

Dahlia

27 augustus 2016

Ik zal het maar eerlijk bekennen: ik ben een groot fan van de dahlia. Dat komt door z’n uiterlijk, dat in feite onweerstaanbaar is. Op een zomerse zaterdagochtend als vandaag, op het terrein van de EMDV, de Eerste Maastrichtse Dahlia Vereniging, zie je nóg meer kleur dan bij de carnavalsoptocht van afgelopen februari in de binnenstad. Helemaal super.

De dahlia zoals wij hem kennen komt natuurlijk helemaal niet van hier. Daar is hij veel te exotisch voor. Het geslacht Dahlia is inheems in  Midden-Amerika, in Mexico om precies te zijn, en er wordt wel verteld dat de vrouw van Napoleon, Joséphine de Beauharnais, degene was die de plant in Europa introduceerde. Dat is niet helemaal waar, maar haar plantenverzamelwoede en haar link met de dahlia vormen een interessant verhaal.

IMG_9922

Dahlia ‘Bora Bora’ en Dahlia ‘Maroon Fox’, Vijlen, 27 augustus 2016.

Joséphine de Beauharnais werd in 1763 geboren op het eiland Martinique, destijds een Franse kolonie. Ze was de dochter van een niet al te welvarende plantagehouder. Op 16-jarige leeftijd arriveerde ze in Parijs, voor een gearrangeerd huwelijk met Alexandre de Beauharnais. Tijdens de meest bloederige dagen van de Franse Revolutie ontsnapte ze, in tegenstelling tot haar echtgenoot, op  een haar na aan Madame la Guillotine en maakte vervolgens naam in de hoogste kringen. Daar ontmoette ze in 1795 Napoleon Bonaparte. Zij was op dat moment een van de meest spraakmakende vrouwen van Parijs, terwijl hij nog relatief onbekend was.

De carrière van Napoleon was de carrière van Joséphine. Napoleons macht groeide, en die van haar groeide mee. Terwijl hun formele leven zich in Parijs afspeelde, was Joséphine veel liever in haar buitenhuis, Château de Malmaison. Hier, met Napoleons oorlogsbuit in haar portemonnee, kwam haar tomeloze verzameldrift tot volle wasdom. De collecties bomen en planten in de tuinen van Malmaison worden gezien als het plantaardige equivalent van Napoleons veroveringen: uit alle uithoeken van de wereld liet ze vijftien jaar lang zaden, bollen, knollen, stekken en planten aanvoeren. Ze schafte grote hoeveelheden botanische boeken aan en iedereen werd – al dan niet vriendelijk – verzocht om planten en zaden te sturen. Van Franse diplomaten ontving ze zaden uit Afrika, Zuid-Amerika en het Midden-Oosten. Franse zeeschepen kregen de opdracht om van overal plantmateriaal mee terug te nemen. Uit het Weense Schönbrunn stuurde Napoleon 800 zaden en planten op. Haar fameuze rozencollectie werd aangevuld met soorten en variëteiten uit Wilhelmshöhe, de beroemdste rozentuin van die tijd.

Zo deed ze dat.

Bovendien was de tijd van Malmaison een tijd van wetenschappelijke ontdekkingsreizen. Vanuit Europese hoofdsteden werden expedities opgezet naar alle uithoeken van de wereld, met als doel om zoveel mogelijk kennis en vondsten, waaronder die uit het plantenrijk, mee terug te nemen. Via haar connecties pikte Joséphine méér dan een graantje mee. Zo arriveerde Alexander von Humboldt na afloop van zijn beroemde expeditie door Centraal-Amerika in 1804 in Parijs. Von Humboldt, als natuurvorser en geograaf het ultieme voorbeeld van een verlichte geest, hield bij zijn aankomst heel de stad in zijn ban en Joséphine was extatisch over zijn beschrijvingen van onbekende oorden, zo dicht bij haar geboortegrond Martinique.

Onder de 4500 plantensoorten die Von Humboldt mee naar Parijs had genomen bevonden zich enkele  dahlia’s. Er wordt gezegd dat Joséphine dol was op de kleurrijke bloemen. Ik kan me er wat bij voorstellen. In ieder geval begon de dahlia via Malmaison en de Jardin des Plantes in Parijs – waar op datzelfde moment toevallig ook een paar dahliasoorten uit de Real Jardin Botánico van Madrid arriveerden – aan haar opmars door de Westerse wereld.

In eerste instantie werden de mogelijkheden van de wortelknollen als voedselgewas onderzocht. Was de dahlia de nieuwe aardappel? Nee, want de knol bleek voor consumptie oninteressant. Gelukkig toonde de dahlia zich wel uitermate geschikt voor systematische hybridisatie, met als resultaat het enorme assortiment aan gekweekte dahlia’s dat we tegenwoordig kennen.

Deze week las ik in de krant dat de ruwbouw van de Koning Willem-Alexandertunnel, de A2-tunnel onder Maastricht, nu klaar is en dat men aan de afbouw gaat beginnen. Dat betekent dat de realisatie van de Groene Loper bovenop de tunnel ook in zicht komt. Mogen beleidsmakers en ontwerpers de kans grijpen om de Eerste Maastrichtse Dahlia Vereniging te verleiden er hun dahlia’s een ereplaats te geven. Gewoon omdat ze onweerstaanbaar zijn.

 

Geplaatst in Uncategorized | Plaats een reactie

Het tuinmes

25 juni 2016

Als ik een top vijf zou moeten opstellen van mijn favoriete tuingereedschap, dan zou daar gegarandeerd een mes bij zitten. Of het nou een zakmes is, of een oogstmes, een entmes, of een gewoon aardappelmesje, het maakt niet uit; als het maar loeischerp is.

Een aantal jaar geleden verbleven we in het binnenland van Sicilië en tijdens onze allereerste wandeling buiten het stadje kwamen we langs een moestuin. Als moestuingek kon ik niet anders dan even over het hek kijken. Een oudere man kwam tevoorschijn, gebaarde ons naar binnen en toen hem duidelijk werd dat onze kennis van de Italiaanse taal niet verder ging dan een paar woorden, zetten we onze conversatie voort op andere wijze. Dat lukte prima, want op de een of andere manier spreken moestuiniers allemaal dezelfde taal.

Het was september en hij liet ons de vruchten van september zien.  Kleine appeltjes, vijgen, limoenen en de vruchten van de metershoge cactus, de Opuntia. Hij haalde een vieze zakdoek tevoorschijn en brak een vrucht van de cactus af. Nu moet u weten dat zo’n vrucht, net als de meeste cactussen, vol zit met hele fijne, gemene doorntjes. Met een uiterst elegante beweging – die ik later vaak heb proberen na te doen, maar die bij mij jammerlijk mislukt -, veegde hij met één enkele veeg van zijn zakdoek de stekels weg. Vervolgens trok hij een plat zakmes uit zijn broekzak en klapte het open. Het was een loeischerp mes.

Sicilie vruchten nutstuin

De oogst van het bezoek aan de moestuin bij Castelbuono, Sicilië.

Daar stonden we dan. Ergens in een tuintje in de heuvels van Sicilië, ver van de bewoonde wereld, met een onbekende man met een scherp mes. Mijn kennis van Sicilië beperkte zich destijds grotendeels door wat ik in maffiafilms had gezien en even was daar dus de mogelijkheid dat de man ons beider strot vakkundig zou doorsnijden. Maar niets hiervan. Ik kon opgelucht ademhalen. Hij sneed de cactusvrucht overlangs routineus door en presenteerde ons op zijn vlakke hand de twee opengeklapte, zoetsappige helften.

Het bleek natuurlijk een uiterst vriendelijke moestuinman, trots op zijn tuin. Met een zak vol limoenen en salie – dé klassieke basis ingrediënten van de Siciliaanse keuken – vervolgden we onze wandeling. En diep onder de indruk van de manier waarop hij het mes had gehanteerd liep ik die middag meteen naar de lokale ijzerwarenhandel om zo’n echt Siciliaans zakmes aan te schaffen.

Tuinmessen zijn er in soorten en maten, maar wat het belangrijkste is, is dat ze scherp zijn. Dat lukt het best wanneer ze niet van roestvrij staal zijn gemaakt. Alle bekende merken tuinmessen zijn van het zogenaamde carbon-staal, een staal met een hoog koolstofgehalte. Dit maakt het staal extra hard, waardoor het dunner geslepen kan worden, en dus extra scherp te krijgen én te houden is.  Bij de fabricage van roestvrij staal wordt chroom toegevoegd, en het chroom maakt het staal zachter. Dan is het moeilijker om een lemmet scherp te krijgen. Ik weet dat rvs tuingereedschap momenteel het summum is, maar als het scherp moet zijn, nee, dan liever niet.

Natuurlijk wordt het tuinmes in de tuin voor van alles en nog wat gebruikt. Maar een van de allerleukste dingen die je wat mij betreft met zo’n mes kunt doen – niet alleen als tuinier maar ook als natuurliefhebber -, is een bloem overlangs opensnijden. Eens kijken hoe dat er binnenin uitziet, wellicht met een vergrootglas erbij. Laatst deden we dat met de bloem van de Duitse Pijp. We zagen de wonderlijke binnenkant,  met al z’n haartjes en z’n purperen en witte vlekken, en het leek ons dat je er als bestuiver de weg behoorlijk in kunt kwijtraken.

Bovendien worden, als je gaat snijden,  allerlei ingewikkelde botanische termen in één klap duidelijk. Aanschouwelijk onderwijs heet dat. Snij een uitgebloeide egelantier in de lengterichting door en meteen zie je wat er bedoeld wordt met een zogenaamd onderstandig vruchtbeginsel.  Of maak een langsdoorsnede van een paardenbloem en het onderscheid tussen een enkel bloemhoofd en de zee aan lintbloemen word acuut duidelijk.

Het is het scherpe mes dat er voor zorgt dat de vrucht of de bloem zijn geheimen prijsgeeft. Als dat geen mooi gereedschap is.

Geplaatst in Uncategorized | Plaats een reactie

De tuin als kunstwerk

21 mei 2016

Zo lang als ik in tuinen werk – en dat is al behoorlijk lang -, heb ik contact met kunstenaars. Het gaat ze natuurlijk niet om mij, maar om de tuin, en om de planten en de bomen. Ze willen er tekenen, of schilderen  of fotograferen. Ze willen de tuin gebruiken om hun werk tentoon te stellen, ze willen experimenteren met levend plantmateriaal, of ze willen performen. Linksom of rechtsom zijn de meeste kunstenaars niet uit de tuin weg te slaan. Alleen de schrijvers niet. Die blijven liever binnen, in hun eigen hoofd en bij de boeken.

IMG_9704 uitsnede

Een heel klein k-tje in mijn achtertuin.

Toch word ik – sorry, hoor – niet zo vaak geraakt door kunst in een tuin. Dat komt niet zozeer omdat ik de kunst niet mooi of interessant vind, maar omdat ik de tuin eveneens beschouw als een kunstwerk. Twee kunstwerken naast en door elkaar, vaak uitermate uiteenlopend qua materiaal en concept, dat wil weleens wringen. Dan wordt de tuin al snel een decor, wat niet strookt met zijn aard. Het is de chemie tussen de twee die ik dan mis.

Die chemie vind ik meestal het beste terug in tuinen zijn die speciaal zijn aangelegd om kunst te exposeren. Nog steeds, als ik door de beeldentuin van het Kröller-Müller op de Veluwe loop, of in de Art Garden van het Israel Museum in Jerusalem, dan stokt m’n adem. De plantaardige, natuurlijke buitenruimtes concurreren niet met de kunstwerken. Ze gaan een wisselwerking met ze aan. Het zijn schitterende expositieruimtes in de open lucht, met als functie om de kunstwerken de vanzelfsprekende ruimte te geven die ze nodig hebben.

Maar andere tuinen zitten niet zo in elkaar. Die zijn minder gastvrij ten opzichte van andere kunstvormen omdat ze er zelf een zijn. Wat dat betreft voelt de tuin zich net zo goed op zijn gemak in  L1 Cultuurcafé als in Limburgs Land. Het is een autonome schepping. Net als een beeldhouwwerk of een schilderij, maar dan op het grensvlak van cultuur en natuur.

Het doek van de schilder is beperkt van afmetingen, en net zo definieert de tuin zich door zijn kader. Niet voor niets is ons woord Tuin een afgeleide van het Duitse Zaun, wat Hek betekent. Het palet van de schilder is gelijk aan de  kleuren en de geuren, aan de textuur van de bloemen en planten en bomen. De schepper van de tuin gebruikt licht en schaduw, hoogtes en laagtes, verre gezichten en details. Hij maakt gebruik van compositie en perspectief. Niet op het platte vlak zoals de schilder, niet in drie dimensies zoals de beeldhouwer maar nota bene – en dat is uniek in de wereld van de kunst – in vier dimensies. Want planten en bomen leven, ze staan niet stil. Ze kennen de vier seizoenen en ze kennen hun eigen levensloop.  Ze zijn jong, worden volwassen, en gaan dood, terwijl de tuin blijft bestaan. En de mens loopt erdoorheen, grijpt in en verandert, waar hij of zij maar wil.

Tuinen als kunstwerken hoeven voor mij niet alleen maar grote namen te hebben, zoals het Franse Vaux le vicomte of het Engelse Sissinghurst. Ook op tuinengebied heb je Kunst met een grote K en kunst met een kleine k. Bijvoorbeeld, Kasteel Wylre, waar we nu zijn, is een behoorlijk grote K. En een mooie moestuin beschouw ik als kunst met een kleine k. Ik kan ernaar kijken zoals ik naar een schilderij kijk.

Kunstenaars zijn scheppers. Dus wat mij betreft moeten ze met tuinen aan de slag. Niet met de tuin als decor maar met de tuin als kunstwerk an sich. Zoals de schilder zijn verf gebruikt, de dichter zijn woorden en de beeldhouwer zijn steen, zo kunnen ook planten en bomen gebruikt worden. Die zijn veranderlijk, grillig, vol kleur en beweging, dood en levend naast elkaar. Je zou toch zeggen: een mooier basismateriaal bestaat er niet. Daar móet wel iets spannends uit kunnen komen.

Geplaatst in Uncategorized | Plaats een reactie

Kijken is een kunst

30 april 2016

IMG_9669

Hazelaar, Heuvelland, 29 april 2016

In het Nederland van de 17e eeuw vormden bloemstillevens een geliefd genre in de schilderkunst. De voorstellingen, vol van kleur, bestonden uit een vaas met daarin de fraaiste bloemen, soms fruit, en omgeven door kleine insecten of exotische schelpen. Sneeuwballen, rozen, tulpen en narcissen, rijp fruit – gezien de bloeikalender niet de meest voor de hand liggende combinaties – allemaal bij elkaar in één vaas. Het waren kunstmatige composities waar de virtuositeit van afspatte.

Hoe anders waren de afbeeldingen van bloemen en planten zo’n honderd jaar eerder. Ik bedoel de vroege botanische afbeeldingen, meestal houtsneden, die volledig in dienst stonden van de studie. In al hun doeltreffende eenvoud werden de planten van top tot teen, van bloem tot wortel, weergegeven.

Hoeveel ook de kunstzinnige bloemstillevens en deze botanische prenten op het eerste gezicht van elkaar verschillen, toch zijn er grote overeenkomsten. Want allebei spiegelen ze – via het oog van de tekenaar of de  schilder – de natuur op het platte vlak. En allebei zijn ze het resultaat van nauwgezette observatie.

De 16de -eeuwse botanische tekeningen vielen samen met een nieuwe wereldbeschouwing die, komend vanuit Italië, heel Europa bezielde. Wetenschappers bogen zich hernieuwd over de mysteries van de natuurlijke wereld en maakten daarbij gebruik van nieuwe onderzoeksmethoden. De arts Vesalius sneed in lijken om de menselijke anatomie te leren kennen en Galilei keek naar het heelal met behulp van een telescoop. De onbevooroordeelde waarneming was het fundament van de nieuwe wetenschap.

Ook naar de wereld van de planten werd met een frisse blik gekeken. De Vlaamse humanist Justus Lipsius schreef in 1584 over het waarnemen van planten in een tuin: ‘Loop toch even … rond in deze rijke bloemenpracht: kijk, de een ontspruit uit een kelk, de ander uit een schede of uit een knop, deze hier verkwijnt, een ander ontluikt opeens. Bestudeer ….. bij één soort de groei, de vorm en de aanblik, op talloze wijze gelijk en verschillend …… . Nieuwsgierig oog, richt u voor korte tijd op deze stralende kleuren …. die een kunstig penseel kan navolgen maar niet evenaren.’

Kijken is een kunst. Vaak, als ik over de paden door het Limburgse landschap loop, dan loop ik aan de interessantste dingen voorbij. Te druk in het hoofd, en gewend aan mijn eigen, beperkte blikveld. De hagen, heggen en houtwallen zijn momenteel allemaal aan het uitlopen en dus dwong ik mijzelf gisteren om even stil te staan en mijn ogen, à la Lipsius, de kost te geven. Ik zag de meidoorn waarvan de eerste trosjes met bloemknoppen zichtbaar werden. Alle trosjes leken op elkaar en toch waren ze allemaal anders. En ik zag de blaadjes van de hazelaar, met hun fijn gezaagde randen, en nog helemaal in de plooi, klaar om zich uit te strekken. Alles zat eraan, ze waren supergaaf, alleen nog een beetje verfomfaaid. O, ik zou willen dat ik het kon vastleggen.

Een paar jaar geleden kreeg ik een tekenles van Anita Walsmit Sachs, de bekendste botanisch tekenaar van Nederland. Ik leerde van haar dat, ook als je ongeoefend bent, je een heel eind kunt komen als je maar stap voor stap, volgens een vaste volgorde werkt. En ook leerde ik dat er geen betere manier is om een plant te leren kennen dan door hem te tekenen. Alle onderdelen, bloembladen, meeldraden, bladnerven, bladschede, beharing, je kijkt in alle rust, het gaat van je hersens naar je vingers en weer terug. En je vergeet het nooit meer.

De botanische tekeningen die in de 16e eeuw via de boeken van plantkundigen over de wereld werden verspreid, stonden aan het begin van een traditie die zich tot vandaag de dag voortzet. De afbeeldingen in de Flora van Nederland zijn namelijk niets anders; met een enkel zwart lijntje worden de uiterlijke kenmerken van een plant verbazingwekkend doeltreffend weergegeven. En alle grote bloemschilders, zoals Merian, Moninckx of Redouté, leerden hun kunst via deze basisvaardigheid.

Ik weet honderd procent zeker dat ik nooit een groot kunstenaar zal worden, maar ik weet wel dat alle kunst begint met kijken. En dat kan iedereen, als je d’r maar de tijd voor neemt.

zie ook: http://www.botanischkunstenaarsnederland.nl

Geplaatst in Uncategorized | Plaats een reactie

Groen is gras, groen is gras, onder mijne voeten

26 maart 2016

Over de kleur groen zijn de meningen verdeeld.

Mijn vader heeft me ooit een keer zwaar geschokt door te zeggen dat hij de natuur en het landschap veel mooier zou vinden als het paars van kleur was in plaats van groen. Hij hield helemaal niet van zoveel groen. Maar paars?  Hoe verzin je het. Onbegrijpelijk vond ik dat.

IMG_9607

gelig, winters gras, Vijlen 23 maart 2016

En om nog even in de familie te blijven: mijn jongste broertje had op zesjarige leeftijd al een duidelijke mening over de kleur groen. Hij was klaar-over en elke schooldag vervulde hij zeer plichtsgetrouw zijn taak op de oversteekplaats aan de Kapellerpoort in Roermond. Toen ik hem een keer vroeg wat zijn lievelingskleur was, antwoordde hij met zesjarige plechtigheid: “Groen. Want dat is de kleur van ‘veilig’. “

Als kind was groen niet mijn kleur. Dat was oranje, de kleur van de zon. Met ziel en zaligheid kon ik wegzinken in die kleur. Maar laten we wel wezen: groene vingers zijn de fijnste vingers die je je maar wensen kunt. En toen vorige week in Limburgs Land live een bever bij Maastricht werd gespot, was dat natuurlijk een groen topmoment.

IMG_9613

vers groen gras, Vijlen 2 april 2016

‘Groen’ is een containerbegrip. Meer een woord dan een kleur. Iedereen gebruikt het, en iedereen gebruikt het op z’n eigen manier. Iedereen bedoelt het goed, maar wat bedoelen we d’r nou precies mee? Groene stroom, groen kennisnet, GroenLinks, een groene slager, een groene auto. En als we het reusachtige bord langs de A2, midden in een veld met nota bene voedermais, moeten geloven is Weert the greenest region of the world. Wat? Nee….. Een beetje perspectief graag!

Het leuke van een containerbegrip is dat je zo lekker kunt doorvragen. Greenest region of the world? Gaat het misschien om het aantal bomen per hectare? Gaat het om de hoeveelheid petunia’s die ’s zomers in de bloembakken langs de winkelstraten worden geplant, of om het aantal aanwezige moestuincomplexen? Gaat het wellicht om de soortenrijkdom per vierkante meter? Of gaat het om het aantal groene burgerinitiatieven? Ja, waar gaat het nou precies om? En zitten er commerciële doeleinden achter het gebruik van het woord ‘groen’, of politieke, of natuurbeschermende?

Geef mij maar de kleur in plaats van het woord, juist nu, deze week. Terwijl momenteel miljoenen Nederlanders bij de aanblik van vrolijk gekleurde stinzenplanten volschieten met lentejeuk, is voor mij het grassprietje de absolute winnaar van het voorjaar. Zolang het gras niet groen is, is de lente nog niet begonnen. Waar een klein plantje groot in kan zijn.

Planten uit de grassenfamilie, de zogenaamde Poaceae, zijn wereldwijd een dominante groep in het vegetatiedek. Ook in grote delen van Nederland zijn de grassen ronduit beeldbepalend. Gedurende de winter word dat gras steeds geler, het sterft bovengronds deels af, het droogt uit door de vorst. De weilanden, graslanden, natuurgebieden, parken, bermen en onze gazons vergelen zo langzaam dat je er bijna geen erg in hebt. Een deken over het landschap die onmiskenbaar steeds doffer van kleur wordt. Maar dan komt maart, dan komt deze week, dan komt vandaag en morgen en dan gebeurt er iets dat heel Nederland van kleur doet verschieten. Let er maar eens op, het is een magisch moment.

Gras begint te groeien als de bodemtemperatuur ergens tussen de vijf en de acht graden Celsius komt. Boven de tien graden komt de groei echt op gang. Meten is weten. Een niet al te koud regenbuitje erover, een beetje zonneschijn, and that’s it.  Zo klein als het grassprietje is, als het met biljoenen tegelijk jonge scheuten gaat maken, als het chlorofyl voor het eerst weer zijn werk gaat doen, dan weet je het wel, dan is het gras in al zijn bescheidenheid overdonderend. De zon erop, en het landschap wordt, lang voordat de bomen gaan uitlopen, bijna lichtgevend. De doffe deken is foetsie en komt dit jaar niet meer terug. Het is lente. Geniet ervan!

Ps. Ik wil de Weertenaars graag geruststellen door op te merken dat ook het Weerter gras meedoet in dit groene spektakel. Very green indeed.

 

Geplaatst in Uncategorized | Plaats een reactie

Capitulare de villis

Capitula nr. 70 - onder andere walnoten en diverse appelrassen

Capitula nr 70 – onder andere walnoten en diverse appelrassen

L1, 27 februari 2016

Mijn geboortestad Heerlen is 19 kilometer verwijderd van Aken. Dat is een paar uur lopen. Volgens de grenzen van nu ligt Heerlen in Nederland en Aken in Duitsland, maar als we die grenzen even buiten beschouwing laten en we gaan terug naar de vroege middeleeuwen, naar de achtste eeuw, dan ligt heel oostelijk Zuid-Limburg en een flink deel van het Heuvelland binnen loopafstand van Aken, de hoofdstad van het immense rijk van Karel de Grote.

Karel de Grote was koning der Franken en keizer van het West-Romeinse Rijk. Hij werd rond 748 geboren en leefde tot 814. Hij is dus ongeveer 66 jaar oud geworden. Op 20-jarige leeftijd erfde hij samen met zijn broer een rijk dat het noordwestelijke deel van het Europese vasteland omvatte en in de loop van zijn leven breidde hij in oostelijke en zuidelijke richting verder uit.

Één van de manieren om dat enorme rijk enigszins bestuurbaar te houden was het uitvaardigen van algemene verordeningen. Deze verordeningen werden capitularia genoemd, en ze werden zo genoemd omdat ze opgesteld waren in de vorm van een lange reeks van genummerde, kleine hoofdstukjes. Caput is latijn voor hoofdstuk – en capitula is het verkleinwoord – hoofdstukje.
Je had allerlei capitularia: je had ze voor wetgeving, voor geloofszaken of politieke zaken en je had er ook één die handelde over regels en instructies voor alle keizerlijke domeinen en landgoederen die over dat enorme Europese grondgebied verspreid lagen. De volledige naam van deze verordening was: capitulare de villis vel curtis imperii. Letterlijk vertaald: verordening aangaande keizerlijke landgoederen en hoven. Kortweg Capitulare de villis genoemd.

De Capitulare de villis heeft in totaal 70 hoofdstukjes. Het laatste hoofdstuk, capitula nummer 70, is het meest bekend. In dit hoofdstuk worden de planten en de bomen vermeld die in de tuinen van alle landgoederen geacht werden te staan. Denk je eens in: in heel Europa een uniform assortiment van 73 plantensoorten en 18 boomsoorten, en ze worden allemaal met naam genoemd. Bovenaan de lijst staan twee mariaplanten, de lelie en de roos. Daarna volgt een lange opsomming van nuttige gewassen: groenten en fruit om te eten, kruiden om te kruiden en om te genezen, en ook een paar verfplanten. Het merendeel van de soorten wordt nu nog steeds in de Flora van Heukels genoemd, met de aantekening: “reeds lang in cultuur, verwilderd”. We lezen: erwt, pastinaak, snijbiet, komijn, karwij, polei, goudsbloem, bonenkruid, ui, appel, walnoot, mispel, vijg enzovoort. Een deel van de groenten uit de Capitulare de villis staat nu in de belangstelling als “vergeten groenten”. We zien ze vandaag de dag bijvoorbeeld terug in de nieuwe historische moestuin van de IVN in Ulestraten.

Genoeg over hoofdstuk 70. De andere 69 zijn eigenlijk net zo interessant. Ze gaan over alles wat met het praktisch beheer van een landgoed te maken heeft. Over de landbouw, het onderhoud aan de gebouwen, de rechten en plichten van werknemers. Maar ook over de inhoud van de voorraadkamers, over de kwaliteit van het zaaigoed, over sterke ossen voor het ploegen, over voldoende koeienstallen, varkenskotten, schaapskooien en geitenhokken, over de hygiëne bij de bereiding van producten en over de imkerij. Je kunt het zo gek niet verzinnen of het komt aan bod. En dat met een duidelijke christelijke en duurzame insteek. Al lezende komt onze term ‘maatschappelijk verantwoord ondernemen’ bovendrijven.

Ik stel me voor dat de Capitulare de villis, die toonaangevend was voor wat betreft de inrichting van huis, tuin, erf en land, vanuit Aken heel Europa overging en juist in de directe omgeving van Aken gemeengoed was. De verordening leest als een trein en van elk hoofdstukje kun je een mental picture maken. Plak deze plaatjes achter elkaar en je hebt een film. Nee, het is meer dan een film, want met een beetje fantasie kun je de planten, de beesten en het erf namelijk bijna ruiken.
Bedenk dat Amsterdam in die tijd uit niet meer bestond dan een halve man en een paardenkop, die tot hun knieën wegzakten in een ellendig, brak veenmoeras, terwijl in onze contreien een uitgekristalliseerde land- en tuinbouwcultuur aanwezig was.
Tja, verschil moet er wezen.

 

Geplaatst in Uncategorized | Plaats een reactie

Over Frans Meijer

L1, 31 januari 2016

De ene tuinman is de andere niet. Ze zijn er in soorten en maten. Je hebt de denkers en de doeners. Je hebt de luien, die al leunend op hun spa relaxed een praatje maken met de buurman en je hebt de over-actieven die per dag liefst 6000 calorieën wegspitten. Je hebt er die zich honderd procent focussen op de kleine wereld van hun eigen tuin en je hebt er die het veld intrekken en alles over wilde planten willen weten. Het is mijn ervaring dat de beste tuinmannen bezeten zijn van planten. Ze kijken altijd naar de grond, ze willen alles weten, en ze experimenteren er lustig op los. En dan kan het goed zijn dat de tuin voor de tuinman te klein wordt.

Zoals voor Frans Nicolaas Meijer. Meijer werd in 1875 geboren als zoon van een Amsterdamse douaneambtenaar en op veertienjarige leeftijd werd hij als tuinhulpje naar de Hortus gestuurd. Jonge Frans was uitermate leergierig en hij werd binnen de kortste keren de protégé van directeur Hugo de Vries, destijds een beroemd geneticus.  De veertienjarige stelde vragen, en de professor van middelbare leeftijd had er lol in ze te beantwoorden. De Vries nam hem mee naar zijn laboratorium en gaf hem les in Frans, Duits en Engels. In een hoek van de Hortus was een speciale tuin met planten voor genetisch onderzoek, en op zijn 18de werd Frans  hoofd van deze proeftuin.

Natuurlijk was het de bedoeling dat hij door zou klimmen op de ladder van de hiërarchie in de tuin en uiteindelijk hortulanus zou worden. Maar de Hortus was te klein voor zijn onrustige ziel. Erop uit trekken, zoeken, dromen en leren, dat wilde hij. Om te beginnen naar Italië, te voet over de Alpen, en slapend in de buitenlucht. Vervolgens naar Engeland en daarna de oversteek naar de Verenigde Staten. Daar aangekomen werd hij Amerikaans staatsburger en Frans Meijer werd Frank Meyer.

Hij vond werk in kweekkassen in Washington DC, en zegde na een tijdje zijn baan op. Hij trok naar Californië, werkte er tijdelijk in een tuin, en zegde zijn baan op. Op eigen initiatief maakte hij een voettocht van meer dan 1500 kilometer om de flora van Mexico te bestuderen. Dagelijks zag hij  nieuwe vruchten en bloemen en hij besefte dat hij op deze manier veel meer van planten leerde dan uit honderd boeken.

Zijn reislust, zijn vermogen om te voet lange afstanden af te leggen én zijn plantenkennis werden opgemerkt door het federale Department of Agriculture. Of hij op pad wilde gaan, naar China, om nieuwe economische gewassen voor Amerika te zoeken. Kort daarvoor was door de Amerikaanse overheid namelijk besloten dat in het noorden van de VS, van Chicago tot aan de Stille Oceaan, de extensieve veeteelt vervangen zou gaan worden door landbouw. Geen ranchers en cowboys meer, maar farmers. Men was met name op zoek naar nuttige gewassen die droogte en kou konden weerstaan en men dacht die in China te kunnen vinden.

Met ongekende moed en ijver maakte Frank Meyer tussen 1904 en 1918 vier reizen naar China, vaak onder de zwaarste omstandigheden. Gigantische hoeveelheden plantmateriaal stuurde hij naar de VS. Het ging met honderden kilo’s tegelijk. Stekken, enten, afleggers, zaden; alle praktische kennis die hij als tuinman had opgedaan was goud waard. Hij vertrouwde niemand bij het verpakken van de planten. Alleen hij kon goed inschatten hoeveel vocht het mos dat rond de wortels werd gestopt moest bevatten om ze levend in de VS te krijgen.

Hij probeerde zijn zendingen zo goed mogelijk te laten aansluiten op de wensen van zijn opdrachtgevers. Over alles wat hij meemaakte schreef hij overvloedig en hij maakte altijd foto’s. Hij werd een bekende figuur, niet alleen in de wetenschappelijke, maar ook in de gewone pers.

Frans Meijer introduceerde maar liefst 2500 soorten in zijn tweede vaderland. Zijn planten veranderden het landschap van de VS, of ze nu terechtkwamen op de uitgestrekte akkers van de Great Plains, op de erven van kleine boerderijtjes, op hoeken van straten, of in arboreta. Een van zijn leukste introducties is wat mij betreft een ziekteresistente spinazie, die de redding bleek van de zieltogende Amerikaanse spinazie-in blik -industrie. Denk je eens in: zonder Frans Meijer had Popeye The Sailor Man niet bestaan.

Frank Meyer keerde niet meer terug van zijn vierde expeditie. Op 2 juni 1918 verdween hij van een stoomboot die voer op de Jangtsekiang. Een week later werd zijn lijk in de rivier gevonden en hij werd begraven in Sjanghai. Een golf van ontzetting en welgemeend verdriet ging door de wereld van de plantkundigen. En natuurlijk was het bericht van zijn dood groter nieuws in Amerika dan in Nederland.

Geplaatst in Uncategorized | Plaats een reactie